De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

BIDDEN

10 minuten leestijd

"Toen bad ik tot God van den Hemel" .Nehemia 2: 4

BIDDEN.

De tijden snellen heen — wij brengen onze jaren door als een gedachte. Het wordt eenzaam rondom ons — de onzen, zij worden uitgedragen. Zalig zij, die gezeten op de rots der eeuwen, naar Boven staren. Zalig zij, die voortreizen ook dit levensjaar (het laatste??) in de gestalte van een Nehemia! Richten we onzen blik op hem, naar aanleiding van het woord, dat we vinden in Hoofdstuk 2 vers 4:
"Toen bad ik tot God van den Hemel" .
Nehemia is in het vreemde land een man van groot aanzien—hij bekleedt een zeer verantwoordelijke betrekking. Nehemia was schenker aan het hof van den Perzischen Koning. Ge vraagt: is dat zoo'n post van vertrouwen?
Ja, want slechts zij, die als zeer betrouwbaar bekend stonden, werden verwaardigd tot den post, waarvan we in Hoofdstuk 1 vers 11 lezen: „ik nu was des Konings schenker". De schenker had, naar den mensch gesproken, het leven van den Koning in handen. Een weinig gif in des Konings drank het kwam menigmaal voor!
Nehemia was in eer aan het Hof!
Maar onder dat alles is er smart in zijn ziel — want Hanani, één zijner broederen, en sommige mannen uit Juda waren gekomen en hadden hem verhaald, hoe Jeruzalems muur verscheurd was en hare poorten met vuur verbrand, ja, dat de overgeblevenen, die van de gevangenschap aldaar in het landschap waren overgebleven, in groote ellende en in versmaadheid verkeerden.
Smart is er in Nehemia's ziel en hij zit weenend neder, rouw bedrijvend, vastend, biddend!
O, hoort dat roerend smeeken: „Wij hebben het ganschelijk tegen U verdorven " maar „Gedenk toch des Woords dat Gij Uwen knecht Mozes geboden hebt".
Ziet! Nehemia wist waar zich te moeten wenden — waar te moeten naderen met zijn ellende. Eenzaam werd het rondom hem, maar te midden van alles kende hij de aanspraakplaats en als hij dan opstaat, is er een wonderlijke vrede in zijn ziel.
Maar neen, niet op dat bidden van Nehemia wil ik u wijzen, maar op dat wonder-diepe woord van het tweede hoofdstuk „toen bad ik tot God van den Hemel".
Nehemia staat weder voor het aangezicht van den Koning en deze staart op zijn dienstknecht en hij roept uit: „Waarom is uw aangezicht treurig, zoo gij toch niet krank zijt, dit is niet dan treurigheid des harten".
De Koning was verwonderd over den droeven trek op Nehemia's gelaat, want „hij was nooit treurig geweest voor zijn aangezicht!"
Vrees daalt er in Nehemia's ziel „zwak van moed en klein van krachten". Nehemia kende die waarheid ook! Vrees — want Nehemia's hart is „vol" — maar hij vreest om het den Koning bekend te maken, om den Koning zijn verzoek voor te leggen. Maar hij moet antwoorden, en zoo hooren we de zieleklacht „hoe zou mijn aangezicht niet treurig zijn, daar de stad, de plaats der begrafenissen mijner vaderen, woest is en hare poorten met vuur verteerd zijn?"
In die klacht hoort de Koning een verzoek en zoo is zijn antwoord: „wat verzoekt gij nu?" 't Oogenblik is genaderd! Nehemia's ziel is vol vrees, alles voelt hij zich ontzinken, des Konings oog rust op hem. Ja, hij heeft wat te verzoeken, maar wat zal 't antwoord zijn „tóén bad ik tot God van den hemel!"
Ontroerend woord! Rijk woord! Nehemia wist waarheen zich te wenden — hij zoekt zijn sterkte, zijn steun in het gebed. En zoo draagt hij den Heere al zijn nood voor en ja! dat had hij reeds gedaan, maar terwijl hij nu staat tegenover den Koning stort hij wederom zijn ziel uit, om gesterkt door die gemeenschap met zijn God, het gevraagde antwoord te geven.
Nehemia bidt terwijl hij den Koning diende. De aardsche Koning vraagt hem om zijn antwoord, en hij .......... hij bidt tot den Eeuwigen Koning. Neen, Nehemia werpt zich niet op de knieën — de Koning ziet het zijn dienaar niet aan, dat deze bidt maar inwendig vindt er het zieleuitstorten plaats, het gedenken en doormaken van Psalm 42:
„Wat buigt ge u neder, o mijn ziel
Wat zijt ge in mij ontrust,
Voed het oud vertrouwen weder".
Ziet dan — welk een rijk leven, dit biddend leven van een Nehemia. Nehemia bad, niét omdat het zoo behoorde, omdat het moest .........., hij bad omdat hij niet anders kon, .......... hij bad omdat hij werd gedreven tot den God des Hemels!
En hij ondervond de waarheid van de belofte: wie Mij aanroept in den dag van den nood, vindt Mijn gunst oneindig groot! Zij komen niet beschaamd uit, die in den dag der benauwdheid den Heere aanloopen als een waterstroom. — Nehemia antwoordt den Koning, legt zijn hartewensch neder en hij ontvangt verlof naar Jeruzalem heen te trekken. Zijn reis wordt zeer voorspoedig gemaakt; aanbevelingsbrieven worden hem mede gegeven
Biddend zal Nehemia die verre reis zijn gegaan — biddend verkeerd en gewerkt hebben in Jeruzalem Nehemia kende den verborgen omgang, waarvan de dichter zingt en, door dien verborgen omgang gesterkt, schrijdt hij voorwaarts.
O, die verborgen omgang is de wondere, geheimzinnige kracht in alle Godskinderen alle eeuwen door.
Kent gij dien verborgen omgang?
Kent gij dat dagelijksche, dat voortdurende bidden?
Bidden, ja dat willen velen nog wel — in groote levensoogenblikken — maar de apostolische vermaning „Bidt zonder ophouden", of het woord uit Spreuken 3 vers 6 „Ken Hem in al uwe wegen", het wordt zoo menigmaal vergeten — en waarom?
Och, men denkt den Heere niet van noode te hebben in de dingen van lederen dag. Men spreekt van gewichtige en niet gewichtige zaken, bij de eerste heeft men God noodig (zóó spreekt men althans), maar bij de laatste kan men het wel met eigen middelen doen.
Maar wat spreekt gij, o mensch, van belangrijke en onbelangrijke zaken — gij meet dan met uw menschelijken maatstaf. Maar weet het: in de oogen des Heeren, voor Wien duizend jaren zijn als de dag van gisteren, vervalt, o mensch, uw menschelijk onderscheiden. Gij, o mensch, spreekt van iets onbelangrijks en 't blijkt later een allesbeslissend oogenblik in uw leven te zijn geweest.
Ziet dus — de dwaasheid om te spreken: dan heb ik wél en dan heb ik niét den Heere noodig — allen die zóó leven, die zóó spreken, zij hebben den God des Hemels nimmer noodig, als zij zeggen Hem noodig te hebben, hebben zij Hem noodig om huns zelfs wil, niet om Zijnentwil. Zij hebben Hem noodig, opdat hun naam zou worden verheerlijkt, niet opdat Zijn Naam zou worden verheerlijkt. Er is zooveel (de hand in eigen boezem) een bidden om de komst van eigen koninkrijk — en het moet zijn „Uw Koninkrijk kome!"
„Uw Koninkrijk kome!" d.w.z. ons koninkrijk moet ten gronde, volkomen!
„Ken Hem in al uwe wegen".
„Bidt zonder ophouden".
Ja, dat mocht Nehemia doen — en dat is het leven van Gods Kerk, het is een wandelen met den Heere. Dat waarachtige bidden is een uiting van de allerdiepste afhankelijkheid, van de wetenschap zonder den Heere niets te vermogen, dat is een belijden: bij mij zijn alle dingen onmogelijk, maar bij U, o Heere, is alles mogelijk. De zóó biddende ziel weet, dat zij Gode alles mag bekend maken, de kleinste en geringste dingen.
De persoon van den bidder doet niets ter zake — het komt op het hart aan. Het bidden, het is de ademhaling van het zieleleven. In het natuurlijke kan de mensch maar enkele seconden buiten adem halen — maar in het geestelijke kunnen de meesten er zeer lang buiten — bewijs, dat het daarbinnen niet wel is.
Gods kind weet het, het bidden is de zieleademhaling — door het gebed ontvangt de ziel nieuwe levenstoevoer! En als daar verachtering, verslapping is in het gebedsleven — de Satan nadert! Wat denkt ge — zou David gebeden hebben toen hij Bathseba zag? Wat denkt ge — zou Simon Petrus gebeden hebben, toen de dienst­maagd op hem wees, zeggende: deze is ook éen van Jezus' discipelen.
Daarom de Apostolische vermaning : „bidt — zonder ophouden !" Vertraagt toch niet, opdat u niet als een gewapend man het verderf overvalle. Ziet, het voortdurende, het dagelijksche gebed is noodzakelijk — vele zijn de trekken, die naar voren gebracht zouden kunnen worden.
Zalig de mensch — die bidt! Bidt gij? O, welk een wonder, dat bidden mogelijk is — en 't is mogelijk!
Kerstfeest predikte het wederom: de Hemelen, ze zijn gescheurd, de Zoon des Eeuwigen Welbehagens is neergedaald — en de Hemelen ze bleven gescheurd — de troon der genade is weder toegankelijk gesteld. Lieflijke Evangelieprediking. O, bidt dan in Jezus' naam, opdat uw gebed opstijge tot den Vader der Lichten, van Wien alle goede gaven afdalen, niet om uwentwil, niet om uw bidden, maar om Jezus' wil!
Welk een heerlijke zaak dan: bidden. Bidden als een arm zondaar, bidden pleitende op Gods gave: den schatrijken Christus.
Bidden : „geef ons heden ons dagelijksch brood !" — Kortom: een zieleuitstorten van alle de nooden, geestellijk en lichamelijk.
Nogmaals! Bidt gij?
O,  leert anders nog bidden — bij den Heere zijn alle dingen mogelijk — Hij maakte met u nog geen afgesneden zaak — alzoo Zijn Woord bevestigende, dat Zijn lust niet is in den dood, maar in 't leven!
Gij, die bidt — die de Nehemia's-gestalte kent — „bidt zonder ophouden".
Daar ligt weder een jaar voor u — welk een eeuwig wonder, dat gij, nietig mensch, dat gij, zondig mensch, met uw zonde, nooden, zorgen moogt en kunt naderen tot den genadetroon, ja met vrijmoedigheid, om geholpen te worden ter bekwamer tijd.
Welk een rust, te midden van alle onrust. Gij moogt komen met de nooden van uw ambt, beroep, bedrijf, met de nooden van uw gezin, maar bovenal met uw zielenood — gij moogt het weten, dat er een luisterend oor is.
Welk een heerlijkheid: bidden. O, dat zóó bij aanvang of voortgang voor u en voor mij ons optrekken zij dit jaar — al biddend.
Dat de Heilige Geest dat waarachtige bidden in de ziel neerlegge, dat bidden, dat als een aangenaam reukwerk ten Hemel stijgt tot voor den troon des Eeuwigen, daar het besprengd is met het bloed van het Kruis der Verzoening
Trek dan op — biddende. Stort uwe ziel dan uit, o volk in smart — bidt als een Nehemia tot den God des Hemels.
„Zalig hij, die in dit leven,
Jacobs God ter huipe heeft;
Hij, die, door den nood gedreven.
Zich tot H e m om troost geeft;
Die zijn hoop in 't hachlijkst lot.
Vestigt op den Heer', zijn God"
Kent gij iets van d i e „zaligheid", laat dan de stormen komen, laat dan uw levensscheepke geslingerd worden, laat dan naar 't zichtbare alle hoop vervliegen geen nood, de Heere regeert, van Hem heeft het volk al zijn kracht.
„Uit diepten van ellenden,
Roep ik met mond en hart.
Tot U die heil kunt zenden: ..........
Ziende op zichzelf luidt de klacht:
„Zoo Gij in 't recht wilt treden
Ach! wie zal dan bestaan?" Maar het is een zien met het oog des geloofs op den Heere, op Zijn werk:
„Ik hoop in al mijn klachten,
Op Zijn onfeilbaar Woord".
En ziende op Hem, weerklinkt die wondere geloofstaal, waar het natuurlijke oog niets ziet dan ellende:
„Er z a l verlossing komen Ja! verlossing! —
„Zoo doe Hij ook mij!"
„Toen bad ik tot God van den Hemel!" Amen!
Zegveld.                                                A.J. Westra Hoekzema

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 januari 1928

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 januari 1928

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's