KERKELIJKE RONDSCHOUW
De Reorganisatie-beweging (3)
Behalve de velen die aanwezig waren in persoon, waren ook heel veel adhaesiebetuigingen ter vergadering 18 Aug. 1848 in „Odéon" te Amsterdam. Ook waren „Afgescheidenen" tegenwoordig; o.a. ds. Van Velzen. Allen belangstellend in de Ned. Herv. (Geref.) Kerk! Discussie was alleen toegestaan aan hen die tot de Hervormde Kerk behoorden, om des tijds wille. Want men wilde „zaken doen". Maar natuurlijk — wie, die wel eens vergaderingen, vooral kerkelijke vergaderingen meegemaakt heeft, begrijpt dat dadelijk! — kwam er een lange, uitgebreide bespreking, waaraan velen deelnamen, en waarbij vele verschillen aan den dag kwamen onder de genoodigden!
Zoo werden b.v. de heeren mr. Van der Kemp en ds. Callenbach in een discussie gewikkeld met mr. Da Costa over het gezag der Formulieren van Eenigheid. Tusschen prof. Tydeman, van Beeck Calkoen, Da Costa, ds. Buitendijk, dr. Van Toorenenbergen, ds. Talma, Elout, ds. James, ds. Krayenbelt enz. ,,openbaarde zich zeker verschil van gevoelen ten aanzien van den invloed, die aan de gemeente op de samenstelling van de kerkelijke lichamen moest worden toegeken" en over de kwalificatie van de handelingen der Regeering en der Kerkelijke Besturen. Dat laatste vooral was een kolfje naar de hand van den voorzitter, mr. Groen van Prinsterer! Die opmerkte „dat de wijze waarop de Kerkelijke organisatie tot stand gekomen is, inderdaad aan een spelen met het recht der gemeente gelijk was".
Toch was hij bereid, om de samenwerking onder de tegenwoordig zijnde bezoekers der vergadering te bevorderen, die uitdrukking „gespeeld" te verzachten en daarvoor een andere uitdrukking te gebruiken.
Ook over zending, onderwijs enz. werd gesproken. Zoo veroordeelde dr. J.J. van Toorenenbergen dat de Kerk de zending aan vrije genootschappen overliet. Ook ds. Heldring sprak over het zendingswerk en over de Bijbelverspreiding, enz. enz.
Het eind van de discussie — waaraan o.a. ook ds. Van Velzen van Christelijk Gereformeerde zijde deelnam, een bewijs hoezeer het voor de eerste „Afgescheidenen" ernst was met de verwachting, dat de scheiding alleen een tijdelijk karakter zou hebben — was, dat een adres aan de Synode en een adres aan Z.M. den Koning werd opgesteld en goedgekeurd.
Het Moderamen was bij de opstelling van een concept voor deze adressen geïnspireerd door het gerucht, dat een „afkondiging van kerkelijke grondwetsherziening zou plaats hebben, zonder voorafgaande en behoorlijke kennisneming der gemeenten". Onder betuiging, dat zij (de vergadering n.l.) dergelijke terzijdestelling van recht en billijkheid als ongelooflijk beschouwt, wilde zij zich echter bij voorbaat tegen de mogelijkheid van een zoo vermetel bestaan verzetten".
't Adres aan de Synode luidde als volgt:
»De ondergeteekenden, leeraars en leden van de Nederlandsche Hervormde Kerk, en tevens van het Kerkgenootschap gelijk dit in 1816 opgerigt is, achten zich verplicht aan Uwe Vergadering, in welke zij, om de wenschelijkheid van uitwendige eenheid en orde, een administratief lichaam erkennen, de nevensgaande Verklaring te doen geworden, waarin hunne zienswijze omtrent den toestand en de eischen der Kerk, in verband met de a.s. Kerkelijke Organisatie uitgedrukt is.
Uwe Vergadering zal daaruit kunnen ontwaren, dat geene ontbinding van het Nederlandsche Hervormde Kerkgenootschap, maar — in overeenstemming met het regt der Hervormde Gezindheid op de handhaving van haar leer, uit de Levensgeschiedenis en Belijdenisschriften van de Nederlandsche Hervormde Kerk overbekend — hervorming en bevestiging op den onveranderlijken en alleen rechtmatigen grondslag, verlangd en bedoeld wordt.
Zij mogen naauwelijks onderstellen dat Uwe Hooge Vergadering de herziening der Kerkelijke Reglementen door een geheim overleg, zonder voorafgaande en behoorlijke kennisneming der Gemeenten, zou meenen tot stand te kunnen brengen. Doch, zoo inderdaad bij sommigen Uwer zoodanig voornemen kon bestaan, verzoeken zij Uwe Vergadering met den meesten nadruk en ernst, geen gehoor te verlenen aan een wensch, die niet slechts in 't algemeen met de overtuiging omtrent het nut der openbaarheid in strijd wezen zou, maar die bovendien de strekking heeft om de Gemeente in een onwaardigen toestand van onderworpenheid te houden, enz.«
Dit adres, waarin de stijl en de gedachte van mr. Groen van Prinsterer duidelijk te bemerken is, werd na eenige discussie met algemeene stemmen, bij acclamatie, aangenomen. Het Adres aan Z.M. den Koning luidde als volgt:
,,De ondergeteekenden, Sire! gronden hun verzoek op het recht van elke Kerk of corporatie, om in haar eigenaardigheid te worden beschermd, en op de verplichting van het Gouvernement om bij te dragen tot wegneming van het onrecht, waartoe het de behulpzame en sterke hand geleend heeft.
Zij beweren op het zuiver constitutioneel standpunt van den huidigen dag, dat het wereldlijk gezag gehouden is, waar tusschentreden te pas komt, bijstand te verleenen in de Roomsche Kerk, tegen de Protestanten; in de Synagoge, tegen Christelijken invloed; in de Hervormde Kerk tegen de bestrijding der kenmerkende waarheden, door wier verloochening de eigenaardigiheid van haar bestaan te niet gaat.
Niemand is meer dan zij overtuigd, dat de onafhankelijkheid der Kerk in geloofszaken op den voorgrond behoort te staan, en dat het wereldlijk gezag door de uitoefening van een ,, jus in sacra" den kring zijner bevoegdheid overschrijdt. Doch het gaat niet aan, wanneer men iemands zaken bedorven, of hem in boeien geklonken en aan zijne tegenpartij overgeleverd heeft, daarna, onder den schijn eener nauwgezette eerbiediging zijner onafhankelijkheid, te beweren, dat men geen deel mag nemen aan het vergoeden eener schade, die men zelf berokkend, aan het verbreken van een band, dien men zelf gelegd heeft. De Regeering heeft, door het onwettig opdringen eener Organisatie 1816, de Kerk overgeleverd aan eene partij, welke zich onder haar voortdurende bescherming van bijkans alle Kerkelijke Collegiën, met terzijdestelling der Gemeente en met vertreding van de rechten der Kerk, meester gemaakt heeft. De onvoorwaardelijke vrijlating aan dit opgeworpen Kerkelijk Beheer, om over de onvermijdelijk geworden wijziging der Reglementen naar goedvinden te beslissen, zou uitloopen op de bevestiging ook thans door het Gouvernement van het onrecht, met medewerking en ondersteuning van het Gouvernement, jaren achtereen gepleegd".
Dit adres werd verzonden om dus in de jaren tusschen 1840 en 1852 (in welk laatste jaar officieel de slag viel) te bevorderen, dat de Hervormde Kerk, die sinds 1816 door de Overheid geknecht en gekerkerd was, mee door de hulp des Konings zou worden vrijgemaakt. Dat zij zou worden ontheven van de Synodale Organisatie, waaraan zij was vastgesmeed. Men verzocht om opheffing en wegneming van het onrecht, in 1816 aan de Kerk gepleegd. En men kreeg in 1852 bevestiging ervan! In banden gebonden, in sterke banden gebonden, liet men de Kerk achter en zei toen: nu moet ge zelf maar zien, gij ingekerkerde Kerk, dat gij vrij komt!
Verwording.
Rusland met de nieuwste beschaving is het land van de toekomst. Eerst als het in Europa gaan zal, zooals het in Rusland gaat, zal het goed gaan. Om iets van de ideaal-toestanden van Rusland te noemen, diene het volgende bericht dat wij lazen:
,,Gedurende de eerste vijf maanden van dit jaar werden in St. Petersburg 9681 huwelijken en 7255 echtscheidingen in de openbare registers ten stadhuize ingeschreven".
Wanneer het in de hoofdstad van Rusland zóó toegaat, kan men wel narekenen dat men daar een cultuur-milieu heeft om van te watertanden. 9681 huwelijken die ingeschreven zijn , en men zegt, dat er ook veel „huwelijken" niet meer ingeschreven worden. 7255 echtscheidingen — behalve de niet-ingeschrevene. Daarbij klaagt rnen over duizenden van kinderen, die zonder vader en zonder moeder voor rekening van den Staat komen. 't Is de vraag, of het onder beesten wel zóó toegaat als onder menschen, zooals in Rusland, staande op het hoogtepunt van de nieuwste beschaving, naar de beginselen
De Engelsche Staatskerk.
De Engelsche Staatskerk zit in de misère. Want in het Engelsche Lagerhuis is de herziening van het Anglicaansche Kerkboek gewezen van de hand en nu is heel de Kerk, met al de bisschoppen, in rep en roer! De Staat zeggenschap in kerkelijke aangelegenheden. De Overheid heerschappij voerend over de Kerk.
Staatskerken — ongelukkige creaturen!
Want de Regeering in Engeland had zich enkele jaren geleden met deze zaak van het Kerkboek der Staatskerk bemoeid en geadviseerd een Kerkboek te maken, waarmee allen zich zouden kunnen vereenigen. De Kerk zette zich aan het werk; kwam met een boek, dat herzien was. Het Hoogerhuis nam het aan. Het Lagerhuis verwierp het. 't Is alltijd dezelfde weg. De Overheid, die zich met geloofszaken, met kerkelijke zaken bemoeit, doet voorstellen; de Kerk komt de Overheid in 't gevlij; de Overheid wil concentreeren: één Kerk voor heel het volk. De Kerk komt in moeilijkheden. De Overheid en de Kerk in conflict. De Kerk in de misère!
Over het Avondmaal ging het in hoofdzaak. Om Protestanten en Roomschen nader tot elkaar te brengen. De Minister van Binnenlandsche Zaken bestreed dat nu en keurde het af. Anderen keurden het goed. Roomschen, Protestanten van verschillende belijdenis en verschillende kerkelijke kleur kwamen er aan te pas; ook Joden, Atheïsten.
Verwerping volgde. Wij hopen, dat het mee mag werken tot vrijmaking van de Engelsche Kerk, om vrij te komen van den Staat en zelf haar eigen zaken dan voortaan te kunnen iregelen. Alleen als de twee onderscheidene terreinen juist onderscheiden worden, kan het goed gaan. De Kerk met haar kerkelijke vergaderingen en de Overheid op haar terrein! Men leze in dit verband het mooie boek dat nu pas is uitgekomen bij den heer Kok te Kampen, „Om de vrijheid", van den heer H. de Wilde. Dat klinkt als een klok!
De Crisis in de Engelsche Staatskerk.
In deze groote Protestantsche Kerk in Engeland is sinds lang een sterke strooming in de richting van Rome; de Anglo-Katholieke Partij drijft dat. De geestelijken dezer richting zijin reeds meer dan driekwart Roomsch. Onder het drijven dezer richting is er een nieuw boek met formulieren gemaakt, dat wel de oude formulieren (voor de Evangelischen) handhaafde, maar daarnaast toch een reeks van nieuwe formulieren stelt, welke op vele punten de Kerkhervorming verloochenen en naar Rome overbuigen. De Engelsche Staatskerk aanvaardde dit nieuwe gebeden-en formulierenboek (Kerkboek), zelfs met groote meerderheid van stemmen. Roomsche neigingen! En wel ging het de Anglo-Kath. Partij (Roomsch gezinde richting) nog niet ver genoeg, maar voorshands accepteerden ze de winst toch, die het nieuwe boek hun bood.
Maar nu heeft de Engelsche Staatskerk voor elke verandering in haar instellingen de goedkeuring van het Parlement en de handteekening des Konings noodig. En onder aanvoering van den Minister van Binnenlandsche Zaken heeft het Protestantsche element gezegevierd en is het nieuwe Kerkboek in 's Lands raadszaal ten slotte verworpen.
Dit heeft natuurlijk deze beteekenis, dat het parlement het Evangelische deel der Engelsche Staatskerk heeft willen steunen en de Kerk in de gelegenheid wil stellen van haar doolweg in de richting van Rome terug te keeren.
De geschiedenis spreekt ook hier ten opzichte van Engeland en de Protestantsche Engelsche Kerk van groote dingen. Hoe heeft Koning Willem III — onze Stadhouder — in Engeland het Protestantisme wonderlijk mogen redden. En daarom zou het vreeselijk zijn, indien hier nu ongedaan gemaakt werd wat heerlijk toen werd tot stand gebracht, verloochenend wat mannen als Luther, Zwingli en Calvijn haar geleerd hebben. Rome zou er niet weinig bij winnen en het Protestantisme van Engeland en het heele vasteland zou er een geweldigen klap door krijgen.
In zooverre is het gelukkig, dat het Parlement hier een stokje voor gestoken heeft. Maar ieder begrijpt, dat, waar de overwinning aan het Protestantisme in de Kerk door de Regeering is bezorgd, terwijl de Kerk zelve reeds anders beslist heeft — de overwinning op deze manier toch eigenlijk weinig of niets beteekent. Als de Kerk door de Overheid, door het Parlement, door de Regeering gered moet worden, is 't al mis! En ieder begrijpt, dat de Anglo-Katholieke Partij, die voor haar Roomsche beginselen geijverd had en die Roomsche beginselen ook reeds in het Kerkboek had weten in te voeren — met groote meerderheid van stemmen — er geen oogenblik over denken zal om de zaak nu te laten zitten, maar dat zij wel wegen en middelen zal vinden om haar doel toch te bereiken (bediening der mis, gebruik van de misgewaden, gebeden voor de dooden, aanroeping der heiligen, enz. enz.).
De Engelsche Staatskerk maakt dus wel een crisis door! In het midden van die Kerk zelve staat het niet mooi. En de hulp van het Parlement maakt het niet beter, want ieder begrijpt dat er vele leden in het Parlement uit anti-Roomsche overwegingen tegen de invoering van het nieuwe formulieren-boek gestemd hebben, maar geenszins omdat zij vóór de positief-protestantsche waarheid zijn. Velen om die Staatskerk — zoo mogelijk — te kunnen blijven gebruiken voor de vrijzinnigen en hun vrijzinnige beginselen! 't Zal hier ook wel zóó gesteld zijn, dat de Kerk des Heeren vrij van den Staat zal moeten komen staan, om dan niet bij elkaar te houden wat niet bij elkaar behoort. Anders gaat de Engelsche Staatskerk totaal ten gronde; 't zij door de vrijzinnigheid, 't zij door Rome.
Droeve toestanden.
Men schrijft ons: »Dezer dagen heeft men in V i n k e v e e n het wonderlijke feit zien gebeuren, dat de kerkvoogden der Ned. Hervormde Gemeente een lokaal, behoorende tot de kerkelijke goederen, hebben afgestaan aan enkele onkerkelijke personen, om er een predikant van de Geref. Gemeenten in te laten optreden. Waar er in deze streek steeds meer leden der Hervormde Kerk naar de Gereformeerde Gemeenten overgaan, bieden alzoo de kerkvoogden hun daarin de behulpzame hand, en werken zij mede om hun eigen Kerk af te breken. En waar zij met hulp van lidmaten, die men vrij onder de onkerkelijken mag rekenen, het tevens onmogelijk maken, dat er in de vacature voorzien wordt, doordat zij het betalen van den aanslag aan den Raad van Beheer tegen houden, heeft het toch wel allen schijn, dat zij willens en wetens hun eigen gemeente vernielen! Droeve toestanden voorwaar!«
Hoewel het „droeve toestanden" zijn, meenen wij goed te doen dit bericht in deze rubriek „Kerkelijke Rondschouw" op te nemen, want wij gelooven, dat ons van dezen kant groote gevaren, dreigen. Vlak onder onze oogen, terwijl we er vlak bij staan, verraden en verkoopen ze ons! En dat gaat dan alles maar onder den lieven naam van „gereformeerd" of van „het gereformeerde volk" door!
Onder leiding van „Kerkvoogden" blijft de Hervormde Gemeente van Vinkeveen dus vacant. Daardoor komt natuurlijk Jan en Alleman preeken of oefenen. Alles heel „dierbaar" natuurlijk. En dan eindelijk een Hervormd lokaal aan onkerkelijken, enz., om er een predikant van de Geref. Gemeenten — van de ds. Kersten-groep — te laten optreden.
Hier mag een ernstige waarschuwing niet uitblijven. We zijn in de Hervormde Kerk en daar willen we ons niet in onordelijke wegen begeven, maar dragen, wat de Heere ons daar te dragen geeft ('t welk toch zeker niet buiten de zonde van onze Vaderen en ons omgaat?) Om dan in ordelijken weg te doen wat onze hand vindt om te doen, om in kerkelijken weg tot andere en tot betere toestanden te komen.
Allen, die andere wegen en middelen aanbevelen, werken mee om onze Hervormde Kerk kapot te maken, waarbij men optreedt alsof men zelf minder schuldig staat op de erve onzer Vaderen dan anderen maar intusschen maakt men de ellende nog grooter!
Wij zullen niet ophouden voor en bij deze dingen te waarschuwen. En dan moet men niet denken, dat wij hier willen neerschrijven dat onkerkelijken of menschen van de ds. Kersten-groep iets minder zouden zijn dan wij, Hervormden. Men moet geen oogenblik gelooven, dat wij van meening zijn, dat buiten onze Hervormde Kerk niet ook „de Kerk des Heeren" gevonden wordt, of dat buiten de Hervormde Kerk geen „volk van God" is te vinden. Zoo dwaas en zoo eigengerechtig zijn we niet. Als 't er op aankomt achten wij onkerkelijken of menschen van de ds. Kersten-groep geen streep minder dan wij, Hervormden. Gaarne willen we den ander uitnemender achten dan ons zelf! Maar als we zien, hoevelen onze Hervormde Kerk besluipen, om haar om hals te helpen en gebruik maken van zekere omstandigheden om haar onderstboven te werken, dan zullen we alarm blazen en dan zullen we die menschen als vijanden van de Hervormde Kerk teekenen.
Zijn dat Kerkvoogden, die zóó de Hervormde Kerk in handen spelen van allerlei groepen, kerkjes, secten, die er pleizier in hebben de Hervormde Kerk zieltjes af te troggelen?
En V i n k e v e e n staat hierin niet alléén, allesbehalve; vandaar dat wij er met des te meer droefheid en des te grooter ernst hier melding van maken. Onze Gereformeerde beweging in onze Hervormde Kerk maakt ernstige tijden door, juist omdat velen onder schoonklinkende leuzen 't kennelijk op den ondergang van onze Hervormde Kerk gemunt hebben. En we doen een beroep op alle predikanten, bizonder om op deze dingen goed acht te geven. Laat men alles wat aangediend wordt in 't belang van de Gereformeerde beweging te zijn en in het belang van het Gereformeerde volk, nauwkeurig toetsen, of het niet dienen moet om de Hervormde Kerk en de Hervormde Gemeenten kapot te maken. Het zit in de lucht om allerlei onkerkelijke paden te betreden en overal maakt men zich op „kerkje te spelen", waarvan het resultaat maar heel zelden ten goede komt aan de Hervormde Kerk, terwijl het juist dikwijls hetgeen in de Hervormde Kerk door Hervormd-voelende menschen wordt gedaan, afbreekt en met onvruchtbaarheid slaat. De Gereformeerde beweging staat daarom dan ook tegenwoordig hier en daar allesbehalve in een goeden reuk, en dan niet omdat men de Gereformeerden haat, maar omdat men „de Gereformeerden" in verband met de Hervormde Kerk niet vertrouwt.
Wij denken hier ook aan N u n s p e e t, die gemeente is, zooals men weet, vacant, en wordt bediend door predikanten van de Veluwe, die waarlijk niet de minsten zijn. Maar daar is ook een Hervormde „Evangelisatie" „Eben-Haëzer", Brinkersweg. In die „Evangelisatie." komen allerlei ,,voorgangers". En zoo deed zich met de Kerstdagen b.v. het geval voor, dat op den 1sten dag ds. Warmolts in de Hervormde Kerk de vacaturebeurt waarnam en daar in de bediening des Woords voorging, terwijl in de „Evangelisatie" de heer Smidt, van Charlois, optrad (ook 's middags 2 uur). En op den 2den Kerstdag bediende ds. Van Mastrigt het Woord in de Kerk en de heer Smidt sprak weer in de „Evangelisatie".
Wij begrijpen niet wat roeping een man als de heer Smidt heeft om naar Nunspeet te gaan? Zulke dingen moesten eenvoudig onmogelijk zijn. En we zien immers met open oogen hier, dat er in sommige gemeenten maar wat van gemaakt wordt, terwijl er helaas! altijd dan nog menschen te vinden zijn, die zich voor zulke dingen leenen.
We moesten toch met elkander aan al dat dwaze kerkje-spelen eindelijk eens een eind gaan maken. En de predikanten moeten niet aarzelen om in deze één lijn te trekken en schouder aan schouder te gaan staan.
Van het begin van de oprichting van onzen Bond is tegen „het gevaar van Evangeliseeren" gewaarschuwd en we moeten ons daar streng aan houden. Temeer, waar zich in de laatste jaren allerlei ziekelijke elementen roeren, die veel kwaad doen aan onze Hervormde Kerk en anderen in de kaart spelen. Het zijn doorgaans maar weinigen van de Hervormde predikanten — gewoonlijk die geen lid van den Gereformeerden Bond zijn — die aan deze dingen meedoen. Maar daarom is en blijft het toch een ellendige zaak en de leden van onzen Gereformeerden Bond moeten als één man positie innemen tegenover deze en dergelijke dingen.
Het spijt ons, dat er „godsdienstonderwijzers" en ook niet-godsdienstonderwijzers zijn, die stad en land afreizen om overal te „oefenen" en „een stichtelijk woord" te spreken. Dat wordt een „gevaar" voor onze Hervormde Kerk. Dat zit natuurlijk niet onder onze flinke, kloeke, gezonde godsdienstonderwijzers, die werken kunnen en werken willen als godsdienstonderwijzer — maar 't zit in allerlei ongure, ongezonde, slappe elementen, die zoo gaarne „den dominee-uithangen" en dan gaarne van de eene „dierbaarheid" tot de andere „dierbaarheid" komen. Het lijkt wel of in onze kringen zoo langzamerhand alles geoorloofd en alles gewild is; ook 't lekelijkst en schandelijkst gedoe schijnt nog aftrek te hebben.
Juist om de wille van onze Hervormde Kerk en om de wille van onze Gereformeerde beweging in het midden van die Kerk, wijzen we op deze dingen en roepen aller hulp en medewerking in, om deze wantoestanden en ongeoorloofde practijken tegen te gaan en zoo mogelijk met wortel en tak uit te roeien.
De Utrechtsche School.
In den kring van de protesteerende Kerkvoogden wil men, met name prof. Van Apeldoorn, het wel voorstellen, dat er van een z.g.n. Utrechtsche School onder de juristen sprake is, waartoe dan behooren prof. Rengers Hora Siccama, mr. de Jonge van Ellemeet, mr. Van Beeck Calkoen enz. Wij gelooven, dat men recht eeft om zoo te spreken, als men bedoelt dat er een bepaalde zienswijze onder deze rechtsgeleerden is ten opzichte van de kerkelijke goederen en de Synodale Organisatie van 1816. Maar als men het voorstelt, dat deze juristen accoord gaan met de protesteerende Kerkvoogden en met het proces van deze heeren voor de rechtbank inzake terugbetaling van de bijdragen aan den Raad van Beheer, dan meenen we, dat men hier niet het recht heeft om de gedachte te wekken, dat „de Utrechtsche School" b.v. voor terugbetaling zou pleiten.
In verband met heel onze actie is natuurlijk ook „de Utrechtsche School" indertijd gepolst en over de kwestie „Synodale Organisatie" en „kerkelijke goederen" is naar hun oordeel gevraagd en dan meenen we te mogen zeggen, dat de protesteerende Kerkvoogden niet zonder meer het mogen voorstellen, alsof „de Utrechtsche School" in alles aan hun zijde staat.
Om één ding te noemen, we weten, dat „de Utrechtsche School" allesbehalve zou adviseeren, dat de Regeering het Rijkstractement aan de Gemeente zou uitbetalen buiten de aanvrage van het Class. Bestuur om. „De Utrechtsche School" weet veel te goed, dat de Synodale Organisatie rechtsgeldigheid heeft en dat geen Regeering zoo maar, zonder meer, mag doen alsof er in de Kerk, waarmee zij in verbinding staat, geen kerkelijk reglement zou zijn. De Regeering staat of niet of wel in verbinding met de Hervormde Kerk.
Zoo niet — dan kan zij overigens doen wat zij wil; maar dan is het ook voor de Hervormde Kerk uit.
Zoo ja — dan staat zij met de Hervormde Kerk in verbinding zooals zij is.
In kerkelijken weg zal hier de oplossing moeten worden gezocht. Dat is ook het oordeel van „de Utrechtsche School".
Het verwoestend Modernisme en het arme Noord-Holland.
De Modernen worden boos, wanneer gezegd wordt, dat het modernisme verwoestend heeft gewerkt en dat Noord-Holland door het modernisme ongelukkig is gemaakt. Op de laatste vergadering van de Vereeniging voor Inwendige Zending in Noord-Holland, wilden sommige Ethischen daar wat doekjes om winden, na het lieve woord van ds. Creutzberg van de Duinoordkerk. En men stond gereed den Modernen de hand te reiken, tegelijk den Confessioneelen en den Gereformeerden een trap gevend. Gelukkig is er een storm van verontwaardiging opgegaan over de woorden van ds. Creutzberg en de houding van sommigen zijner Ethische collega's. En men heeft vrijwel alles weer ingeslikt wat er eerst zoo makkelijk was uitgekomen. „De Dageraad"-rubriek in het Vrijz. Hervormd Orgaan „Kerk en Volk" is dan ook weer verdwenen. De nieuwe dag voor hen is nog verre.
H e t v e r w o e s t e n d M o d e r n i s m e e n h e t a r m e N o o r d - H o l l a n d. Men moet het 4de Kerstboek bij Callenbach verschenen maar eens ter hand nemen en dan lezen wat ds. Heynes, van Landsmeer (N.-H.) daar schrijft over ouderling Jaap Duik en het huiselijk en kerkelijk leven, dat zich rondom dezen meester-huisschilder vertoont. Niet alleen, dat men niets meer gelooft in die kringen, maar het kerkelijk leven is geheel kapot. Rome spint daar garen bij en de Geref. Kerken. Het Modernisme is in deze een machtige propagandiste en een eerste klas kracht in afbraak en slooping van onze Nederl. Hervormde Kerk.
H e t v e r w o e s t e n d M o d e r n i s m e e n h e t a r m e N o o r d - H o l l a n d. Dat dachten we óók, toen we het Jaarverslag van de Vereen. tot Evangelisatie te Hoorn (N.-H.) dezer dagen lazen. Ds. G. Barger, zoon van den Utrechtschen predikant van dien naam, schrijft in „Inleiding" het volgende: „Toen ik nog Directeur van Meer en Bosch was, heb ik mee deelgenomen aan de ontvangst van de Belgische vluchtelingen uit Antwerpen. Er was bij die gelegenheid een maaltijd in orde gemaakt voor een paar honderd menschen. Toen allen gezeten waren, verzocht ik, na een kort woord, van welkom, om stilte, om allen gelegenheid te geven tot gebed. — Het was stil. Maar terwijl ik rondkeek, naar die zwijgende en in mijn oog biddende schare, merkte ik tot mijn verbazing, dat niemand een kruis maakte. Even later, vroeg ik aan een vrouw, die dicht bij me zat: „Hoe komt het, dat niemand een kruis maakte bij het bidden? Zijn jullie dan in Antwerpen niet meest allemaal Roomsch-Katholiek?" Ik kreeg toen dit merkwaardige antwoord : „Och, mijnheer, bij ons is de godsdienst meest onverschilligheid".
Onwillekeurig komt dit voorval mij telkens voor den geest, nu ik sinds enkele weken hier in Hoorn als Evangelisatie-Predikant werkzaam ben. Ik heb er me wel allereerst toe bepaald, me meer in het bijzonder te bemoeien met de menschen van onzen eigen kring. Maar toch, ook daarbij kom je van tijd tot tijd met de vrijzinnige elementen van de Gemeente Hoorn in aanraking. Er zijn ook met betrekking tot het modernisme en de orthodoxie gemengde huwelijken. Bovendien ontmoet je hier en daar vrijzinnige kennissen in orthodoxe gezinnen. En eindelijk merk je wel eens een enkelen keer, als je binnen bent, dat de geheele ontvangst op een vergissing berust.
Ik heb dus iets van het modernisme hier in Hoorn gemerkt. Een eersten indruk heb ik ontvangen. Maar als ik nu, wat ik zoo hier en daar opving in een enkel zinnetje zou moeten weergeven, dan zou ik 't niet beter kunnen doen dan met de woorden van die vrouw uit Antwerpen: „Bij ons is de godsdienst onverschilligheid".
„Och, ziet u, mijnheer, wij doen daar niet aan. Wij hooren aan de Groote Kerk".
„U bedoelt de Ned. Hervormde Kerk, daar behoor ik óók aan".
„Ja, maar ik wou maar zeggen, wij gaan niet naar de Kerk, wij zijn modern".
Of: „Ik zal niet zeggen, dat bidden verkeerd is, maar wij doen dat niet, wij zijn modern".
Ik zou natuurlijk veel meer van dergelijke gesprekken kunnen vertellen. Maar telkens komt toch hetgeen ik hoor hierop neer; „Bij ons is de godsdienst onverschilligheid". Ik wil daarmee volstrekt niet zeggen, dat ik onder de vrijzinnige leden van de Ned. Hervormde Kerk alleen maar „onverschilligen" verwacht. Als ik Hoorn zoo goed ken, als ik later Antwerpen heb leeren kennen, zal ik vermoedelijk in Hoorn even goed met ernstige modernen in aanraking komen, als ik in Antwerpen met ernstige Roomsch-Kathoiieken in aanraking gekomen ben. Dat is me daar in Antwerpen echter maar hoogst zelden gebeurd. Ik begin te begrijpen, dat ik 't hier in Hoorn vooral niet meer moet verwachten. In dat moderne of wilt ge onverschillige Hoorn werkt de Evangelisatie".
Tot zoover ds. Barger. En we kunnen ons, na ons bezoek in Noord-Holland en het optreden in een moderne gemeente en het samenspreken daar met belangstellende Hervormden en het ziekenbezoek daar gedaan — we kunnen ons zoo voorstellen, dat ds. Barger schrijft: In Noord-Holland is de godsdienst van de modernen onverschiHigheid.
En als we de teekening van ds. Heynes, in bedoeld K e r s t b o e k gegeven, daar naast leggen, waarbij kerkeraadsleden en gemeenteleden ons worden voorgesteld als onverschillige wereldsche menschen, die om God noch Zijn gebod geven en naar de Kerk niet omzien — dan moeten we spreken van „het verwoestend Modernisme en het arme Noord-Holland".
Waarbij dan gelukkig tegelijkertijd getuigd mag worden door den Evangelisatiepredikant van Hoorn, 't welk later in het Jaarverslag door den secretaris bevestigd wordt en uit de cijfers van den penningmeester ook blijkt: ,,Er is bij velen in onzen kring groote begeerte om het Evangelie te hooren, dat ons spreekt van den rijken Heiland voor den armen zondaar".
Toch moet ook weer worden geschreven: „Tegenover de vele vrijzinnige leden der Ned. Hervormde Kerk, vormen wij nog altijd maar een klein kuddeke. Wie de betrekkelijk groote schare ziet die Zondag aan Zondag naar onze kapel komt, om te luisteren naar de prediking des Woords, zou dat misschien uit het oog verliezen. Het feit is en blijft zoo. Wanneer het op stemmen aankomt, vormen wij de minderheid".
Dat is bovendien het ongelukkige altijd. Wat kerkbezoek aangaat kan 't Modernisme het niet halen bij de orthodoxen. Neem eens een beurt in de Ned. Hervormde Kerk te Boskoop, tel de neuzen eens te Stolwijk, enz. enz. Maar ach, die stembus met Jan en Alleman die nooit naar de Kerk omzien en alleen maar tegen „de fijnen" zijn!
Het jaarverslag van de Evangelisatie te Hoorn zegt ten slotte: „Onze Evangelisatie is voor haar leden niet de zaak van berekening, maar de zaak des gebeds. Hij, die de harten der menschen neigen kan als waterbeken, heeft het, al zijn we dan onder den druk, tot nu toe wèl met ons gemaakt. En zonder angstvallig te vragen: wat zal de vrijzinnige meerderheid nu verder over ons beschikken, is ons vertrouwen op God". In Noord-Holland ligt voor de belijders van den Christus en de vrienden van onze Hervormde Kerk braak land, dat vraagt om arbeiders! Ook om ons gebed, om onze gave, ons offer, ons geld!
De ééne, ware Kerk in Nederland.
Wij meenen den Confessioneelen geen onrecht aan te doen, als wij zeggen, dat zij in gedachte veelszins aldus zich den toestand van de Kerk in Nederland voorstellen: er is ééne, ware Kerk in Nederland, de Gereformeerde of Hervormde, nationale Kerk — en er is ééne valsche Kerk in Nederland, de Roomsche of Pauselijke Kerk. Tot die ééne, ware, nationale Kerk, de Hervormde of Gereformieerde Kerk, moeten dan behooren alle ware geloovigen in Nederland. Dat is het hart der natie. En die ééne, ware, nationale Kerk, de Hervormde of Gereformeerde Kerk, heeft zich dan te stellen als een groote, sterke macht, ongedeeld en ongescheiden, tegenover Rome. En Rome moet dan zooveel mogelijk buiten het nationale leven blijven.
Dat is de ideale, zeer begeerde toestand. Daarvoor moet alle actie uitgaan onder ons. Protestantsch Nederland, met één ongedeelde, ware Kerk, zijnde het lichaam van Christus. En daarnaast, geduld noodgedwongen, de Roomsche of valsche Kerk, de Kerk van den Antichrist, wiens uitvoerder op aarde troont in de stad, op zeven heuvelen gebouwd. Kan het eenvoudiger! Kan het mooier! 't Is alsof we in de tweede helft van de 16de eeuw zijn, 1560. Toen waren de kenmerken van de valsche Kerk te noemen; en de kenmerken van de ware Kerk. En 't was toen heelemaal voor elkaar! Uit! Behalve nu dat de historie ons heel andere dingen als werkelijkheid te zien geeft in het verleden (en is voor een Gereformeerd mensch de stem der historie óók niet Gods stem?) prediken de huidige dagen ons van de daken, dat redeneeringen als boven geteekend, uit het land der droomen komend, geen toekomst hebben. Ze zijn met het verleden en met het heden in strijd; en voor de toekomst onbruikbaar.
Zijn er niet altijd Lutheranen en Calvinisten geweest? Zijn er niet geweest Doopsgezinden en Remonstranten?
Zijn de éénheidsdrijvers onder de Protestanten niet geweest de Libertijnen, de Remonstranten, de Staten, de Vroedschappen?
Is het rationalisme van de 19de eeuw niet de profetesse geweest van één, ongedeelde christelijke Kerk? Geen Lutherschen, geen Doopsgezinden, geen Remonstranten — zelfs geen Roomschen meer straks.
Maar wie hecht aan deze redeneeringen nu nog eenige waarde? De Gereformeerde gelooft niet aan een toekomstig Nederland met één, ware Kerk, het lichaam van Christus, omvattend alle ware belijders en ware geloovigen — met één, valsche Kerk, daartegenover.
Natuurlijk is niet hier de vraag: of God dat kan bewerken? Natuurlijk kan Hij dat. Maar de vraag is: of de Heere het wil, of Hij in de geschiedenis van de Christelijke Kerk in Nederland aanwijzing gaf, dat wij op weg zijn naar zoo'n eenheid? En dan moet natuurlijk het antwoord der geschiedenis zijn: dat God dat niet gewild heeft en ook nu niet wil en ook voor de toekomst niet zal willen.
En daarom mag, geleerd door de historie die met al deze dingen spot, onze verwachting voor de toekomst niet zijn: één, ware Kerk — met één, valsche Kerk er tegenover.
En zeker niet: de ééne Hervormde Kerk als de eenig erkende en bevoorrechte Kerk onzer natie.
Ons ideaal is: Eén Hervormde of Gereformeerde Kerk van Nederland, waartoe allen behooren, die één zijn in geloof aangaande den Christus der Schriften, één zich gevoelen ten opzichte van de bediening des Woords en der sacramenten, ook uit één gedachte levend aangaande de wijze van kerkelijk samenleven in kerkelijke vergaderingen rondom de ambten.
Die Hervormde of Gereformeerde Kerk dan vrij zich bewegend naar Gods Woord, vrij van den Staat, vrij onder opperhoogheid van Jezus Christus, vrij bij eigen presbyteriale Kerkorde, staande in het midden der natie als Kerk des Heeren, belijdende Zijnen Naam en uitdragende Zijne Waarheid, verkondigende Zijn Evangelie hier en elders, zijnde een getrouwe getuige van Jezus Christus, zijnde het zout der aarde. Maar die Kerk zal dan heusch niet de eenige Kerkgemeenschap zijn, welke in Nederland gevonden wordt. .
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 januari 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 januari 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's