STAAT EN MAATSCHAPPIJ
Zoo moet het niet zijn.
Wanneer de toekomstige historieschrijver zich zal gaan bezig houden met de parlementaire geschiedenis van onze dagen te beschrijven, dan zal hij ten opzichte van 't geen de Staatkundig Gereformeerde Partij in de Tweede Kamer heeft gepresteerd, van ds. Kersten moeten getuigen, dat terwijl deze den strijd vaak zocht en bij onderwerpen van allerlei aard, soms in rumoerige vergaderingen, het woord voerde, zijn collega ds. Zandt liever het stille uur der avondvergaderingen koos, om het parlement van zijne redevoeringen te doen genieten.
Inderdaad is het de laatstgenoemde, die er de voorkeur aan geeft, om, zooals de Handelingen der Kamer dit bij het nasnuffelen der stukken uitwijzen, 's avonds laat te spreken, wanneer het gehoor zoo goed als vertrokken is, waarbij dan dit het opmerkelijke is — en ook dit vertellen ons de Handelingen — dat een repetitie (herhaling) wordt gegeven van hetgeen dien avond reeds door anderen op uitnemende wijze was gezegd geworden. Een enkel voorbeeld moge dit duidelijk maken.
In de avondvergadering van de Tweede Kamer van 8 December sprak de heer Van den Heuvel bij het Spoorwegdebat over 't tegengaan van het dikmaals misbruik maken van Gods naam in de spoorwegrijtuigen.
Hij zeide daarvan:
In de tweede plaats zou ik den Minister willen vragen, of hij zou willen overwegen, of onder artikel 14 van de Voorwaarden algemeen vervoer op de spoorwegen, het artikel omtrent personen, die voor medereizigers hinderlijk zijn, niet aangevuld kan worden met een verbod van vloeken in den trein. Andere dingen, die genoemd worden als hinderlijk voor medereizigers, zooals dronkenschap en ook muziek maken, zijn niet meer hinderlijk dan het misbruik maken van Gods naam. Ik ben mij bewust, dat zulk een voorschrift niet heel veel vervolgingen ten gevolge zal hebben, maar de aard van deze voorschriften is juist het mooiste en de werking het schoonste, wanneer er geen overtredingen volgen, doch wanneer het preventieve werking toont. Daarom zou ik den Minister in overweging willen geven om een bepaling daarin op te nemen, dat degene, die zijn medereizigers hindert door Gods lasteringen, uit den trein gezet kan worden, zooals bij dronkenschap en andere onhebbelijkheden mogelijk is.
Ook ds. Zandt behandelde dit onderwerp en liet zich daarover als volgt uit:
Ten slotte zou ik er voor willen pleiten om het vloeken en het spreken van zedelooze en zedenkwetsende taal in de treinen strafbaar te stellen. Met 't oog op het late uur zal ik er maar kort over spreken, maar beveel nochtans deze aangelegenheid warm in de aandacht van den Minister aan.
Ziedaar alles, wat hij over deze aangelegenheid had te zeggen. Ds. Zandt zou maar kort over de kwestie spreken, maar zeide er heelemaal niets van. Ware de heer Van den Heuvel hem niet voorafgegaan en had deze niet duidelijk aangegeven, wat gewenscht werd, dan zou de Minister uit de redevoering van den heer Zandt niet wijzer zijn geworden. Want het strafbaar stellen van het vloeken en het spreken van zedelooze en zedenkwetsende taal behoort niet tot de bevoegdheid van den Minister van Waterstaat, maar tot die van den Minister van Justitie. De bedoeling was echter om den persoon, die vloekte, uit den trein te kunnen verwijderen, en deze gedachte sprak duidelijker uit hetgeen de heer Van den Heuvel zeide, dan uit hetgeen ds. Zandt betoogde.
Op dit punt had dan ook de redevoering van het Staatkundig Gereformeerd Kamerlid gerust achterwege kunnen blijven.
Wat dit Kamerlid verder in zijn rede van 8 December opmerkte over het laten loopen van Zondagstreinen, daarover was de Minister van Waterstaat reeds te voren door den heer Bakker en eveneens door den heer Van den Heuvel geïnterpelleerd geworden. Waarom deze zaak nu nog weer opnieuw door ds. Zandt moest behandeld worden, bleek uit niets.
Nu zouden wij van dit alles geen melding hebben gemaakt, ware het niet, dat „De Banier", het officieele orgaan van de Staatkundig Gereformeerde Partij, in het nummer van de vorige week, de geheele rede van ds. Zandt van 8 December afdrukkende, daaraan dit toevoegde:
Het is te hopen, dat de Minister van A.R. huize voor het vervolg rekening zal houden met het door ds. Zandt gesprokene. Want, zooals het tegenwoordig met den Dag des Heeren in Nederland gesteld is, is het wel diep droevig en gaat het hoe langer hoe meer bergafwaarts. Zeer terecht sprak ds. Zandt, dat de Zondag tot een zondedag gemaakt wordt, en eveneens wees hij met alle recht de Overheid op haar dure verplichtingen, die zij ten aanzien van den Dag des Heeren heeft. Wel zeer valt het te waardeeren, dat zulke taal nog in de hooge vergaderzaal des lands gehoord wordt.
Want dit onderschrift van den verslaggever in „De Banier", onder de rede van ds. Zandt gesteld, verdient om de vrijmoedigheid, om geen ander woord te gebruiken, welke uit het stuk spreekt, een wijdere bekendheid dan bij de lezers van „De Banier" alleen.
Men moet toch maar durven, om, terwijl met grooten nadruk door verschillende leden der Kamer de geestelijke en zedelijke zijde van de spoorwegpolitiek in het parlement werd besproken, het zóó voor te stellen, alsof het alleen maar ds. Zandt was, die de vrijmoedigheid had om principieel met den Minister van gedachten te wisselen, en of ds. Zandt maar het eenige lid der Kamer is, dat de zaken naar behooren wist uiteen te zetten. Wanneer de aangelegenheid, waarom het hier gaat, niet te ernstig was, zouden wij willen zeggen, dat de verslaggever van „De Banier" het optreden van zijn partijgenoot niet weinig belachelijk heeft gemaakt en dat hij met de waarheid op wel wat te gespannen voet verkeert. Laat men met deze menschvergoding en menschverheerlijking toch eens eindigen. Zij is tot niets nut. Het leek ons nuttig en noodig daar eens op te wijzen en daartegen een waarschuwende stem te doen hooren.
Onzekere toestand.
Wij hebben in de laatste nummers van ons blad het een en ander medegedeeld over het revolutionair standpunt, dat de leiders der Sociaal Democratische Arbeiders-Partij innemen, wanneer het mocht gebeuren, dat de regeering ter handhaving van de neutraliteit of ter bescherming van de veiligheid des lands genoodzaakt zou worden het leger te mobiliseeren. Dit standpunt — en wij herhalen het nog eens — is, dat bij mobilisatie van het leger de Sociaal Democraten de berekeningen van de regeering in de war zullen sturen en dat zij zullen probeeren door massale dienstweigering en algemeene werkstaking de mobilisatie onmogelijk te maken.
Toen de Minister van Oorlog in de Tweede Kamer echter aan de Sociaal Democraten de pertinente vraag stelde: „Zeg mij ronduit, wat wij in de ure des gevaars aan u zullen hebben, zult gij de regeering dan in die ure een stok tusschen de beenen steken", „ja of neen"? luidde het antwoord noch bevestigend, noch ontkennend.
Thans is het antwoord gekomen. Het is gegeven geworden door het Sociaal Democratische Kamerlid, den heer Stenhuis, voorzitter van het N.V.V. (Nederlandsch Verbond van Vakvereenigingen), in het partijorgaan „De Strijd". Daarin luidt het onvoorwaardelijk „ja". De oorlog — zoo schrijft de heer Stenhuis — stelt voor de keuze: onderwerping of rebellie (gewelddadig verzet). De Socialistische beweging zal dan pogen om het rebellie te doen zijn. Daar tegen kan de regeering in vredestijd geen maatregelen nemen.
De Minister schijnt er op te doelen, dat b.v. van het spoorwegpersoneel geeischt zou worden dergelijke booze voornemens af te zweren. Als de machtsverhoudingen dat vorderen, zouden we d u i z e n d e e d e n v a n t r o u w z w e r e n. Bovendien als er rebellie is, als de beweging zich daartoe sterk genoeg gevoelt, wat baat dan een trouw spoorwegpersoneel als d e r a i l s w o r d e n o p g e b r o k e n? Wat baten soldaten, die opkomen, a l s z e h e t g e w e e r i n a n d e r e r i c h t i n g w e n d e n d a n h u n w o r d t g e k o m m a n d e e r d?
Wij hebben een paar uitdrukkingen uit deze revolutionaire taal laten spatiëeren, opdat duidelijk uitkome de gezindheid, welke de moderne Vakbeweging met zijn bijna 400.000 arbeiders is toegedaan. En dan gelden deze uitingen de revolutionaire voornemens voor het geval het land in oorlogsgevaar verkeert, maar hoeveel gevaarlijker zal dan de situatie zijn, zoo de militaire macht zal moeten ter hulpe komen bij het handhaven van orde en rust ten gevolge van oproerige bewegingen en misdadige woelingen.
In het de vorige week in ons blad aangehaalde artikel van den heer Albarda in „De Socialistische Gids", treffen we ook de uitdrukkingen aan: „dat het doordringen van het Socialisme bij de soldaten het leger minder geschikt doet worden voor de handhaving van de binnenlandsche rust" en „dat het leger niet bruikbaar zal zijn in den strijd tegen het Socialisme". Zulke uitlatingen, gevoegd bij hetgeen wij reeds kennen van de houding der Sociaal Democraten — om maar niet van de Communisten en Anarchisten te reppen — maken den toestand, waarin wij verkeeren, onzeker en manen meer dan ooit tot voorzichtigheid en wijs beleid.
Voor Pelgrims.
o Pelgrims, troost u onderwegen.
Al schijnt gij nog zoo wijd van huis!
Het is zoo ver niet eens gelegen,
Aan 't einde volgt de rust voor 't kruis.
Dan zal het ons daar niet berouwen.
Dat wij hier voor een korten tijd.
De ijdelheid niet wilden trouwen,
Die haast vergaande ijdelheid.
Het zal zoo lang niet eens meer duren.
Uw weg kort al gedurig af,
Door 't snel voorbijgaan van de uren.
Totdat de vleescliklomp zinkt in 't graf.
Dan is de ziel de kooi ontvlogen.
Die haar onthield de vrije lucht.
En jarenlang heeft neergebogen;
Waarin zij veelmaals heeft gezucht.
Dan valt gij in een vollen zegen,
(Uit al dit wereldsche gedruisch)
Door 't bloed van Jezus ons verkregen,
Uw Vader in Zijn armen thuis!
JAN LUIJKEN
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 januari 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 januari 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's