MEDITATIE
HET ALLERBESTE
Uwe goedertierenheid is beter dan het leven. Psalm 63 vers 4a.
Wij doorleven dagen van spanning en wisseling in het burgerlijk en kerkelijk jaar. Onze gedachten venmenigvuldigden zich op den Oudejaarsavond, toen wij een wijle terugblikten op den afgelegden levensweg. Maar niet minder strekte onze geest zich uit op den Nieuwjaarsmorgen naar de toekomst. Gelukkig die mensch, die terstond geremd werd in mogelijke bespiegelingen, door het woord van den Heiland: Weest in geen ding bezorgd.
Behalve de kalenderwisseling, liggen nog belangrijker dagen achter ons: het Kerstfeest. Als dit in de Oudejaarsavondoverdenking schuil gegaan is, getuigt het tegen ons. Want hoeveel moeite en verdriet ons deel ook moge geweest zijn, van Gods zijde is daar weer getoond, hoe Hij op het einde des jaars alles weer goed maakt. Daar is de volheid des tijds, daar is uitgeroepen het nieuwe jaar van het welbehagen des Heeren.
Wij leven in dagen van gisting en spanning, vooral diegenen, die medeleven in Kerk, Staat en Maatschappij. Een ieder zoekt op zijn wijze het allerbeste, en wat hij vindt is menige teleurstelling. Deswege zetten wij ons een wijle neder tot overdenking. En het Woord des Heeren opslaande, vinden wij daar den sleutel der geestelijke welvaart.
Dat Woord des Heeren veroordeelt ons op söhier elke bladzijde. Het zegt: zoek het niet bij u zelf, doch bij God alleen.
Wat wij zoeken is voorspoed, welvaart en geluk. Wij wenschten elkaar voor eenige dagen: „veel heil en zegen".
Heil is heeling van datgene wat gebroken is. Zegen is de bekroning met goeden uitslag op onzen arbeid. Het eene wijst dus op herstel, het andere op vooruitgang, en beide op datgene wat glans en glorie, geur en fleur aan het leven geeft.
Maar dit leven is ook het leven wat aan plant en dier geschonken is. Dit leven wil niet meer zeggen dan bestaan, groeien, bloeien, verschijnen en verdwijnen. De Psalmdichter grijpt dieper. Hij steekt af naar de diepte, hij dringt door tot den oorsprong, hij vaart op tot de hoogte, tot God, bij Wien de Levensbron is, ja. Die de Levensbron zelf is.
Want leven is meer dan „zich bewegen", leven is deelen in de zalige gemeenschap des Heeren, hetgeen alleen kan door Gods vrije genade in Christus, door Gods goedertierenheid.
Vraag eens, mijn lezer, wat het leven is. Zoovele vragen, zoovele antwoorden.
De eenvoudigen grijpen het naar zijn lengte alleen, en zeggen: een stap naar 't graf. Diepere geesten getuigen er bij: moeite en verdriet, en ze doen dit in navolging der Heilige Schrift, waarop hun bevinding steunt. Zijn wij sterk, dan is het zeventig of tachtig jaren, maar de meesten worden als de genummerde boomen van het woud eerder geveld. Maar al die levensjaren voert de mensch een bestendigen krijg tegen den dood.
De moeite begint reeds bij het wiegekind, en het verdriet voegt er zich bij als haar tweelingzuster. Bij alle vreugde, voorspoed en geluk is er gebrokenheid, dat bij het opwassen al duidelijker aan het licht treedt. Want op den zonnigsten dag van ons leven vertoont er zich reeds een wolkje als eens mans hand, dat straks verwoestend over ons losbarst. Immers op den éénen dag der grootste vreugde, den bruiloftsdag, volgen toch minstens twee begrafenissen.
Moeite en verdriet, ondanks geweldige zegeningen.
Nochtans bindt de mensch den strijd aan tegen alles wat hem in den weg staat, ja hij doet het met een onverwoestbaar idealisme. Hij gevoelt, dat het leven alles is. Zoolang er leven is, is er hope, ziedaar zijn steun en staf in de ure des gevaars.
Alles heeft hij er voor over, alles zou hij willen geven, om het leven te verlengen, gelijk die koning in de oudheid, omringd door doodsvijanden in den oorlog, willende, maar niet kunnende vluchten, het uitriep: „mijn koninkrijk voor een paard!"
Ons leven is het een en het al. De dierbaarste gedichten, de schoonste spreuken, de innigste gebeden, de heetste tranen betreffen in blijdschap en droefheid onze moeder, die ons dat leven gaf.
Maar nu komt de H. Schrift. Dat lastige boek. Dat Woord Gods. Dat scherpe zwaard. Het vraagt niet of gij het erkennen zult of wilt dat hij het Woord Gods is, maar vroeger of later zult gij bespeuren dat gij van doen hebt met een alles overstelpende Majesteit. Het slaat u alles uit de hand. Het maait weg wat gij gezaaid hebt; het verderft de verwachting des menschen, het geeft uw idealen der bespotting prijs.
Want ten eerste zult gij dagelijks meer bespeuren de vergankelijkheid, en in het licht van dat Woord de oorzaak er van: onze zonde, die des Heeren toorn verwekt. Dit leven, eerst zoo hoog geprezen in 't licht van den tijd, wordt dan, gezien in het licht der eeuwigheid, één en al verdriet. Want door Gods Geest geleid, bespeurt gij de verdorvenheid er van, hetgeen u zal voeren tot de kennis der ellende.
De vloek Gods, rustende op ons leven, zal u brengen in de benauwdheid, omdat gij dan leert zien dat gij van nature de heerlijkheid der gemeenschap Gods derft; dat gij mist datgene, wat leven aan het leven geeft. Dan kan het zijn dat gij zóó tot moedeloosheid vervalt, dat gij aan dit leven geen waarde meer hecht. Doch zie, dan is daar Gods goedertierenheid, die het alles vernieuwt en in zijn tegenbeeld omzet. Hebt ge eerst het leven overschat, daarna onderschat, nu leert ge het in het licht der eeuwigheid , naar waarde schatten. Hebt ge eerst uzelf gezocht, nu ziet gij, dat alles ijdelheid is, en dat Gods goedertierenheid beter is dan het leven. Gods goedertierenheid, betoond op het Kerstfeest, in het Kerstkind, is juist oorzaak van groote vreugde, omdat Hem te kennen en Jezus Christus dien Hij gezonden heeft, het eeuwige leven is. En dat is pas het ware leven. Zoo worde Gods goedertierenheid u onmisbaar.
Gods goedertierenheid is beter dan het leven, wa.nt zij herstelt de verloren gemeenschap, door de zonde verbroken, maar door de genade in Christus geheeld.
Moge de goedertierenheid onder de menschen zich ver uitstrekken in werken der barmhartigheid, zij biedt slechts een flauwe afschaduwing van Gods goedertieren heid, want deze is hemelhoog, daar zij den zondaar opneemt in eeuwige heerlijkheid.
Stort zich der menschen goedertierenheid alleen uit over bloedverwanten en vrienden, Gods goedertierenheid viert haar hoogsten triomf daar zij zich betoont aan vijanden Gods. Deswege is Gods goedertierenheid in Christus zonder peil, omdat Hij het eeuwig zalig leven schenkt, juist aan diegenen, die den eeuwigen dood hadden verdiend.
Gods goedertierenheid heeft zich wijd uitgestrekt evenzeer, want zoo ver het West verwijderd is van het Oosten, heeft Hij om onze ziel te troosten met den eenigen algenoegzamen Borg en Middelaar, in en door Hem de schuld en zonde weggedaan van al Zijne kinderen.
Inderdaad is het alleen deze goedertierenheid, die verder reikt dan het graf, die dus beter is dan de gave van dit leven, wijl zij blijft tot in eeuwigheid. Want wat baat het een mensch, zoo hij al alles gewint, en lijdt schade aan zijne ziel, bij gemis aan deze goedertierenheid? Het is dan ook beter dat onze ziel wordt gevoed met Gods goedertierenheid dan met spijze die vergaat. Gods goedertierenheid sterkt alzoo meer dan de uitgezochtste spijze, waardoor wij meenen ons leven te kunnen behouden.
Ja, waarlijk, Gods goedertierenheid gaat het al te boven!
Mijn lezer! hebt gij hier kennis aan? Bedenk, dat het Zijn goedertierenheid is, dat wij nog niet vernield zijn! Hij geeft u nog den tijd in het heden der genade. Hij opent nog den weg tot den troon der genade. Hij gedenkt nog dagelijks Zijn verbond der genade. Roep Hem aan terwijl Hij nabij is, want Zijn goedertierenheid is beter dan het leven, dan dat leven, dat eindigt met den eeuwigen dood.
Zijt gij bekommerd vanwege uwe zonden, ziet, Gods goedertierenheid zal uw druk doen verwisselen in geluk!
En gij, die deze goedertierenheid leerdet kennen, zult getuigen, dat zij beter is dan het leven, want al gaf iemand al het goed van zijn huis in ruil voor deze goedertierenheid, hij zou ten eenenmale worden veracht.
En komen er al in het jaar dat voor ons ligt dagen van twijfel, van tegenspoed en donkerheid, het arme en ellendige volk zal op den naam des Heeren blijven vertrouwen, want (Psalm 147: 11) de Heere heeft een welgevallen aan degenen, die Hem vreezen, en die op Zijne goedertierenheid hopen.
D. B. G. VAN DER ZEE.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 januari 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 januari 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's