GEESTELIJKE OPBOUW
De pluriformiteit der Kerk. (6)
De Geref. Kerken, de Chr. Geref. Kerk, de Geref. Gemeenten, de Geref. Kerken in hersteld Kerkverband, hooren bij elkaar. Maar heel de visie, het gezicht op de dingen, het aanvoelen van allerlei dogmatische en kerkrechtelijke aangelegenheden, is zóó verschillend georiënteerd, dat we gelooven, dat hier voorloopig niets te bereiken valt. En geen dwang kan hier baten. Alleen de drang des Geestes, de drang des harten is in deze 't eerste, 't hoogste en het eenige. Dan kan en zal er iets van komen.
Dat geldt ook de scheur die er ligt tusschen de Ned. Herv. (Geref.) Kerk en de Geref. Kerken uit de Afscheiding en de Doleantie voortgekomen. Die scheur is er gekomen om allerlei oorzaak van gelooven en belijden en kerkelijk samenleven; van ambt en sacrament en tucht — en wij gelooven niet, dat er veel op 't oogenblik aan te doen is.
Wat wij, als Hervormden, hebben te doen is: de Ned. Herv. (Geref.) Kerk roepen tot reformatie, om weder te keeren tot de wegen des Heeren en de zondige en schadelijke wegen te verlaten.
In het wederkeeren tot Gods Woord ligt het wederkeeren tot elkander.
Als er dogmatisch, kerkrechtelijk ook, g e e n oorzaak is tot gescheiden wonen, is dat g e s c h e i d e n wonen — die veelvormigheid in het kerkelijk leven — zonde. Dan is het tot smaadheid van 's Heeren Naam en tot schade voor eigen leven, ook tot schade voor het gemeenschapsleven van land en volk; ook tot schade van allerlei christelijken arbeid, welke noodzakelijk naar den eisch van het Woord moet worden verricht. Gedeeldheid breekt de krachten waar éénheid eisch is.
Maar als we, omdat we hier maar ten deele kennen en het gelooven en belijden van den een niet zelden verschilt van het gelooven en belijden van den ander, onderling gescheiden zijn, dan zullen we ook niet veel beter kunnen doen dan gescheiden naast elkaar wonen, zij 't dat de liefde betracht wordt onderling en Gods Woord erkend wordt als een lamp voor onzen voet en een licht op ons pad.
Er is alom, bij het zelfde leven, zoo rijke variatie, zoo groote onderscheiding, gelijk heel de natuur bewijst en op elk levensterrein is op te merken, dat het ons niet al te zeer verwonderen moet, dat inzake geloof, leer en leven der vromen ook alom veelvormigheid en nooit éénvormigheid wordt aangetroffen. De Waarheid is wel één, maar het aanvoelen, het kennen, het beleven der Waarheid is bij ieder „ten deele" en onderling niet zelden sterk verschillend, niet alleen in onderscheidene werelddeelen en in verschillende landen, maar zelfs onder één en hetzelfde volk, in één en dezelfde stad. Zoolang we hier op aarde zijn, zal dan ook de ééne, ware Kerk, de Kerk des Heeren, het lichaam van Christus, hier nooit anders dan gedeeld, stuksgewijze, vaak gebrekkig hier en gebrekkig daar, openbaren. De innerlijke eenheid zal uiteindelijk tot éénheid — en dan tot volkomen en eeuwige eenheid, in heerlijkheid en heiligheid — brengen, daar valt geen oogenblik aan te twijfelen. De Heere zal al de Zijnen van al de plaatsen Zijner heerschappij verzamelen en er zal er niet één worden gemist. En dan zullen ze allen tot één vergaderd worden en de Heere zal alles zijn in allen, waarbij zij Hem zullen zien van aangezicht tot aangezicht, om verzadigd te worden met Zijn deugdenbeeld. Maar de innerlijke éénheid zal hier alle de dagen jammerlijk gebrekkig tot openbaring komen, waarbij we ons te wachten hebben voor zelfvoldaanheid, hoog hartigheid, eigenzinnigheid, gebrek aan liefde en waardeering voor anderen, om tevens den Heere te erkennen in Zijne onnaspeurlijke wegen, gevende den een weer andere talenten dan den ander. Immers leidt de H. Geest den een veel dieper in de Waarheid in, dan den ander, bedoelende dat in de veelheid toch uitstrale de velerlei openbaring der Waarheid, welke alle verstand te boven gaat.
Schrift en belijdenis waarschuwen tegen splitsing, gedeeldheid en verscheuring, welke lichtvaardig is. Daartegen trekken de Apostelen in den naam des Heeren te velde. De gedeeldheid der Kerk hebben we ook altijd te betreuren. Maar een gemaakte, geforceerde eenheid is uit den booze. Zelfs moet door ieder voorzichtig gehandeld worden om niet op het werk van anderen in te gaan, opdat er niet tweeërlei bouw kome in een gemeente, met de bedoeling dat dan ónze bouw het werk van een ander zal te niete maken of overvleugelen. De Heere wil, dat hier teer en voorzichtig zal worden gehandeld en zeker niet met gevoelens van zelfvoldaanheid en geestelijken hoogmoed. Maar waar de een door den Heere in dezen en de ander in dien weg geleid wordt — 's Heeren wegen zijn in de éénheid des Geestes en des Woords zoo p l u r i f o r m, zoo veelszins onderscheiden en verschillend! — zullen we ons saam telkens te stellen hebben onder de tucht van 's Heeren Woord en het gebed om de voorlichting des Heiligen Geestes zal geduriglijk bij ons moeten zijn. Want neen! we mogen er geen genoegen in smaken, dat wat één moet zijn verdeeld is, evenmin als het kind van God In Christus rechtvaardig zijnde voor God en door den Heiligen Geest geheiligd in de wedergeboorte, er genoegen in smaken mag, dat hij dagelijks struikelt in vele en het elken dag weer verzondigt voor God. Evenwel zullen we het moeten aanvaarden en niet met kunstmiddelen bemantelen, dat Gods kind een zondaar is en blijft, tot z'n laatsten snik onvolmaakt en tot geen goed ding uit zichzelf bekwaam; en zóó moeten we het ook aanvaarden en dagelijks ervaren, dat de Kerk des Heeren hier, door haar omvolmaaktheid gebrekkig en gedeeld — pluriform in velerlei zijnde — zich gedeeld openbaart. 't Welk tegen onzen wil en ons van harte leed moet zijn, doch nooit zal veranderen zoolang we in deze bedeeling der genade hier op aarde verkeeren!
Waar zóó dus, naar 's Heeren raad en onder Zijn goddelijk bestel, de ééne Kerk van Christus in onderscheidene Kerkformaties, in velerlei vorm van leeromschrijving en kerkelijk leven, onder ons gevonden wordt, zullen we telkens moeten onderzoeken of ze staan op het ééne fundament Jezus Christus en begeeren Gods Woord te erkennen als een lamp voor onzen voet en een licht op ons pad. En ja, dan zullen ook die Kerken gescheiden zijn en gescheiden leven, in allerlei verschillend vaak, maar dan zullen we hebben te bedenken, dat we allen slechts ten deele kennen en dat niemand hier verwaardigd wordt de volle Waarheid ten volle te verstaan en ten volle te verkondigen. En geloovend, dat de Waarheid Gods veelzijdig is, zal onze bede en ons streven moeten zijn, dat de Waarheid Gods veelzijdig uitschittere in heerlijkheid, daarbij telkens ons waarachtig stellend voor des Heeren aangezicht en voor den spiegel van Gods geopenbaarde Waarheid, met de bede in het harte: niet ons, niet ons, o Heere! maar Uw Naam zij de eere!
Dan zullen we elkander ook, op den grondslag van Gods Woord en ons samen buigend onder het regiment van den eenigen en eeuwigen Koning Jezus Christus, willen waardeeren en in heiligen ijver zal onder ons komen de liefde te spreken van Hem, Die Sions Koning en Zaligmaker is, dragende den eenigen Naam onder den hemel, door Welken wij moeten zalig worden.
Ieder zal dan in eigen Kerkgemeenschap er naar moeten staan, dat de beginselen van Gods Woord, Schrift met Schrift vergeleken, dagelijks beter worden verstaan en in liefde worden betracht, om saam te hunkeren naar de eenheid in Christus, die straks volmaakt zal zijn, wetende ook, dat de verhoogde Heiland uitziet naar het oogenbiik dat ze allen bij Hem zullen zijn, die Hij den Vader kocht met Zijn dierbaar bloed.
O, wat heeft Gods kind te klagen over veel ellende. O, wat is er op het terrein van Christus' Kerk veel smart en moeite, zonde en schuld. Maar de goede strijd des geloofs moet worden gestreden. De steenen moeten worden weggeruimd. De roep om 's Heeren Geest mag niet ontbreken, 's Heeren Woord moet de stok en de staf zijn. En dan: „ik danke God, door Jezus Christus, mijnen Heere" — gelooft, belijdt, roemt Gods kind in 't midden van den strijd. Gelijk Gods Kerk gelooft, belijdt en roemt in deze bange dagen: „Onze Koning is van Isrels God gegeven!" Nog een kleinen tijd, dan is de strijd volstreden. Daarom nu vurig van geest en ijverig in de liefde. Verlangend uitziende naar de ure, dat het hemelsch Jeruzalem op aarde zal nederdalen, waarin geen tempel zijn zal, omdat God zal zijn alles in allen. Kom, Heere Jezus; ja, kom haastig Heere!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 januari 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 januari 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's