KERKELIJKE RONDSCHOUW
De Reorganisatie-beweging (4)
Het concept-adres aan Z.M. Koning Willem II, dat, behoudens eenige redactie-verandering, na uitvoerige bespreking werd aangenomen, luidde als volgt:
„Het is aan Uwe Majesteit bekend, dat er bij de Algemeene Synode der Nederlandsche Hervormde Kerk wordt gearbeid aan eene herziening der Kerkelijke Reglementen.
In verband met dit gewichtige werk en met de verwarring en losbandigheid, welke vanwege de Kerkbesturen, zoo niet voorgestaan, ten minste geduld wordt, hebben de ondergeteekenden, leeraars en leden van de Nederlandsche Hervormde Kerk en van het Hervormd Kerkgenootschap, zich verplicht gerekend, hun eensgezindheid in de waardeering en handhaving van de hoofdzaak en het wezen der Schriftuurlijke Kerkleer en Kerkvorm te openbaren in de verklaring, welke hiernevens aan Uwe Majesteit aangeboden wordt.
Uwe Majesteit zal zich kunnen overtuigen, dat de ondergeteekenden geen omverwerping begeeren, maar veeleer een hervorming, die, met inachtneming van erkende waarheid en verkregen recht, tegelijk verbetert en behoudt. — Zij verlangen, krachtens het recht der Gezindheid en den aard van elke Kerkvereeniging, als grondslag en levensbeginsel ook eener Kerkelijke Organisatie, eerbiediging van de leer der Kerk, uit haar Levensgeschiedenis en Belijdenisschriften overbekend.
Bij de toezending dezer verklaring aan de Synode in een Adres, mede hierbij gevoegd, hebben zij tevens de openlijke behandeling gevraagd eener aangelegenheid, waarbij de geheele Gemeente het grootste belang heeft. — De Gemeente zal toch wel op Kerkelijk gebied, evenzeer als de Natie op politiek terrein, recht hebben, in zoodanige beraadslaging eenigszins te worden gekend; en, om bij die gelijkenis te blijven, ook Uwe Majesteit zal voorzeker van oordeel zijn, dat de plotselinge afkondiging eener gewijzigde Grondwet, vrucht van geheim overleg, noch met de lessen der voorzichtigheid, noch met de voorschriften van een welbegrepen Staatsrecht overeenkomen zou.
De ondergeteekenden, ofschoon zij van de Synode eene zoo verregaande aanmatiging niet willen tegemoet zien, mogen evenwel, gedachtig aan het menigvuldig onrecht, dat de Kerk ondergaan heeft, niet nalaten voor de onverhoopte mogelijkheid ook hier van, Uwe Majesteit eerbiedig te verzoeken, haar bekrachtiging niet te verleenen aan een, door overleg met het Kerkbestuur, zonder voorafgaande en behoorlijke kennisneming der Gemeente, tot stand gekomen Algemeen Reglement, veel minder, op 't voetspoor van hetgeen vroeger heeft plaats gehad, zelf eene organisatie aan de Hervormde Kerk te geven, of zoodanige organisatie te erkennen, waarin opnieuw aan het wereldlijk Bestuur rechten over de Kerk zouden worden toegediend, met haar vrijheid en onafhankelijkheid onbestaanbaar".
Het doet ons weldadig aan, uit deze stukken te vernemen hoe men in den jare 1848 dacht over recht en onrecht inzake de Nederlandsche Hervormde Kerk. En we zullen goed doen ook nu nog weer deze dingen naar voren te brengen. „De mannen van het Reveil hadden meer gevoel van gemeenschap, meer Kerkelijk besef, in meer dan één opzicht ook een meer helder inzicht in de grondbeginselen, die het begrip van Kerk en ambt raken, dan de volgende geslachten", zegt niemand minder dan dr. Ph.J. Hoedemaker in zijn „Advies inzake de Reorganisatie van het Kerkbestuur", onder het motto: „ontbindt hem en laat hem henengaan". Joh. 11: 44. (blz. 23).
We weten dat in 1852 niet veel goeds gegeven is noch door den Koning, noch door de Synode. En we zitten nog met een geheel onschriftuurlijke Kerkelijke organisatie, in welker plaats de Gereformeerden nu zoeken te krijgen de presbyteriale Kerkinrichting.
Reorganisatie.
Dan is Reorganisatie iets anders dan reglementsverandering.
Reglementsverandering is eer het tegendeel van Reorganisatie, omdat bij herziening van de Reglementen de door ons veroordeelde Synodale Organisatie als zoodanig wordt bevestigd, zelfs vaster gemaakt.
't Is tegen de huidige Organisatie dat we bezwaar, ernstig bezwaar hebben. En daarom is onze leuze: Reorganisatie. De tegenwoordige Synodale Organisatie moet vervangen worden door een andere.
Waarom? De huidige Organisatie steunt in de Besturen. De heele Organisatie draait hierom, dat de Besturen b e v e l e n, de Besturen in opklimmende macht van Classicaal Bestuur, Provinciaal Kerkbestuur tot Synode, terwijl dan de minderen hebben te g e h o o r z a m e n.
Bevelen — gehoorzamen, bevelen — gehoorzamen.
En nu willen de Gereformeerden een nieuwe, een principieel andere Organisatie van het kerkelijk samenleven, waarbij de leiding uitgaat van Kerkelijke vergaderingen, te beginnen bij den Kerkeraad, dan komend tot een vergadering van de Kerken in dezelfde Classis, dan tot de Provinciale Synode met afgevaardigden uit de verschillende Classes in dezelfde Provincie, en eindelijk de Synode-vergadering, waarin samen aanzitten de Kerken in haar vertegenwoordigers uit de onderscheidene provincies.
Nu hebben we: besturen en meerdere besturen, in den zin van hoogere besturen die meer macht hebben om te bevelen; besturen in opklimmende rangorde van macht.
En we moeten krijgen: onze Kerkelijke vergaderingen, die van af den Kerkeraad meer in omvang en meer in getal (niet in macht) worden, naarmate we krijgen de Classicale Vergadering, de Provinciale Synode, de Nationale Synode. Telkens komen er meer Kerken saam in die meerdere vergaderingen.
De tegenwoordige Organisatie met Besturen in opklimmende macht is hiërarchisch. Wat wij vragen is p r e s b y t e r i a a l, waarbij de ambten, de Kerkelijke vergaderingen, in actie zijn. Dat bedoelen we, als we spreken van Reorganisatie. En dat is natuurlijk iets anders dan reglementswijziging vragen. We vragen een geheelen ommekeer van Organisatie.
Hoewel natuurlijk die geheele ommekeer wel bevorderd kan worden door middel van reglementswijziging, wanneer men langs een weg van orde tot zoodanige verandering in de reglementen ziet te komen, dat voorbereid wordt het loslaten van de eene Organisatie, de hiërarchische besturen-organisatie, om te geraken tot de presbyteriale Kerkinrichting, waarbij de Kerken in Kerkelijke vergaderingen samen komen en de ambten functioneeren.
Zoo heeft b.v. prof. Gooszen, die „Evangelisch" was, reeds in 1901 het denkbeeld aan de hand gedaan, dat voortaan de Classicale Vergaderingen de afgevaardigden ter Algemeene Synode zouden kiezen; een voorstel tot reglementswijziging, waarin werkelijk een stuk reorganisatie ligt!
(Wordt voortgezet).
Uit de Oude Doos.
In Rotterdam ligt in de vergaderkamer der predikanten een voorzittershamer, die nu 200 jaar oud is geworden. Die hamer is dezer dagen aan 't vertellen geslagen en wat er door dat stomme ding zooal meegedeeld is, is waarlijk niet onaardig. Eén ding willen we hier overnemen.
In de eerste helft van 1700 heeft die voorzittershamer het meegemaakt, dat telkens moest worden meegedeeld aan H.H. Predikanten, dat in de bestaande vacatures nog niet kon worden voorzien. De Kerkeraad beriep wel predikanten, maar op het Ministerie bleven een paar stoelen leeg, omdat de Vroedschap weigerde de uitgebrachte beroepen goed te keuren. Tot vijfmaal toe — de presidale hamer van 200 jaar oud heeft het alles zelf meegemaakt — kwam de boodschap, dat de Heeren van de Vroedschap het uitgebrachte beroep niet wilden goedkeuren en eenmaal kwam er de boodschap bij — de voorzittershamer heeft het zelf gehoord — dat de Kerkeraad zijn college met andere menschen moest aanvullen, die het werk der beroeping met meer glans konden verrichten. De beroepen, die thans werden uitgebracht, strekten niet tot deze groote doeleinden: a. de luister van Gods Kerk; b. de stichting en nuttigheid van deze Gemeente; c. het voordeel van de armen.
„Wat te doen?" zoo vroeg een van de leden van het Ministerie van predikanten.
„Niet toegeven", zei de Preses en een stevige tik van den nog geen 14-jarigen hamer bezegelde dat kloeke antwoord.
Een man van 27 jaar geworden zijnde — zoo verhaalt de hamer — liep het op dit punt wéér spaak. Och, och, wat konden die heeren van de Vroedschap de Kerk in de wielen rijden! Ze wilden met alle geweld, dat ds. Nieuwland beroepen zou worden, maar de Kerkeraad weigerde. Een paar jaar lang is er in de vergadering van predikanten wel over gedelibereerd en menigen tik moest de hamer geven, als het wat hoog liep!
Ook 'n tractementskwestie heeft onze eerwaardige voorzittershamer, — dien de tand des tijds wel beknabbeld, maar toch niet zoo heel veel kwaad gedaan heeft — meegemaakt. De Overheid zond bericht, dat de tractementen moesten worden verminderd en dat nooit meer dan één predikant emeritaatspensioen kon genieten. Was een voorganger door ziekte of ouderdom volstrekt buiten staat zijn werk te verrichten, dan moest hij maar een plaatsvervanger nemen, de Vroedschap was bereid dien met het belangrijk bedrag van ƒ 300.— tegemoet te komen.
Ja, 't was een kostelijike goede oude tijd!
Wel was die tijd ontzaglijk deftig. De prseses, die mij gestaag hanteerde — zoo vertelt de hamer zelf — moest, zou er een beroep worden uitgebracht en opgevolgd, op z'n minst viermaal, in een rijtuig met twee paarden, naar het Stadhuis rijden om toestemming te vragen, de nominatie aan te bieden, den beroepene voor te stellen en dezen te presenteeren!
Die groote deftigheid deed blijkbaar afbreuk aan het weerstandsvermogen. Want tot 1731 werd de vroegpreek van 6 of 7 uur, winter en zomer door, gehouden. Sinds dat jaar stond ze stil van half November tot half Februari; maar als het 15 Februari was, al vroor het dat het kraakte, er werd in de vroegpreek gepreekt en niet gestookt!
„Kom daar nou ereis om", zou oom Stastok zeggen.
't Waren anders vroeger taaie broeders! Ze konden preeken, neen maar! Een preek ligt er van Alardus Tiele, waarmee hij de vernieuwde Prinsenkerk inwijdde, die 83 bladzijden groot is. Hij noemde haar dan ook zelf „een uitgestrekte reden". Joh. Doesburg hield een lijkrede op Ludolphus de With, die 58 bladzijden besloeg. De treurende weduwe moest er onder zitten en aanhooren wat de woorden: dagen, handbreed, leeftijd, immers en ijdelheid in het Grieksch en in het Hebreeuwsch beteekenden.
Het werd in die dagen zóó erg, dat de wet maatregelen zou stellen, als zoo'n dienst langer dan twee uren duurde.
Kermis en jaarmarkt heeft de 200-jarige hamer ook meegemaakt. Hoe vroolijk klopte de hamer, toen de voorzitter mocht bekend maken, dat Hun Edel Groot Achtbaren alle „spellen der idelhyt" van de jaarmarkt geweerd hadden. Maar somber was de toon, toen vier jaar later die spellen weer waren toegelaten. En droef, verontwaardigd viel mijn hamerslag, toen moest worden geconstateerd, dat diakenen het aanbod van burgemeesteren hadden aanvaard, dat „de spullen" één dag ten bate der diakonie spelen zouden.
Ook dit heeft de voorzittershamer meegemaakt, dat dominé's met elkander twistten en tegen elkander schreven; brochures bedekten de ministerieele tafel in die dagen van ds. Habbema, ten Broek, Van der Groe en Hofstede.
Uit de dagen van de Patriotten herinnert zich de hamer dat kwajongens zongen:
Ds. Ten Broek, uit de Wafellaan heeft een gebed voor de Keezen gedaan, en ds. Ten Broek, de groote Patriot, moest vluchten.
Bij 't keeren van den wind ging 't juist andersom en werd de Oranje-man Jan Scharp verbannen. Toen in 1813 vader Willem weerkeerde, vielen de twee elkaar in de armen!
Van de invoering der nieuwe Psalmberijming herinnert zich de hamer niet veel; evenmin als van die der Gezangen; dat is blijkbaar alles zonder veel moeite gepasseerd in Rotterdam.
Heel andere dingen en herinneringen zijn er uit de dagen van de Doleantie. Ziet ge de breuk in mijn steel, de wonden aan mijn kop? De stukken vlogen er af in die dagen, 'k Spreek er maar liever niet veel over. Voor onze Kerk is toen wel veel goeds verloren gegaan.
Ik ben maar gebleven.
Tot zoover de praatzieke 200-jarige Rotterdamsche hamer. 't Is toch wel gezellig over deze dingen te hooren. En we vinden 't aardig, dat ds. Callenbach de gesprekken van dien hamer in de Rott. Kerkbode heeft meegedeeld.
De Ambten.
Spreken wij van een ambt, dan bedoelen we nu, in den tegenwoordigen tijd, een stand, waaraan zekere werkzaamheden verbonden zijn, die men niet eigenmachtig op zich neemt. Men wordt „zoo maar niet eens even" burgemeester, rechter, dominee, ouderling, diaken; maar men moet gekozen of benoemd of beroepen worden. En dus moeten bij een ambt de bepaalde werkzaamheden door een daartoe bevoegde macht aan den drager van het ambt worden opgedragen; men moet in het ambt ingezet worden en zich dan aan z'n ambtsplichten houden. Een burgemeester, die door de Koningin benoemd is, moet zich aan de hem opgedragen werkzaamheden houden en die uitvoeren. Een rechter dito. Een dominee, beroepen zijnde door den Kerkeraad, moet zich houden aan de aan hem opgedragen werkzaamheden. Ouderling, diaken, dito, dito.
Nu zeggen wij: een kerkelijk ambt is een door Christus afgezonderde en een door Hem omschreven kring van werkzaamheden Christus Zelf heeft de ambten ingesteld; Hij heeft de werkzaamheden bepaald; en Hij rust Zijn dienstknechten toe met Zijnen Heiligen Geest, om ze te leiden in de wegen van Zijn Woord, om ze te doen handelen naar de beginselen van Zijn getuigenis en ze te gebruiken tot opbouwing van Zijn lichaam, van Zijn Gemeente, van de Kerk, waarin de mannen broeders ambtsdragers als Zijn dienstknechten functioneeren.
De ambtsdragers zijn dus, om in Nieuw-Testamentische taal te spreken, de gemachtigden niet van de gemeente, maar van Christus, het Hoofd der gemeente. Zij zijn de organen waardoor Hij Zijn lichaam onderhoudt en regeert. Zijn medearbeiders, Zijn dienstknechten. Bij dat onderhouden Zijner Kerk behoort de dienst des Woords, der gebeden en der sacramenten, met de verzorging der armen of behoeftigen; en daarvoor gaf Hij de ambtsdragers: herders en leeraars, ouderlingen, diakenen. Bij dat regeeren Zijner Kerk behoort opzicht en tucht en daarvoor gaf Christus het regeerambt. In deze zijn de ambtsdragers niet de heerschers in en over de gemeente, maar de dienaars van Jezus Christus, die leiding geven aan Zijn gemeente. Daarbij zijn ze daar niet de uitvoerders van „den volkswil", maar gehoorzame dienaren van Christus, schuldig Zijnen wil te doen, Hem in hoogste instantie verantwoording schuldig zijnde.
De roeping van en door de gemeente wordt dan ook in het formulier ter bevestiging teruggebracht tot het „van God geroepen zijnde", en dienaar der gemeente is ten slotte dienaar van Christus, om in Hem de gemeente te dienen.
Daarom ligt de macht en de kracht van het ambt in Gods Woord en in den wil van onzen Heere Jezus Christus, het Hoofd der gemeente. Die Zijn Kerk wil vergaderen en regeeren door Zijn Geest en Woord, middellijk door de ambten. Hij heeft gegeven sommigen tot apostelen en sommigen tot profeten en sommigen tot evangelisten (dat waren de buitengewone ambten, die nu niet meer bestaan) en sommigen tot herders en leeraars. Deze laatsten worden in de Schrift ook genoemd ouderlingen en opzieners, die van de gewone ouderlingen moeten onderscheiden worden. (1 Tim. 5 vers 17). Gewoonlijk ter onderscheiding leerende ouderlingen (leeraars) genoemd, naast de regeerouderlingen (de gewone ouderlingen).
De diakenen hebben dan een apart ambt, dat niet bij de regeering der Kerk behoort. Nu wordt het ambt geheel beheerscht door 't geloof in Christus. Want als Christus gedegradeerd wordt tot een Voorbeeld, tot een Leeraar, tot een wijs Man — dan wordt de ambtsdrager een voorganger, bestuurder, leidsman, die naar filosofische redeneeringen voorgaat, leidt, bestuurt. De waardigheid ligt dan in den persoon en zijn kracht, in zijn wijsheid en beleid. Eigenlijk zijn dan alle „leden van de Vereeniging" gelijk. Men kan een Voorganger, een Bestuur kiezen naar eigen lust. Men kan ook weer andere leden in het Bestuur kiezen, als de eersten niet langer voldoen. Men kan handelen zooals men zelf wil. Van Kerk is dan geen sprake meer, dan is het een Vereeniging geworden. En de volkssouvereiniteit is wet en regel. Maar zoo mag het in Christus' Kerk naar Gods Woord niet zijn!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 januari 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 januari 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's