MEDITATIE
Oude Jaar.
De dagen des menschen zijn als het gras; gelijk eene bloem des velds, alzoo bloeit hij. Als de wind daarover gegaan is, zoo is zij niet meer, en hare plaats kent haar niet meer; Maar de goedertierenheid des Heeren is van eeuwigheid en tot eeuwigheid over degenen, die Hem vreezen, en Zijne gerechtigheid aan kindskinderen. Psalm 103 vers 15, 16 en 17.
Het einde van het jaar draagt een krachtige prediking met zich van de vergankelijkheid van dit leven en van alles dat in dit leven schoon genoemd wordt. 't Dringt ons tot een terugblik. Niet slechts over dit jaar, maar over alle jaren, die in ons leven zijn vooribij gesneld. En wij vragen met weemoed: Waar is die tijd gebleven? Onze jaren snellen daarheen. Zij zijn als een schaduw, die verdwijnt. Wij kunnen haar niet grijpen en vast houden. 't Leven, waaraan wij gehecht zijn, ontvalt ons. We hebben 't lief gekregen, ook dit jaar, met al z'n lief en leed, en 't gaat ons verlaten, zonder dat wij het ooit meer te zien krijgen De weg brokkelt aldoor achter ons af. Wij kunnen hem voor geen schrede teruggaan. Dit duurt tot wij de eindstreep bereiken. Wie weet hoe spoedig?
Dit alles is wel geschikt om ons droefgeestig te maken. Geen wonder dat menigeen in een tijd, waarin ook de natuur vaak zoo somber stemt, naar afleiding en vermaak zoekt. De gedachten van dood en vergankelijkheid mogen wel even de ziel beroeren. Dat behoort er zoo bij! Echter niet te lang! 't Moet ook weer eens uit zijn! En de mensch werpt zoo maar den ernst van het oudejaar als met één zwaai van zich af. Hij sluit zijn oor voor de roepstem tot bekeering, die ook uit de vergankelijikheid van het leven tot hem komt.
Als het zoo met ons is, zijn wij ver verwijderd van de blijdschap van den psalmist. Immers hij zet de gedachten van vergankelijkheid midden in zijn loflied. De goedertierenheid des Heeren is hem zulk een groot goed, dat daardoor alle somberheid en neerslachtigheid gebannen worden. En hij aanvaardt het met vrede, dat de dagen des menschen zijn als het gras, als een bloem des velds, wier standplaats straks niet meer gekend zal worden. Immers de Heere heeft hem lief, met eene goedertierenheid die van eeuwigheid is en tot eeuwigheid. Die liefde zal het met hem maken en zal hem dragen over al het tijdelijke heen en zal hem een rots der eeuwigheid zijn. Hij begint den psalm met den lof des Heeren en hij eindigt met alles op te roepen tot dienzelfden lof. Welk een voorrecht als ook onze ziel zich aan dien jubel paren mag. Denk u dit eens voor uzelf in. Kunt ook gij zoo rustig en kalm het voortsnellen van den tijd gadeslaan? Zoodat ook gij bij uzelf besluit: 't hindert niet, als ook de bloem van mijn leven zou afbreken en alles hier zonder mij voortgaat, want de Heere heeft ook mij lief in Christus Jezus, Zijnen Zoon? Wees er van verzekerd dat dit een zegen is, die in het oudejaar het hoofd ons doet opheffen. Wij hebben dan geen afleiding noodig om de akelige gedachten van den dood van ons af te zetten. Wij zetten niets van ons af. Integendeel, wij zingen er van. Wij nemen de gedachten op in het loflied, dat de Heere Zelf door Zijn Woord ons leerde:
Gelijk het gras is ons kortstondig leven.
Gelijk een bloem, die op het veld verheven,
Wel sierlijk pronkt, maar krachfloos is en teer.
Deze vrede, waardoor wij kunnen zingen van den dood, waardoor wij jubelen van Gods gunst, is echter geen vrucht die groeit op onzen eigen akker. De weemoed, waaraan menigeen zich op den oudejaarsavond voor een tijdje overgeeft, is slechts een surrogaat van vroomheid, nagemaakte gods dienst, 't Was beter als men z'n schuld beweende en zijn zonde betreurde. Niet is dit het ergste, dat onze levensdagen voorbijsnellen, maar wel dat wij in dit voorbijsnellende leven de bewijzen geven dat wij God, de bron des levens, den rug hebben toegekeerd. Als in het rijk der natuur het gras verdort, en de bloem afvalt, dan is dit natuurnoodwendig. Maar als wij afvallen als een blad, dan is dit, met al wat er aan vooraf gaat — 't verwelken van onze schoonheid, 't afnemen van onze krachten, 't vergaan van wat in dit leven onder de menschen geroemd wordt — een gevolg van onzen afval van God. Zeker, de dood is wel wreed en in menigen familiekring wordt de wonde van een smartelijk verlies weer opengereten, als men aan het einde van dit jaar tot elkander moet zeggen: „hij, zij is niet meer"; ja, de dood is wreed, zooals de wind wreed is die met één ruk de schoonste bloem verbreekt, maar veel ernstiger is de wreedheid der zonde. Daardoor is de meest zegenrijke levensverbinding afgesneden, n.l. die met God, uit Wien het ware leven is. Begrijpt gij dan dat, wanneer wij die breuk bestendigen, wij voor ons eigen zieleheil veel wreeder zijn dan de stormwind voor de door hem afgebroken lelie? Daarom is er veel meer reden om te weenen over onze zonde dan om tranen te storten over 't vergankelijke van dit ondermaansche. Zie, dan zou er droefheid uit den Heiligen Geest in ons zijn, als wij oprecht waren voor 't aangezicht des Heeren, ook nu, aan het einde van dit jaar, en als wij eerlijk ons onderzochten hoe wij waren tegenover God en tegenover de menschen! O welk een stroom van ongerechtigheden heeft dan weer de overhand over ons gehad! Hoeveel bewijzen gaven wij van onzen afval van God! Van den hoogmoed van ons hart en van het gebrek aan verootmoediging, ook tegenover onzen naaste. Ook misschien wel tegenover de leden van ons eigen huisgezin. Misschien hebben wij ons overgegeven aan kwaad spreken en kwaad beluisteren van anderen. Misschien hebben wij in drift .......... och, laat ik maar niet meer noemen. Moet gij niet voor God verschijnen met een zwaar pak van zonden? Die droefheid zij ons deel. Dat bitterlijk weenen over ons zelf. En het oudejaar scheide van ons niet zonder dat de Heere in ons ziet een gebroken hart en een verslagen geest.
Wij vinden in de hierboven geplaatste woorden een tegenstelling. Is die tegenstelling wel zuiver? Moest er tegenover de zwakheid der menschen niet de kracht van God gesteld zijn? Of moest tegenover het vergankelijke van dit leven niet het eeuwig bestaan des Heeren vermeld? O, welk eene vertroosting houdt het in zich dat de psalmist hier zingt van de goedertierenheid des Heeren. Dat die goedertierenheid des Heeren altijd nieuw is, strekt Gods kind tot groote blijdschap. Zonder haar zou er voor mij geen vrede zijn, zegt de geloovige. 'k Zou in mijn droefheid ten onder gaan!
De goedertierenheid des Heeren is het eerste dat noodig is. Niet de kracht Gods, niet de eeuwigheid des Heeren. De goedertierenheid Gods zij is het brood, waarvan de hongerige ziel moet leven.
Van die goedertierenheid heeft het scheidende jaar in het bijzonder getuigd, toen het Kerstfeest ons sprak van het Woord dat vleesch geworden is en onder de menschen woonde. Hoe wonderlijk is dan toch die goedertierenheid Gods, die zich openbaarde in een weg, waarin al Gods deugden verheerlijkt werden, ook Zijn heilig recht. Wij behoeven daarom niet onzen troost te zoeken bij een goedigen Heere, Die het dan maar, ter wille van de zaligheid des menschen, niet zoo ernstig opnam met de zonde, zoodat wij het neerdrukkende besef moesten ronddragen dat de Heere Zich in Zijn recht heeft laten krenken. Neen, de liefde tot al Gods deugden, die door den Geest in 't hart gewrocht wordt, verkrijgt hare ruime voldoening door het geloof in Jezus Christus. Het Woord dat vleesch geworden is heeft er voor gezorgd dat aan Gods recht voldaan werd. O rijke, eeuwig te prijzen goedertierenheid des Heeren! Welk een voorrecht te mogen zeggen bij het voortsnellen van den tijd: Die goedertierenheid is ook over mij van eeuwigheid tot eeuwigheid!
Zij wordt ons nog wonderlijker als wij in ons eigen leven de leidingen des Heeren gadeslaan, waardoor wij haar lief kregen,.'t Waren misschien wel wegen van ontberingen en tegenspoeden, waarin wij al zeer weinig zagen van de liefde Gods. Misschien drukte ook dit jaar het kruis des levens u zóó zwaar, dat het u onmogelijk was het uit een zorgende Vaderhand te ontvangen? Maar daardoor zijt gij toch gekomen tot verootmoediging en schuldbesef. In ieder geval zijn de leidingen des Geestes door de diepten heen van een verbroken hart. En gij zegt: ,,0 Heere, hebt gij mij dan zóó geleid dat ik Uw goedertierenheid in Christus mijnen Heiland boven alles ging beminnen? Ja, Gij wist dat alleen Uwe goedertierenheid mij vrede zou geven, mij gelukkig zou maken." Welnu, die goedertierenheid blijft eeuwig, ook over u! Dien de Heere mint, dien mint Hij eeuwig! Die goedertierenheid gaat met u het nieuwe jaar in. Zij is een bloem die nooit wordt afgebroken. Zij bloeit eeuwig! Och, als u alles zou ontvallen, en gij van alles wordt weggerukt, zij ontvalt u nooit.
K r a 1 i n g e n. N. VAN DER SNOEK
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 december 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 december 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's