GEESTELIJK OPBOUW
DE GEREFORMEERDE KERKORDE
OF
HOE 't IN DE KERK DES HEEREN MOET
TOEGAAN. (2)
Het „Corpus disciplinae" of de Kerk-orde, om te regelen hoe het in de Kerk des Heeren in deze landen moest toegaan, vindt de voorbereiding in de Artikelen die opgesteld zijn op het Convent te Wezel in 1568 en de voltooiing in de Kerkorde van Dordt, vastgesteld op de Synode van 1618—'19.
De Dordtsche Kerkorde is formeel van kracht geweest gedurende twee eeuwen, van 1619—1816, maar is toen bij Koninklijk Besluit op zij gezet en vervangen door het collegialistisch Reglement van heden, dat eene synodale bestuursorganisatie regelt, welke vierkant in strijd is met hetgeen we vroeger hadden en — in beginsel — weer terug moeten krijgen.
Die Dordtsche Kerkorde is het officieele stuk altijd geweest voor de Gereformeerde Kerken van Nederland. Maar deze classieke Kerkorde vindt haar voorbereiding in de Wezelsche Artikelen van 1568, waarin voor 't eerst door de Kerken zelve de algemeene regelen voor de goede orde van het kerkelijk leven zijm aangegeven, opgesteld en verbindend verklaard; opdat alle dingen eerlijk en met orde zouden geschieden; of, zooals art. 1 van de Dordtsche Kerkorde zegt: „om goede orde te houden in de gemeente van Christus". Als we „de Wezelsche Artikelen van 1568" ter hand nemen, is het eerste wat we lezen dit:
"Eenige bepaalde punten of artikelen, welke de Dienaren der Nederlandsche Kerk voor den dienst dezer Kerk deels noodzakelijk, deels nuttig hebben geoordeeld. De Apostel Paulus schrijft voor, dat in de Kerke Gods alle dingen betamelijk en met orde moeten geschieden, opdat niet alleen in de leer, maar ook in de orde zelve en de kerkelijke regeering van het ambt een eenparige overeenstemming van de Kerk vaststa en onderhouden worde. Opdat nu in alle Nederlandsche Kerken een volkomen gelijke regeling van deze zaken in acht kunne genomen worden, heeft het ons goed gedacht deze navolgende punten, waaromtrent wij bij de best gereformeerde Kerken zijn te rade gegaan, naar orde voor te stellen, opdat zij tot eene voor de Kerk heilzame vrucht door de Nederlandsche dienaren met eenparige overeenstemming bezegeld en onderhouden mogen worden".
Hier zien we, dat de gereformeerde Kerken in de Zuidelijke en Noordelijke Nederlanden als één Nederlandsche Kerk, de saamhoorigheid voelend, wenschten saam te leven in goede orde, welke eenparig werd vastgesteld, bezegeld en onderhouden, om zóó als de Kerke Gods in Nederland in I e e r en Ke r k o r d e als één lichaam, als één geheel, uit te komen in deze landen.
Hoe meer Kerken er tot openbaring zouden komen hier en daar, hoe meer Kerken zich bij de rondom dezelfde leer en onder dezelfde Kerkorde vereenigde Kerken zouden moeten bijvoegen. Om dan „er naar te streven, dat er gemeenschappelijk gelden bijeengebracht worden tot het saamroepen eener provinciale Synode van geheel Nederland, ten einde door een wettige Synode kunne vastgesteld worden wat in deze en alle andere zaken dient nagekomen te worden ten bate van de gemeenschappelijke inrichting der Kerken en de onderhouding van een zoo voortreffelijk mogelijke orde". (Hoofdstuk I, § 3 van de Wezelsche Artikelen van 1568).
De plaatselijke Kerken zijn de grondvorm van ouds geweest in het midden van de Nederlandsche Gereformeerde Kerken, die zich tegelijk zoo gaarne Nederlandsche Kerk noemden (zie Inleiding op de Wezelsche Artikelen), omdat de saamhoorigheid en de éénheid allernoodzakelijkst moest blijken en op alle manier moest worden bevorderd en bewaard. „Want het komt noch met het gezag der Schrift noch met de billijkheid der wetten overeen, dat die dingen, welke gelijkelijk allen aangaan, door de eene of andere Kerk alleen zouden worden vastgesteld zonder dat de andere Kerken gehoord zijn, op welke zij even zeer betrekking hebben". (Hoofdstuk I, § 4 van de Wezelsche Artikelen).
Als ideaal stelde men zich dus een samenleven der Gereformeerde Kerken, waarbij vertegenwoordigers van die plaatselijke Kerken op gezette tijden en op nader te omschrijven manier zouden samen komen, opdat door de Kerken saam gemeenschappelijk zou worden geordonneerd wat voor een gemeenschappelijke Kerkorde noodig of nuttig was. (Hoofdstuk I, § 7).
Naar verdeeling der classes moest dan worden gestaan, kortom naar „ordening van de geheele Kerk" (Hoofdstuk I, § 7), waarbij regelingen moesten worden getroffen, die zoo noodig „verbeterd en in een juisteren vorm gebracht zouden worden", (slot § 7).
Overal „waar de deur des Evangelies geopend werd" moest „een band gelegd" en „de eenparige overeenstemming der Kerken bewaard worden", en ieder was gehouden voor zich in de Kerk, waarover hij gesteld was, zich aan de regeling te houden, zoolang, „totdat na het samenroepen der Synode iets beters en volkomeners zal zijn verordend (§ 8).
De vrijheid der Kerken mocht niet aan banden gelegd worden wat betreft „de middelmatige dingen, die noch in de leer of het voorbeeld der Apostelen een vasten grondslag hebben". Er is geen noodzakelijke en onvermijdelijke reden, om in zulke dingen de vrijheid der Kerken aan banden te leggen. Dat mag en moet niet geschieden zoowel „om tyrannie over de consciëntiën te vermijden, als om alle aanleiding tot twist af te snijden". Het zal aan ieder vrijstaan in deze te volgen wat de omstandigheid en de ondervinding hem zal geleerd hebben dat het beste past". „En dat wel zóó lang, totdat door de provinciale Synode over zulke zaken iets zekers zal vastgesteld hebben". (§ 9).
(Wordt voortgezet).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 januari 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 januari 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's