De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

INGEZONDEN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

INGEZONDEN

6 minuten leestijd

OEGSTGEEST, 9 Jan. 1928.
Geachte Redactie,
Het blijkt werkelijk noodig, nog eens te zeggen, dat ik niet verlangde dat prof. Visscher nog eens citeeren zou wat U zoo vriendelijk waart van mijn hand te plaatsen, doch dat ik alleen zeide: prof. Visscher beweert, dal ik in „De Bazuin" verdachtmakend schreef, en dat heeft hij niet door een citaat uit die eerste Bazuin-copie bewezen. Hij kan 't ook niet; 't is maar een booze bewering van den hoogleeraar, waarover hij nu met rijmen heenloopt.
Op die rijm-wijsheid behoef ik wel niet nader in te gaan. Prof. Visscher moet het maar zelf weten, hoe men zakelijk argumenteert, al of niet berijmd, of — ik denk aan dat voor-noch nadeel — den schijn van logica zoekt. Met beleefden dank voor Uw geduld.
Hoogachtend, Uw dw., K. SCHILDER.

NEDERLANDSCHE CHRISTELIJKE RADIO-VEREENIGING.
HAARLEM, 16 Januari 1928.
Geachte Redactie,
Mag ik nog even antwoorden op de beide ingezonden stukken van het Herv. Kerk-Comité en mr. Van der Deure, in het laatste nummer van ons blad? Bij voorbaat vriendelijk dank.
In de allereerste plaats mijn woord van hoogachting en waardeering voor den persoon van mr. Van der Deure, den sympathieken voorzitter der N.C.R.V., die zoo glashelder heeft aangetoond dat de fout van het weinig uitzenden der predikaties van Bondspredikanten niet berust bij het bestuur der N.C.R.V. Hij heeft mij ten volle overtuigd, dat er van geen bevoorrechting sprake is en ik acht het mij een eer te verklaren, dat ik alles wat grievend of verdachtmakend zou geweest zijn in mijn vorig „Ingezonden", ridderlijk terugneem. Ik vind hierin voor een christen niets vernederends, nu het gebleken is dat mijne gevoelens op een misverstand berustten. Ook het schrijven van het Herv. Kerk-Comité heeft mij bevredigd. Ik vraag mij echter af, waarom zoo'n heldere uiteenzetting van den stand van zaken niet eerder is gepubliceerd. Dan zouden mijn „bittere" woorden zeker niet uit de pen gevloeid zijn. Dat de schuld door weinige medewerking (of is hier beter: tegenwerking?) geheel aan Hervormde zijde ligt, is nog nooit eerder zoo duidelijk medegedeeld. Al is het voor ons, Hervormden, diep beschamend, toch ben ik blij, dat de waarheid nu zoo klaar aan het licht is getreden. Een woord van hulde voor onze broeders uit de Geref. Kerken, die deze zaak zoo energiek hebben aangepakt! Waarom kan dit bij ons niet? Moet dit zoo blijven, leden van den Geref. Bond? Waar blijft de medewerking van onze kerkeraden en Bondspredikanten?
Mogen wij ons blijven onttrekken aan het zoo belangrijke cultureele werk van den Christelijken Omroep? Dat kan niet dan tot schade van onze Hervormde Kerk zijn! Is het niet diep bedroevend, dat van de 20 Hervormde predikanten slechts 2 zich bereid verklaarden voor een radiospreekbeurt? Voor dit zoo hoogst belangrijke werk is voor een excuus m.i. geen sprake!
Velen beschouwen de radio nog alleen als een ontspanning en beseffen niet, dat zij een even, zoo niet machtiger, middel dan de pers is om alle lagen van ons volk te bereiken. Wil ds. Van Grieken onze predikanten en kerkeraden in ons blad niet eens wijzen op hunne verantwoordelijkheid in dezen?
Ik schrijf nogmaals: Dit moet anderen en spoedig! Laten de Bondspredikanten nu eens niet weigeren om een radio-beurt te vervullen, b.v. in de week, en onze kerkeraden medewerken om geld beschikbaar te stellen voor de uitzending van een preek des Zondags. Dan kan er belangstelling komen in onzen kring voor het zoo gezegende werk van de N.C.R.V.; een belangstelling, die ten volle verdiend is. Deze Vereeniging verdient ons aller steun! Ik hoop, dat ook ds. Schilder, van Oegstgeest, die mij naar aanleiding van deze zaak schreef, tevreden is gesteld. Het antwoord is nu aan alle Bondspredikanten en Gereformeerde kerkeraden in onze Hervormde Kerk.
Met veel dank voor de plaatsing.
AUG. C. VAN DE WALLE.
Spaarndammerweg 43, Haarlem.

Geachte Redactie,
Uw artikel over de ambten las ik met belangstelling en instemming. De diakenen onzer Kerk zijn menigmaal niet anders dan uitdeelers van een kerkelijke kas, die den naam van Diaconie draagt, en ook in de Gereformeerde gemeenten zijn zij weinig of niet uitdeelers van de menigerlei genade Gods in het werk der barmhartigheid. Het is louter bedeelen van de armen en geen dienst der barmhartigheid voor de broeders en zusters. Het is te verstaan, dat een behoeftige uit ander milieu — uit wat men noemt beteren stand — zich niet tot de Diaconie wil wenden. Men beschouwt het als een schande. Terwijl Christus in Zijn gemeente het werk der barmhartigheid wil laten schitteren, maken de diakenen, ook in de Gereformeerde gemeenten, er veelal een miniatuur van.
U schrijft zoo terecht: de diakenen hebben een apart ambt, dat niet bij de regeering der Kerk behoort.
Ik ben overtuigd, dat, als de Diaconieën onzer Kerk meer zelfstandig waren — dit wil heelemaal niet zeggen: los van de Kerk; dit wil ook niet zeggen: onder het toezicht der Kerk uit — dan zou menige diaken dit niet langer blijven. Want velen onzer diakenen zitten er om de eer dat zij „in den kerkeraad zitten".
Het behoorde te zijn, ook in de kleine gemeenten: predikant(en) en ouderlingen regeeren, en de diakenen worden eenige malen per jaar tot den kerkeraad geroepen om de algemeene beginselen en juiste methoden te bespreken, om verslag te doen en op geregelde tijden rekening en verantwoording.
En dan het formulier tot bevestiging van diakenen! Is dat zoo naar het Woord Gods? Het is in deze dagen overal traditioneel voorgelezen. Eerst de ouderlingen, en dan als aanhang de diakenen.
Zijn de ambten van ouderiing en diaken niet zoo gewichtig, dat men den eenen Zondag de ouderlingen bevestigen moest met een Schriftverkondiging, die daarbij past? En den volgenden Zondag de diakenen, waarbij het Woord gebracht moest worden met 't oog op den dienst der barmhartigheid? Dan zouden de ambten weer gaan leven. Waarom staan de Kerkeraden en Diaconieën zoo afkeerig — want dat is het toch — tegenover de Diaconale beweging in onze Kerk? Ik vrees, dat het geweten een beetje klopt. Men wil zuiver zijn in de leer, doch die Diaconie, dat komt er minder op aan.
Hoe wordt het werk van Christus, den barmhartigen Hoogepriester, door menige Diaconie neergehaald!
DIACONOS.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 januari 1928

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

INGEZONDEN

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 januari 1928

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's