SCHRIFT VERKLARING
Timotheüs! bewaar het pand u toebetrouwd, eenen afkeer hebbende van het ongoddelijk ijdelroepen, en van de tegenstellingen der valschelijk genaamde wetenschap; 1 Timoth. 6 vers 20.
106
1 Timotheüs
De slot-vermaning. Misschien zijn deze woorden door Paulus zelf met eigen hand geschreven, nadat hij, die den brief voor hem op schrift stelde, het schrijfriet had neergelegd. In het eind van den eersten brief aan de Corinthiërs, van dien aan de Colossenzen en van den tweeden brief aan de Thessalonicenzen loopt dit veel meer in het oog, als n.l. de apostel daar een eigenhandigen groet neerschrijft. Deze slotvermaning heeft veel van zulk een door den apostel zelf geschreven woord. Het is een woord, waarin Paulus, vervuld met vaderlijke zorg voor Timotheüs en met liefde voor de gemeente, zijn geliefden leerling eene zaak op het hart drukt, die hij boven alles niet mocht vergeten. En dat deze vermaning uit het hart van den apostel vloeide, blijkt wel uit de aanspraak, waarmede hij zich tot zijn geestelijken zoon richt: „O, Timotheüs!" Dit móést wel den toegesprokene aangrijpen! Zulk eene brandende liefde voor de zaak des Heeren kon hem niet koud laten en een wenk, zoo rechtstreeks op zijn persoon gericht, zou hij niet onverschillig van zich afwerpen. Natuurlijk ligt de kracht van zulk een aanspraak juist in het schaarsche gebruik ervan. Als b.v. in de prediking van het Evangelie de vermaning te veel keeren in een dergelijken vorm tot de gemeente wordt gericht, gaat er geen indruk meer van uit. Zulk een prediker mag dan voor een keertje om zijn „innigheid" geroemd worden, wijl hij telkens zijn woord wilde kracht bijzetten door aanspraken als: „o gemeente" of „o mijne hoorders" of „o medereizigers naar de eeuwigheid" of „o doemschuldige medemenschen", maar hij kan ze ten slotte evengoed weglaten, omdat zij door het veelvuldige gebruik geen indruk meer maken. Meestal wordt dat herhaalde aanspreken gebezigd om de holheid van de prediking te bemantelen. 't Was beter dat men meer inhoud in de Bediening des Woords legde, zoodat zij in zichzelf het karakter droeg van iets belangrijks, dat men te zeggen had. Dan waren die veelvuldige aanspraken niet noodig. De gemeente zou waarlijk niet vergeten dat zij toegesproken werd en ...... de preek zou er bij winnen in echte innigheid! Maar zeker, een schaarsch gebruik van de aanspraak is aan te bevelen. Het werkt een nauwer contact tusschen den prediker en de luisterende gemeente.
En nu de vermaning, zelf. „Bewaar het pand u toebetrouwd". Met 't woord „pand" is bedoeld eene zaak, die ons niet toebehoort, maar die wij in bewaring hebben gekregen, terwijl de eigenaar elk oogenblik het recht heeft haar terug te nemen. Hier is kennelijk bedoeld de aan Timotheüs toevertrouwde Heilswaarheid. Hetzelfde wat in vers 12 als „de goede belijdenis" werd aangeduid, in vers 14 als „het gebod". Timotheüs moest voor die Heilswaarheid met zorg en liefde waken, evenals men waakt over een kostbaar bezit, dat het eigendom is van een ander, en wel zóó, dat Timotheüs de Waarheid, die hij beleed en predikte, elk oogenblik voor het aangezicht des Heeren kon neerleggen, met de woorden: „Zie, Heere, hier het Evangelie, mij gegeven. Ik heb het, niet als mijn zaak, maar als Uw zaak zuiver naar Uw Woord bewaard". Er zou voor de gemeente veel winst uit geboren worden, als deze vermaning door elken ambtsdrager, in het bijzonder door elken leeraar werd ter harte genomen, als elke prediker zóó den kansel mocht betreden, terwijl hij vervuld was met deze gedachte: ,,ik heb het pand mij toevertrouwd voor den Heere neer te leggen, opdat Hij zou bemerken dat het Evangelie, dat ik predik, van 't begin tot 't eind, Zijn eigendom is, dat ik niet mag besnoeien en niet mag aanvullen". Hoe consciëntieus zou dan des leeraars kanselwerk zijn! Hoe zouden, als hij in denzelfden geest te werk ging, ook zijn huisbezoek en ziekenbezoek een verheven stempel dragen. In het een zoowel als in het ander zou het hem koud laten wat de menschen er van zeiden. Het Evangelie is toch niet een pand, dat de menschen hem hebben toevertrouwd? Wel. dan heeft hij zich ook van het afkeurend of van het goedkeurend oordeel der menigte niet het minste aan te trekken. En dan is het ook niet noodig om met allerlei „kunst en vliegwerk" de menschen naar de kerk te drijven, zooals in onze dagen, tot oneer van het Evangelie, zoo vaak gebeurt. Men kon toch verleden week eene advertentie in de Rotterdamsche Kerkbode lezen, waarin men uitgenoodigd werd eene vergadering bij te wonen „tot opwekking van het kerkelijk leven." Het zou daar in en in-gezellig zijn! Zoo stond er. De klinkende naam van een spreker werd genoemd en „leder der aanwezigen zou een kerstkransje ontvangen"! Een lekkere hap er bij!! 'k Dacht, moet het nu zóó? Werpt men zoo geen blaam op het Evangelie? Neen, dan maar liever weinig menschen in de kerk, als mede door een kerstkransje de opwekking van het kerkelijk leven zou moeten plaats vinden! Het kerkelijk leven, waarmede het in onzen tijd droevig is gesteld, vooral in de groote steden, zou een levende kern hebben, als het pand aan ons toevertrouwd met biddende zorg bewaard werd, zoodat het Evangelie door nauwgezette Schriftverklaring zijn vernieuwde schoonheid toonde voor de gemeente des Heeren. Een ieder make er een gewetenszaak van. Hij beluistere zijn eigen naam in de vermaning des apostels: „O Timotheüs, bewaar het pand u toevertrouwd". En hiermede zullen wij het voor de gemeente en haar kerkelijk leven kunnen wagen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 december 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 december 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's