Art. 36 Ned. Geloofsbelijdenis.
I.
Het doel, dat ons thans voor oogen staat, is Artikel 36, het veelbesproken artikel onzer Nederlandsche Geloofsbelijdenis, historisch te beschouwen. Deze belichting heeft dezelfde waarde in politieken zin, als wat de rechte prediker in theologischen zin doet met een gedeelte van Gods Woord, n.l. het Schriftgedeelte beschouwen in verband met den tijd waarin, den persoon door wien, en de omstandigheden waaronder zulk Schriftwoord werd neergeschreven.
Zulk een arbeid ook ten opzichte van Artikel 36, moet zelfs nog meer voor de hand liggen en nog meer waarde hebben. Immers hoe ook erkend zal worden, dat kennelijk Gods Geest een Hervormer als Guido de Bray, den opsteller onzer belijdenis, heeft bezield, nochtans zal niemand zijn werk als onder gelijke inspiratie-kracht beschouwen als het werk der mannen Gods, door den Geest Gods gedreven om de ingegeven Schrift in menschelijk woord en beeld vast te leggen. De belijdenis heeft haar bewijsgrond van waarheid niet, zooals de H. Schrift, in zichzelf, maar in die zelfde H. Schrift. (Art. 7 Ned. Gel. Bel.). De belijdenis is een menschelijk opgesteld geschrift en heeft wel kerkelijke autoriteit, maar geen goddelijke.
Guido de Bray, de opsteller, werd in 1522 te Mons of Bergen geboren, en heeft, zooals hij het zelf uitdrukt, door een gestadig lezen der H. Schrift overtuigd, de Roomsche Kerk verlaten en zich bij de Hervorming aangesloten. Van 1548—'52 was hij in Engeland en heeft zich daar duchtig in de godgeleerdheid geoefend. Van 1552 — '56 dwaalt hij rond in de Zuid-Nederlanden en zoo treffen we hem in 1556 aan te Frankfort, waar hij Calvijn ontmoet. In 1559 keert hij terug naar zijn geboortestreek en komt in Doornik, doch preekt ook in Rijsel, Valenciennes, Mons en Antwerpen. Hij is nu een man geworden van grooten invloed voor de zaak der Hervorming in de Zuid-Nederlanden; hij onderhoudt een drukke correspondentie met binnen-en buitenland; van alle zijden vraagt men hem inlichting en raad; hij wordt geëerd als kundig en geleerd en gevreesd door zijn vijanden, die de gelegenheid zoeken hem in handen te krijgen.
In Doornik krijgt hij van een vriend de beschikking over een vervallen tuinhuis bij den stadsmuur. Daar zit hij veilig en kan studeeren en werken. Hier heeft de geleerde zijn werken der Reformatoren van Luther, Melanchton, Oecolampadius, Zwingli, Bucer, Bullinger, Kalvijn, en hier is ongetwijfeld geschreven en in 1561 in 't licht gegeven de Confession de Foy (de Geloofsbelijdenis).
Het oude tuinhuis is de geboortekamer. Hij moet in kort bestek de Waarheid Gods, de leer der Schrift voor al zijn verstrooide Gemeenten onder het Kruis, samenvatten, en hij doet dat in 37 Artikelen. Hij moet voor dwaalleer waarschuwen en dus heeft meer dan één artikel een slotclausule, als Artikel 12. Zoo verwerpen wij de dwaalleer der Sadduceën en Manicheën. Art. 13, en hierom verwerpen wij de dwaling der Epicureën. Art. 15, en hierom verwerpen wij de dwaalleer der Pelagianen. En zoo in Art. 36: En hierom verwerpen wij de Wederdoopers.
In den nacht van 1 op 2 November 1561 wordt de Confessie met een grooten begeleidenden brief in een pak gewikkeld over den kasteelmuur te Doornik geworpen, en komt in handen van Montigny. In den brief stond een warme verdediging van de vervolgde Hervormden, en de Confessie er bij gesloten was de omschrijving van het geloof dier vervolgden. Den 19den December werd de Confessie aan Filips gezonden. Nu moest de Koning dan maar zelf lezen, of dit een volk van oproermakers en snoodaards was. Deze brief is een kreet om recht. Neen, de Koning moest deze vrome lieden niet verwarren met de Wederdoopers, die secte en muiterij aanrichtten en den grondslag van het christelijk geloof en de christelijke samenleving ondermijnden. En inplaats van deze gehoorzame dienaren van den Koning om hun geloof te vervolgen, zijt gij, o Koning, als Overheid verplicht om het Koninkrijk van Jezus Christus te bevorderen. En zoo heeft Guido de Bray in zijn ijver om dat Koninkrijk te vorderen en om vooral de Wederdoopers in al hun antichxistelijkheid aan de kaak te stellen, den Koning herinnerd aan zijn dure verplichting om den heiligen dienst der Kerk te handhaven. En de Koning was niet anders van plan. Maar hij was Roomsch en een trouw zoon der Oude Kerk, en hij wilde daarom liever niet dan over één ketter regeeren. En daarom deed hij zelfs meer dan Guido de Bray vroeg: Inplaats van de ketterij uit te roeien, wenschte hij daartoe de ketters uit te roeien. En daarom moest, het koste wat het wilde, ook de man van dit geschrift, deze Confessie, gegrepen worden.
(Wordt voortgezet). P.A. v. S.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 januari 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 januari 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's