KERKELIJKE RONDSCHOUW
De Reorganisatie-beweging (2)
„De tijd schijnt ons gekomen, dat er met betrekking tot de Reorganisatie-beweging in breeden kring éénstemmigheid heerscht omtrent de w e n s c h e l ij k h e i d van een reorganisatie, ook omtrent de richting, waarin zij zich ongeveer bewegen moet". Zóó schreef dr. J.R. Slotemaker de Bruine, later kerkelijk hoogleeraar en thans Minister van Arbeid, in den jare 1904, toen gewoon dominee zijnde. Of het niet wat boud gesproken en geschreven was toen? Sinds 1904 is er wel een enkel jaartje overheen gegaan, en nu ja! Prof. S. .van Veen sprak: na de groote vacantie in het jaar 1904, bij de opening van zijn colleges, ook over Reorganisatie. En prof. T. Cannegieter bij den aanvang van den cursus 1905—'06. Hoeveel couranten-berichten, hoeveel artikelen, hoeveel brochures, hoeveel vergaderingen zijn daar al op gevolgd!
Een lange rij van personen treden nu voor onzen geest, als we aan de Reorganisatiebeweging denken. Namen van ds. O.G. Heldring, ds. I.C.I. Secretan, dr. G.J. Vos, mr. G. Groen van Prinsterer, I. Da Costa, Capadose, dr. A. Kuyper, dr. J.J. van Toorenenbergen, dr. Ph. van Ronkel, dr. Ph.J. Hoedemaker, dr. J.H. Gunning Sr. — te veel om op te noemen. Vooral toen in 1840 Koning Willem I was afgetreden en in 1842 de nieuwe Regeering bij een Besluit d.d. 1 Juli had verklaard, „dat de Kerk van de voogdijschap, die zij (d.i. de Regeering) sedert 1816 had uitgeoefend, moest worden ontheven", kwamen de geesten in beweging.
„Alle veranderingen in de bestaande Kerkorde behooren voortaan alleen van de Kerk uit te gaan. De Staat begeert daarbij verder geen invloed uit te oefenen" — werd van Regeeringswege verklaard. Toen werd de aandacht van de rechtzinnigen gespitst. Zou de Kerk nu vrij worden, om zelve haar zaken te regelen voortaan? Om vrij te komen van de opgelegde Synodale organisatie, 't Staatscreatuur van 1816?
't Zou wat!
De Kerk bleef onder de Bestuursinrichting van 1816, ook nu de Koning, de Overheid, zicih terug trok. De Regeering liet de Kerk in haar gevangenis achter; alleen was d i t de wijziging: de directeur van de gevangenis ging heen, maar liet de gevangene niet vrij; neen, hij stelde bij zijn vertrek den cipier tot directeur aan. De Synode en de Bestuursinrichting bleef. En de Kerk moest voorttobben in het dwangbuis, door Koningshand haar aangetrokken en vastgegespt.
Op herstel van de Kerkelijke Vergaderingen was aangedrongen, op herstel van de inrichting der Kerk, zooals zij vóór 1816 bestond; aangedrongen op eene Constituante, of, ten minste op eene gemeentelijke stemming, opdat zou openbaar worden wat de Kerk zelve wilde — maar geheime onderhandelingen tusschen de Regeering en de Kerkelijke Besturen werden gevoerd, dat wist men, waardoor men de zaken wilde sturen in een richting, dat het zou blijven, zooals het s i n d s 1816 was.
De Kerk zou in het dwangbuis van de Synodale organisatie gekneld mogen voort gaan, om dan, in dien weg van de Synodale organisatie vastgesnoerd, zichzelf verder te helpen; in schier onverbreekbare boeien gekneld, onder bijna onafschudbaar juk gekromd. Geen aasje van vrijheid werd haar bij het terugtrekken van de Regeering, geschonken. En dat alles ingaande tegen 't wezen en het recht van de Kerk des Heeren in dezen lande!
Toen kwamen 18 Aug. 1848, na enkele voorbereidende maatregelen, te Amsterdam predikanten en gemeenteleden — 33 predikanten en 288 leden en opzieners der gemeente — bijeen, in het gebouw „Odeon", waar uitgesproken werd:
»Dat de Gemeente op zelfbestuur, in overeenstemming met Gods Woord en onder de leiding van Zijn Geest een onvervreemdbaar recht heeft. Dat, aangezien dit recht, bij de bestaande organisatie geheel ter zijde gesteld is, het méér dan tijd wordt de handhaving daarvan niet langer te verzuimen, maar veeleer alle gepaste middelen aan te wenden tot een volledig herstel«.
Op dien grondslag werd de vergadering dus ingericht. Of zooals nader, in de uitnoodiging, was omschreven:
»Dat de Hervormde Kerk, gelijk die zich heden ten dage in ons land bevindt, zoo niet rechtens, althans feitelijk is afgeweken van de groote beginselen van Gods Woord, zoo ten aanzien van de l e e r als van den K e r k v o r m«.
Om de bestuursorganisatie ging het, om den Kerkvorm. Maar men begreep heel goed en men sprak het ook uit, hier was ook de belijdenis, de leer der Kerk, in 't geding en in 't gedrang. Daarom stond ook in den oproepingsbrief:
»Dat uit dezen stand van zaken noodwendig volgt de kwetsing van veler geweten in de uitoefening van de heiligste plichten«.
En nu moest de bestuursorganisatie weg! Want zoo vervolgde de uitnoodiging:
»Dat de ondervinding van vele jaren de vruchteloosheid heeft getoond van zoodanigen terugkeer tot de grondbeginselen der Kerk, zoolang zij bestierd wordt naar hare tegenwoordige instellingen. Men heeft alzoo evenzeer erkend, dat eene gebiedende noodzakelijkheid vóór alle dingen h e t h e r s t e l v a n d e k e r k e l ij k e o r g a n i s a t i e op haren wezenlijken grondslag vordert«.
En dat men deze dingen principieel nam, bleek uit het vervolg en slot van den oproepingsbrief, waar we lezen:
»Men heeft erkend, dat de beginselen eener ware en wijze vrijheid klaar en kenlijk genoeg zijn ontwikkeld in het Nieuwe Testament, om het tegenwoordig bij ons bestaande stelsel van Kerkregeering te veroordeelen en aan onze Kerkelijke instellingen een anderen grondslag dan den tegenwoordigen te geven, enz.«
Niemand minder dan de heer Groen van Prinsterer was voorzitter van die vergadering.
Andere mentaliteit onder de Modernen.
Veel meer dan 50 en 25 jaar geleden voelen de Modernen voor de Kerk, voor de Nederlandsche Hervormde Kerk, om in de Kerk te blijven en er niet uit te gaan. De Modernen hebben er over het algemeen niet over te roemen, dat de opkomsten zoo talrijk zijn wanneer er een gewone kerkbeurt is. De rechtzinnigen zijn gewoonlijk veel meer kerksch dan de vrijzinnigen. Als men in vrijzinnige gemeenten de neuzen telt in een gewone kerkbeurt, kan een kind gewoonlijk de optelsom gemakkelijk voor elkaar krijgen en de collecten zijn na den dienst spoedig geboekt.
Maar er komt meer en meer een streven onder de vrijzinnigen om tooh lid van de Kerk te blijven — ook al maakt men er weinig gebruik van. Bij de stembus kan men dan meehelpen, dat „de fijnen" niet „de baas" worden! Ook die nog wel belangstellen in godsdienst — want heel veel modernen zijn practisch koud materialist zonder gevoel voor religie — en nog wel gebruik maken van de Kerk, willen, veel meer dan vroeger het geval was, juist de de Hervormde Kerk behouden. Zoo wordt de strijd om de Kerk onzer Vaderen hoe langer hoe zwaarder en zullen de rechtzinnigen zich moeten bezinnen, meer dan tot nu toe, wat er in deze gedaan moet worden, om de Nederl. Hervormde Kerk te behouden en méér te maken tot een belijdende Kerk, levend bij Gods Woord als een getrouwe getuige van Jezus Christus.
De Modernen voelden er 25 jaar terug soms veel voor om buiten, naast de Hervormde Kerk een godsdienstig-kerkelijk samenleven te scheppen, waar vrijzinnigen van verschillend Kerkgenootschap konden samenwonen, zooals b. v. de Vrije Gemeente te Amsterdam. Dat ligt ook eigenlijk geheel in de lijn der vrijzinnigen. In het midden van de belijdende Hervormde Kerk wordt het voor hen toch niets. Het is altijd strijden en minderheid zijn; en waar men meerderheid is, is de aardigheid er af en moet men telkens zien, dat zij, aan wie alles onthouden wordt, veel méér dan zijn dan die exclusief de baas spelen. Groote kerken en geen menschen; paarden en geen ruiters. Men zit dan eerst eigenlijk recht verlegen met de dingen! De Ned. Protestantenbond wilde ook wel meer dien kant uit van kerkje spelen buiten, naast de Hervormde Kerk; vrijzinnigen van verschillende Kerkgemeenschap konden dan meedoen en er kon zoo doende een nieuwe groepeering komen van modernen.
Maar de stukken staan de laatste tientallen van jaren, vooral de laatste 15 jaar, wel wat anders op het kerkelijk schaakbord. De Vrijzinnige Hervormden staan er nu sterk op, dat men de Hervormde Kerk niet zal loslaten. Ten eerste zegt men, dat die menschen, die religieus voelen, de Kerk niet missen kunnen. (Wat vroeger ook niet zoo sterk naar voren werd gebracht). Ze hebben behoefte aan kerkelijk samenleven. Maar dan in de tweede plaats schuift men naar voren, dat men kerkelijk samenleven moet hebben in het midden van de Ned. ervormde Kerk. Daar moet het vrijzinnig protestantsch beginsel — en dan komt de propagandist aan het woord — verbreid en verdedigd worden.
Waarom?
Als men een afzonderlijke vrijzinnige kerkelijke gemeenschap sticht, staat men buiten de massa, buiten het volk. In de Hervormde Kerk, zoo redeneert men, vindt men het grootste gedeelte van Neêrlands bevolking, die allen zeggen, dat ze „Hervormd" zijn, en in het midden van die Kerk nu willen de vrijzinnigen zijn en blijven, om zoo de massa te kunnen bereiken en te kunnen bewerken, geloovend, dat ze in de Hervormde Kerk veel meer vertrouwen bij de menschen kunnen wekken dan wanneer ze niet-Hervormd zijn.
„In ons land" — zoo schreef het Vrijz. Weekblad „Kerk en Volk" (die naam typeert ook in deze) — ,,kunnen de kleinere kerkgenootschappen het volk in eigenlijken zin niet bereiken. Een groot deel van het Protestantsche volk van Holland hoort nog, indien 't ergens bij hoort, tot de Groote Kerk. Maar hier, zooals in vele landen van West-Europa, is geen krachtig godsdienstig leven meer onder het volk, en ontstaat hoe langer hoe meer een wereldsche cultuur zonder wijder idealistische strekking en zonder eeuwigheidsbewustzijn. Wil nu het vrijzinnig Christendom toch nog een belangrijken vernieuwenden invloed op het volksleven hebben, dan zal het moeten zijn door de Groote Kerk, de Hervormde Kerk! Want daar alleen kunnen wij somtijds velen bereiken, die er zich anders buiten houden en hetzij tot onverschiiligheid vervallen, hetzij enkel aan eenig maatschappelijk streven hun krachten wijden, en daar kunnen wij ook spreken tot sommigen, die niet weten wat het vrijzinnig Christendom is, en toch in eigen godsdienstig leven noodig hebben verruiming en verdieping.
Zoo vormen wij dus wel niet een volkskerk, maar wij hooren wel tot een volkskerk, en het werk, dat op dit terrein kan gedaan worden, is van het grootste belang. Hier zal op den duur moeten blijken of het vrijzinnig Christendom enkel verstaan kan worden door hen, die eenigszins tot de intellectueelen behooren, dan wel of het een macht is, die het volk kan bereiken en aan datgene wat onder het volk leeft, richting, diepte en bezieling kan geven. Zij die hier staan en hier werken, gevoelen in ieder geval, dat wanneer op den duur Protestantsch Nederland in het vrijzinnig Christendom tot nieuwe eenheid en gemeenschapskracht kan komen, er iets gewonnen is dat van waarde is voor de heele hedendaagsche cultuur". („Kerk en Volk", no. 51, 17 Dec. 1927).
Wij willen nu niet breed op de dingen ingaan, maar wij willen alleen zeggen tot de rechtzinnigen: „Geeft acht op uw zaak!" En als de wereld wegzinkt bij armelijke cultuur, bestraald door den glans van deze „verlichte" eeuw — dan hebben de rechtzinnigen in Christus, Die het Godsleven is en geeft, nog wel iets anders te brengen dan de vrijzinnigen, die steeds weer terug komen op den mensch en niets overhouden dan den mensch; de mensch, die hoogstens achter den ideaal-mensch Jezus aan wandelt, als een die het goede betracht.
Wil men de schare de woorden des eeuwigen levens verkondigen, dan zal het uit Christus moeten worden genomen; zóó kan het volk, dat in duisternis zit, nog komen tot de aanschouwing van het groote licht! En wij, die den Christus der Schriften mogen verkondigen en naar den aard en het wezen van de gereformeerde belijdenis spreken, hooren historisch, zedelijk in de Hervormde Kerk thuis. Daar is van ouds onze plaats. En in plaats dat wij het lijdelijk zullen aanzien dat ons de Hervormde Kerk wordt ontfutseld en aan rechtzinnigen het beginsel van het vrijzinnig protestantisme wordt bekend gemaakt, zullen we de beginselen van Gods geopenbaarde waarheid uitdragen naar Zijn Woord, om de wille van Kerk en Volk!
Ds. K.F. Creutzberg Senior.
In deze dagen, dat de naam van ds. Creutzberg, van Den Haag (Duinoordkerk) nog al eens over de tong gaat, willen we er aan herinneren, dat zijn vader, indertijd predikant te Arnhem, in de Synode zoo dikwijls gepleit heeft voor handhaving van de positief christelijke belijdenis in het midden der Hervormde Kerk.
Toen de kwestie van de belijdenisvragen aan de orde was (er is niets nieuws onder de zon!) en door Vrijzinnigen er op aangedrongen werd óf de vragen af te schaffen (gelijk later, in 1914, door prof. Gort is voorgesteld) óf een stel moderne vragen in te voeren, was het vooral ds. Creutzberg, van Arnhem, de vader van den tegenwoordigen Duinoordkerk-predikant, die 'n warm pleidooi hield voor belijdenisvragen, waarin de positief christelijke belijdenis van predikanten en leerlingen, zou uitkomen. En hij protesteerde er telkens tegen, dat de modernen in onze Hervormde Kerk den band aan de belijdenis der Kerk wilden doorsnijden, om daarmee vrijheid te geven aan allen wind van leer.
Men leze de Syn. Acta van het jaar 1878 maar eens! Van een verbond met de modernen en een gelijkstellen van hun vrijzinnige beginselen met de leer der Hervormde Kerk, wilde hij niets weten. Er lag voor hem een diepe klove tusschen rechtzinnigen en modernen. En de klove lag daar, waar de een den Christus der Schriften beleed en de ander den Christus der Schriften loochende. Ds. Creutzberg van Arnhem, ds. Verhoeff van Utrecht en ds. jhr. Trip van Zoudtlandt van Hattem, stonden in deze in de zeventiger jaren altijd trouw naast elkander in de Synode!
De woorden „geest en hoofdzaak".
De woorden „geest en hoofdzaak" in Art. 39 Regl. Godsdienstonderwijs hebben een heele lange geschiedenis. Wij komen daar binnen korten tijd in ons boekje „Over de Leervrijheid in de Ned. Herv. (Geref.) Kerk", 2de druk, breedvoerig op terug.
Maar we willen er hier nog wel eens aan herinneren, dat de modernen deze woorden hebben voorgedragen bij de belijdenisvragen in Art. 39 Regl. Godsdienstonderwijs, om de Ned. Hervormde Kerk van haar ,,leerstellig karakter" te berooven. Dat wilden ze eerst nog op heel wat brutaler manier doen. Maar toen er een storm opging in de Kerk, haalde de Synode bakzeil. En toen kwamen de woorden „geest en hoofdzaak".
De rechtzinnigen hebben die woorden altijd „hoogstbedenkelijk" gevonden, „omdat ieder predikant zijn gevoelen dan kon neerleggen" in eigengemaakte vragen en omdat dan ,,feitelijk alle waarborg werd weggenomen, dat zij, die als lidmaten der Ned. Hervormde Kerk worden aangenomen, het Evangelie der Schriften zijn toegedaan". Men oordeelde, dat het aanleiding zou geven tot wanorde en willekeur. Men vond het „nevelachtig en onbestemd" en keurde het daarom af, met „sterken afkeer" tegen zulke woorden.
Eén Classicale Vergadering rapporteerde, dat zij tegen was, omdat „de belijdenis der Kerk geheel op zijde zou worden geschoven en het aan iedere willekeur zou zijn overgelaten te bepalen wat al of niet met het Christelijk Hervormd karakter der Kenk zou overeenkomen en men alzoo allen waarborg zou missen, dat de voorgestelde vrijheid niet ten koste der waarheid zou worden misbruikt". Men vreesde voor „verloochening van het eeuwige fundament, dat gelegd is, n.l. Jezus Christus".
Het is nu wel openbaar geworden, dat de orthodoxen, dien toen weinigen waren in de Synode, maar als één man schouder aan schouder stonden, gelijk hebben gehad. Het is er den Vrijzinnigen om te doen geweest, om de belijdenis der Kerk — welke door ieder, ook door ieder der predikanten moet gehandhaafd worden, waarbij de beroepshrief zegt, dat het Evangelie van Jezus Christus naar Gods heilig Woord moet worden gebracht — te verzwakken en zelfs in geest en hoofdzaak te bestrijden.
Wat zotte vragen zijn er al gedaan door Vrijzinnigen! Natuuriijk tegen de bedoeling van het Reglement in!
We willen een paar voorbeelden noemen. In 1913 werd door een Vrijzinnig predikant voorgesteld de eerste belijdenisvraag aldus te stellen:
„Belijdt gij te gelooven in God, den Almachtige, Schepper van hemel en aarde; en in Jezus' Evangelie, dat ons dien God als den Vader aller menschen leert liefhebben en aanbidden; en in den Heiligen Geest, door dat Evangelie gewekt?"
Dat moest dan „geest en hoofdzaak" zijn van de belijdenis, door de Hervormde Kerk voorgestaan en geëischt. Zelfs in het niet-officiëele gedeelte van ,,De Kerkelijke Courant" (die vroeger kalm door Vrijzinnigen werd gebruikt — of misbruikt? — voor Vrijzinnige propaganda!) kwam daartegen op, door laconisch op te merken, „dat men zich toch wel wat nader kon aansluiten bij de traditioneele formules" en dat men „met name wel iets meer zou kunnen zeggen van Jezus en óók iets van den Heiligen Geest".
Sapienti sat!
Dr. C.J. Niemeijer, indertijd de grootmeester der Vrijzinnige Hervormden, stelde toen voor de eerste vraag aldus te formuleeren:
»Belijdt gij te gelooven in God, den Vader, den Almachtige, die met wijze en heilige liefde alles in stand houdt en leidt; in den adel der aan God verwante menschenziel, ons het zuiverst en duidelijkst getoond door Jezus Christus, den mensch, het kind Gods bij uitnemendheid; en in den Heiligen Geest, die louterend en bezielend inwerkt op de menschheid en haar vormt voor Gods Koninkrijk«.
Dat is voor de Vrijzinnigen nu „geest en hoofdzaak" van de belijdenis der Ned. erv. (Geref.) Kerk!
Natuurlijk is dit brutaal en roekeloos gedoe in het midden van de Hervormde Kenk, die haar belijdenis in geest en hoofdzaak wil gehandhaafd zien, vooral door de predikanten, die dan ook in hun belofte, als propopent gedaan, beloven het Evangelie van Jeus Christus te zullen verkondigen, 't welk ze doen zullen naar Gods heilig Woord, gelijk ze in den beroepsbrief onderschreven hebben.
Het is dus brutaal en roekeloos en reglementair ongeoorloofd. Historisch en zedelijk recht bestaat hier in de verste verte niet. Maar men probeert het toch maar! En daarom is het zoo verkeerd niet, dat de orthodoxen, die den Christus der Schrifen belijden, op deze dingen geducht acht geven!
Waar zit het innigst geloof?
Als men week aan week artikelen, brochures, enz. van Vrijzinnige Hervormden leest, krijgt men den indruk, dat het innigst geloof altijd daar zit, waar men de bijbelsche waarheden verwerpt. Het vroom gemoed, het vrome leven zit altijd daar, waar men de Heilige Schrift heeft losgelaten, waar men de Godheid van Christus loochent; waar men over de natuur des menschen spreekt zóó, dat geen verlossing door verzoening noodig is, enz. Met de verwerping van „de leer" komt blijkbaar het vrome „leven". Echte vromen hebben blijkbaar geen behoefte om hun geloof te openbaren in een belijdenis, nasprekende het Woord.
Over God, over Christus, over schepping, val, zonde, genade, verlossing, wedergeboorte, rechtvaandigmaking, heiligmaking, Kerk, sacramenten, dood, eeuwigheid, wederkomst van Christus en wat er in 't laatst der dagen zal geschieden — behoeven zij, die zoo innig vroom zijn, blijkbaar niet te spreken, aan de hand van Gods Woord. De Kerk behoeft blijkbaar niet ordelijk uiteen te zetten, wat zij gelooft en belijdt en waarvoor zij wenscht te waken en te strijden als het noodig is. Zoo praten de Vrijzinnige Hervormden. Om dan als „innig vromen" vrij spel te krijgen en intusschen te belijden, te propageeren, te eischen, te verdedigen wat zij zelf hebben uitgedacht. Hardnekkig dat naar voren schuivend. Eischen stellend, rechten vragend, overal.
Maar wij laten ons door dat gepraat over „leer" en „leven", over dat „innig" geloof en dat „vroom" gemoed niet misleiden. Wij moeten weten wat we gelooven en wat we belijden. Dan zal uitkomen in Wien we gelooven, wat ons geloofsleven is, wat we zijn in leer en leven beide.
En naar onze oprechte overtuiging zit het innigst geloof en het vroom gemoed niet juist daar, waar men de bijbelsche waarheden verwerpt, waar men de Godheid van Christus loochent, waar men het begrip zonde verdoezelt, waar men van genade niet weten wil, waar men spreekt van zelfverlossing, enz. enz. Wij zoeken het ergens elders.
En daar hebben we ons niets voor te schamen. Want Christus' Kerk van alle tijden heeft het altijd ergens elders gezocht en gevonden. Gelijk de Kerk des Heeren ook in de toekomst niet heeft los te laten, wat van den Heere Zelf ons in Zijn Woord, in Zijnen Christus is geopenbaard, daarvan getuigenis gevend in de geschiedenis en niet 't minst in ons hart!
Zeggen daarbij de Vrijzinnigen altijd, dat de „treurige" dagen voor de Kerk altijd komen van den kant der rechtzinnigen, wij hebben daarover wel eens andere noten hooren kraken!
De Nederlandsche Hervormde Predikanten-Vereeniging en de belijdenis der Kerk.
In de zeventiger jaren, toen Chantepie Sr., Gunning Sr., Doedes en anderen leefden, was er, tegenover de brutale aanvallen van de modernen, die toen niet zelden de meerderheid vormden in de kerkelijke besturen en vooral in de Synode, een concentratie onder de orthodoxen of bijbelsch-rechtzinnigen. Ook de Nederlandsche Hervormde Predikanten Vereeniging koos partij.
30 April 1879 te Utrecht vergaderd zijnde met ruim 200 leden, werd er gesproken over de belijdenisvragen en Art. 39 Regl. Godsdienstonderwijs. En na bespreking werd met algemeene stemmen goed gevonden het volgende adres aan de Synode te verzenden: „Zij (de Ned. Herv. Predikanten-Vereeniging n.l.), meent niet verantwoord te zijn, wanneer zij niet hare smart uitspreekt over het besluit dat de Synode te dien opzichte (bedoeld is Art. 38 en 39 Regl. Godsdienstonderwijs, in betrekking tot de vrijheid inzake de belijdenisvragen) in het vorige jaar (1878 is bedoeld) heeft genomen. Daardoor toch wordt feitelijk het belijdend karakter der Kerk opgeheven, enz. Daartegen moeten de adressanten met nadruk protesteeren.
Meene al de Synode, dat door het behoud van Art. 38 en wijziging van Art. 39 de Kerk voor uiteenspatten bewaard zal blijven, het tegendeel is het geval. Immers vele predikanten en gemeenteleden hebben zich reeds afgevraagd, of zij zich aan die bepalingen zouden kunnen onderwerpen. Daarom dringt zij er op aan, om dat artikel in zijn ouden vorm te herstellen. Indien niet, dan stelt zij de Synode aansprakelijk voor de zeer ernstige gevolgen, welke daaruit zouden voortvloeien en evenzeer door haar als door de Synode zouden worden betreurd". (Syn. Acta 1879, blz. 247—248).
Ook zond het Hoofdbestuur der Confessioneele Vereen!ging d.d. 10 Juni 1879 een adres, waarin op gronden, ontleend aan Gods Woord en Art. XI Algem. Reglement, werd verzocht de vastgestelde wijziging in Art. 38 en de voorgestelde wijziging in .Art. 39 Regl. Godsdienstonderwijs niet te bestendigen, maar terug te nemen. (Syn. Acta 1879, blz. 239—240).
Hier stonden dus de Ned. Herv. Predikanten-Vereeniging en de Confessioneele Vereeniging naast elkaar, om saam op te komen voor het belijdend karakter der Ned. Hervormde Kerk. Om saam te protesteeren tegen de poginen van de modernen om de Hervormde Kerk te maken tot een Vereeniging van ,,elk wat wils". En om saam te getuigen, dat door de modernen op deze wijze een onberekenbare chade en een namelooze ellende gebracht zou worden aan en over de Kerk onzer vaderen !
Is de vrees der orthodoxen niet uitgekomen?
In plaats, dat men het uiteengaan bezworen heeft, heeft men bevorderd dat de kinderen des huizes zijn verstrooid en de vijanden zich aanstellen als kinderen des huizes, waanbij het sloopingswerk groote afmetingen heeft aangenomen! Rechtsche concentratie rondom de belijdenis van den Christus der Schriften is hier gebiedende eisch. Want de Vrijzinnigen probeeren telkens maar weer hoever ze gaan kunnen. En ze moeten niet v e r d e r, ze moeten terug!
De kerkeraad der Ned. Herv. gemeente te Groningen heeft het in het jaar 1879 wel goed gezien, toen hij aan de Synode (waar de modernen hoogtij vierden toen) berichtte, dat nu weldra „de meest willekeurige, met de historische beteekenis der woorden en met de belijdenis der Kerk strijdige" dingen, zouden worden gevraagd door sommige predikanten.
Dat is volkomen waarheid gebleken.
En alleen doordat de rechtzinnigen niet hebben geslapen, maar gewaakt, is nog veel verhoed, wat anders óók nog zou zijn gekomen. In deze moet onze volle aandacht gewijd aan wat de Vrijzinnigen tegen wet en regel deden en nog doen! Zij hebben als modernen, met hun Christus-loochening, noch historische, noch zedelijke rechten in de Kerk onzer Vaderen, met haar beslist rechtzinnige — niet Roomsche, niet Luthersche, niet Doopsgezinde, noch Remonstrantsche, maar Gereformeerdprotestantsche — belijdenis.
Zonen en dochteren onzer Gereformeerdprotestantsche Vaderen zijn ze niet. En met hun vermeende rechten staan ze de kinderen des huizes, die natuurlijke rechten hebben, altijd tegen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 december 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 december 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's