STAAT EN MAATSCHAPPY
Zich buiten de gemeenschap geplaatst.
Het is weer eens duidelijk aan den dag gekomen, hoe de Sociaal Democraten na de beruchte Novembermaand van het jaar 1918 nog maar weinig hebben geleerd en de revolutionaire gezindheid dezer mannen zich in geen enkel opzicht heeft gewijzigd.
Voor degenen, die het optreden van de Sociaal Democraten zoowel in 't buitenland als in het binnenland, vereenigd in de Internationale arbeidersorganisatie, nauwkeurig gadeslaan en het einddoel, dat deze in het proclameeren der revolutie, in het oog vatten, heeft hetgeen de vorige week in de Tweede Kamer bij de behandeling van de Oorlogsbegrooting plaats greep, niet verrast. De revolutionaire klanken, die bij die gelegenheid uit den mond van den woordvoerder der Sociaal-Democratische Kamerfractie gehoord werden, hebben alleen het gevaarlijke van de situatie, waarin sinds de laatste jaren ons land en volk verkeert, in een helderder licht gesteld.
Het was de heer Van Zadelhoff, die op 13 December in de Tweede Kamer namens de Sociaal-Democratiscibe Arbeiderspartij woordelijk zeide:
Als, ondanks onze propaganda (de propaganda voor ontwapening) ons leger in stand blijft en de oorlog komt, dan wete de Minister (van Oorlog), dat hij op ons niet kan rekenen. Ik hoop, dat wij dan in staat zullen zijn a l l e b e r e k e n i n g e n i n d e w a r t e s t u r e n; als er oorlog komt, dan zullen wij probeeren door m a s s a l e w e i g e r i n g, desnoods door a l g e m e e n e w e r k s t a k i n g, dien onmogelijk te maken. (De spatiëering is van ons, Red.).
Tegen dit revolutionair dreigement heeft de Minister van Oorlog met waardigheid en grooten ernst in het midden van de volksvertegenwoordiging geprotesteerd. In hetgeen de woordvoerder der partij had gesproken, kwam de bedreiging tot uiting, dat op het tijdstip, waarop de Regeering en het vaderland in de moeilijkste tijdsomstandigheden zouden verkeeren, te weten in tijd van oorlogsgevaar, de Sociaal-Democraten de Regeering plotseling naar de keel zouden grijpen om haar het vervullen van haar plicht onmogelijk te maken.
De Minister zeide terecht, dat, wat de Sociaal-Democraten zich voornamen om te doen: het in de war sturen der mobilisatie in kritieke dagen, een dreigen is met algemeene sabotage van de maatregelen, welke dan worden noodig geoordeeld, dus een zich schuldig maken aan het plegen van landverraad.
Nu mocht gehoopt worden, en ook Minister Lambooy sprak die verwachting uit, dat de heer van Zadelhoff, die zijn rede had geïmproviseerd, zoo spoedig hij opnieuw aan het woord zou komen, óf het dreigement zou terugnemen óf althans zijne woorden zou verzachten. Maar zoo ging het niet. In tweeden termijn sprak de woordvoerder der Sociaal-Democraten opzettelijk van het papier en al draaide hij er nu wat omheen, toch kreeg de Kamer het verlossend woord niet te hooren. Integendeel, hetgeen in eersten termijn was gezegd geworden werd herhaald en daaraan toegevoegd: „Ik neem van deze verklaring geen woord terug".
En daarmede was het pleit beslist en plaatsten de Sociaal Democraten zichzelf buiten de gemeenschap.
Is het te verwonderen, dat de Kamer, die hier een gewichtig moment beleefde, in groote beroering kwam en de Kamerleden, de heeren Tilanus, Duymaer van Twist, Heemskerk en Schokking ieder op zijn eigen wijze, de revolutionaire gedachte, die hier tot uiting was gekomen, bestreed.
Intusschen nam de situatie een nog ernstiger karakter aan, toen de politieke leider der Sociaal Democraten in de Tweede Kamer, de heer Albarda, de woorden van den heer Van Zadelhoff ging onderstrepen en ze zelfs nog versterkte met te herinneren, hoe eenige maanden geleden de leider van de Fransche Socialistische fractie in het parlement had gewaagd van het ontketenen der revolutie en in Engeland 130.000 menschen zich tot de Regeering hebben gewend met de mededeeling, dat zij, zoo Engeland de wapenen zou opnemen, zij niet bereid zouden zijn om, hetzij met 't vervullen van den dienstplicht, hetzij op andere wijze, aan de oorlogvoering hulp te verleenen.
De heer Albarda noemde dit gelukkige verschijnselen.
Dat de Minister van Oorlog, ook na den tweeden aanval op de veiligheid van den Staat, het er, evenals bij den eersten keer, niet bij liet zitten, maar zich krachtig verzette tegen de revolutionaire dreigementen der Sociaal Democraten, laat zich begrijpen. Het was ongetwijfeld een grootsch oogenblik, toen de Minister met het oog op de Sociaal Democraten, die in de minutiefabrieken werkzaam zijn, van de heeren Albarda en Van Zadelhoff een duidelijke verklaring eischte, omtrent de houding , der Sociaal Democraten bij het afkondigen eener eventueele mobilisatie van het leger. Die vraag was, naar de Minister wenschte, alleen met ja of neen te beantwoorden. Doch uit den mond der Socialistische Kamerleden kwam noch 't woord „ja", noch 't woord „neen". Er werd om de zaak heen gepraat, zonder dat recht op het doel werd afgegaan.
Het was een mooi moment, toen Minister Lambooy zich zoo kordaat tegenover de Sociaal Democraten stelde en het duidelijk deed uitkomen, dat de regeering niet van plan was zich door deze partij van haar plicht te laten afbrengen om niet te doen wat het belang van het land eischte.
Intusschen geeft het revolutionair standpunt, dat de Sociaal Democraten thans metterdaad innemen, stof tot het maken van verschillende opmerkingen. Voorshands geven wij den inhoud dezer opmerkingen maar kortelijks aan; later komen we daarop nog wel eens terug.
De eerste opmerking betreft het feit, dat wanneer de Sociaal Democraten bij het mobiliseeren van het leger bij dreigend oorlogsgevaar de regeeringsmaatregelen zouden saboteeren, dit dan in nog ernstiger mate te wachten is, wanneer de regeering zich zou verplicht zien om bij ordeverstoringen ter handhaving van de rust en de veiligheid, lichtingen onder de wapenen te roepen.
De tweede opmerking ziet op het gevaar, dat gelegen is in de wijze, waarop de groote bedrijven als de spoorwegen, de post, enz., wat het personeel aangaat, zijn georganiseerd. In die bedrijven is grootendeels personeel werkzaam, dat tot de modern georganiseerden behoort.
De derde opmerking omvat het hoogst bedenkelijke, dat gelegen is in de voortgaande propaganda van de anti-militaristische beginselen onder ons volk.
En eindelijk wordt door de verdeeldheid onder de verschillende groepen van ons volk de kracht van tegenweer tegen acties, als waarmede door de Soc. Democraten werd gedreigd, gebroken.
Wij gaan thans op deze punten niet verder in; we hebben ze alleen maar aangestipt om er later nog eens op terug te komen. Voor het oogenblik weet ons volk, welke groote gevaren er voor ons volk van de zijde der Sociaal Democraten dreigen en hoe de veiligheid des lands daarbij is betrokken.
Een krachtig geluid.
Het Bestuur van den Bond tegen Vaccinedwang heelt een goed werk verricht, door met het oog op de behandeling van het vaccinewetje in de Tweede Kamer, nog eens duidelijk aan te toonen, dat de opheffing van den vaccinedwang niet een tijdelijk karakter behoort te dragen — volgens het regeeringsontwerp drie jaren — doch voorgoed uit de wetgeving behoort te verdwijnen.
In zijn adres, aan de Volksvertegenwoordiging gericht, schrijft het Bestuur van den Bond, „dat thans toch ook wetenschappelijk als vaststaand wordt erkend, dat de vaccinatie volstrekt niet onschadelijk is, integendeel daaraan zelfs levensgevaar is verbonden en zelfs van regeeringszijde is erkend, dat in een korte periode niet minder dan 37 kinderen door die kunstbewerking den dood hebben moeten ingaan en in tal van familiën rouw is gebracht, zonder dat in ons land pokziekten voorkomen, en dat langzamerhand de overtuiging veld wint, dat de inwerking van pokstof op het centraal zenuwstelsel als funest moet worden beschouwd.
Ten opzichte van het voorkomen van hersenziekte worden dan enkele vergelijkende cijfers gegeven tusschen Nederland en Zwitserland, in welk laatste land de vaccinedwang niet bestaat, die zeer ten gunste van Zwitserland uitloopen.
Ook ten aanzien van hetgeen in Spanje en Italië, waar de verplichte inenting bestaat en de herinenting elke 7 jaren plaats heeft, blijkt het, dat in die landen, vergeleken b.v. met Engeland, waar de vaccinedwang slap wordt uitgeoefend, het aantal sterfgevallen tengevolge van pokziekten veel grooter is.
Ten slotte wordt herinnerd aan hetgeen prof. dr. Aldershoff, directeur van het Rijks Serologisch Instituut te Utrecht, in het Decembernummer 1927 van 't T ij ds c h r i f t voor Sociale Hygiëne schreef, en dat luidt: „Naar mijne meening was dan ook voorloopig algeheele afschaffing van den vaccinedwang de beste en meest afdoende weg geweest. Het uitstel gedurende 3 jaren lacht mij niet toe".
Vooral de uitspraak van een zoo bekwaam man als dr. Aldershoff, die op het gebied van de inenting een grooten naam heeft, verdient meer dan bijzondere aandacht. Wij vertrouwen, dat bij het vaccinedebat, dat nog vóór het reces der Kamer aan de orde zal komen, nog eenmaal een poging zal worden gedaan om van den zijdelingschen vaccinedwang voor goed af te komen. En zal dan deze poging, wat wij van harte hopen, gelukken, dan zal het krachtig geluid, dat de Bond tegen Vaccinedwang heeft doen hooren, het zijne er toe hebben bijgebracht om den vaccinedwang tot het verleden te doen behooren.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 december 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 december 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's