De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Prof. Hepp's onschriftuurlijke leeringen.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Prof. Hepp's onschriftuurlijke leeringen.

7 minuten leestijd

I.
Prof. Hepp heeft nu een zeer uitgebreid artikel geschreven tot toelichting zijner vroegere beschuldigingen. Tot mijn genoegen kan ik constateeren, dat de nu aangeslagen toon iets minder hoog is dan in den beginne. Ik zal daarom dan ook thans van zijne beweringen nota nemen en de ongegrondheid daarvan in het licht stellen.
Prof Hepp zegt aldus: „Een van onze hoofdbezwaren is hierin gelegen, dat zijn (d.w.z. prof. Visscher's) uitgangspunt bij het licht van de Gereformeerde belijdenis bezien, niet het juiste is". Met welk artikel der Gereformeerde belijdenis ik dan in strijd ben, zegt hij niet. De strijd met de belijdenis moet echter hieruit blijken: „Hij wil Genesis 2 en 3 verklaren uit Mozes' milieu. Voor prof. Visscher is dit de hoofdzaak: wat heeft Mozes bedoeld?" En dit zou dan zijn in strijd met de belijdenis! Toch is het ook voor den eenvoudigste duidelijk, dat zonder de bedoeling der gewijde Schrijvers de zin der Schrift niet kan worden verstaan en dat het er voor alles op aankomt dezen precies te kennen. Volgens prof. Hepp was ook Calvijn met de belijdenis in strijd, toen hij er nadruk op legde, dat men „het wezen der gedachte" der Schrijvers slechts kan leeren kennen „uit de woorden in hun waren en natuurlijken zin" en toen deze Hervormer alle spitsvondige en gewrongen verklaringen afsneed. En niet slechts Calvijn heeft dit geleerd, maar alle Gereformeerde theologen zonder onderscheid. Alleen de afwijkende richtingen deden anders. En deze methode van Calvijn is de eenig juiste. De eenvoudigste begrijpt, dat zonder den zin der woorden van de Schrift absoluut niets verstaan kan worden.
Trouwens prof. Hepp veroordeelt zichzelven. Hij verwijst naar het voorbeeld van den apostel Paulus, die in 1 Tim. 2 vers 11—14 een beroep doet op het paradijsverhaal om de Christelijke waardeering van de vrouw te verklaren. „Volgens den hermeneutischen regel van prof. Visscher hebben wij dus te vragen: wendt Paulus deze elementen uit het paradijsverhaal tot dezelfde doeleinden aan als Mozes in Gen. 2 en 3 ? Het antwoord kan niet anders dan ontkennend luiden. Paulus gebruikt deze elementen om de vrouwen haar plicht voor te houden. Zoo komt het in Gen. 2 en 3 niet voor. Bijgevolg mag men naar den hermeneutischen regel van prof. Visscher 1 Tim. 2 vers 11— 14 niet normatief stellen voor de exegese van Gen. 2 en 3".
Zie hier nu het duidelijk bewijs, dat prof. Hepp noch van den hermeneutischen regel van prof. Visscher, noch van de methode van Paulus iets verstaat. Als iemand weten wil wat de apostel Paulus leert, gaat hij dit dan onderzoeken bij Paulus of in Genesis? En als iemand wil weten, wat Mozes leert, onderzoekt hij dit dan in de geschriften van Mozes of in die van anderen? Welnu, wat blijkt nu uit 1 Tim. 2 vers 11—14 anders dan dat de apostel Paulus precies hetzelfde deed als prof. Visscher op zijn voorbeeld. Hij las het paradijsverhaal, kende uit dit verhaal precies wat Mozes gezegd heeft en leerde daaruit de positie der vrouw zooals deze krachtens schepping is, en dus wezen moet.
Zoo blijkt dus uit de nauwkeurige kennis, die Paulus genomen heeft van Mozes' woorden, dat Paulus een beter exegeet was dan prof. Hepp, die meent het zonder de juiste kennis van de woorden der Schrift te kunnen doen, daar hij over eene hoogere bedoeling des Geestes beweert te beschikken.
Vervolgens wijst prof. Hepp op de geschiedenis van Bileam, 2 Petr. 2 vers 16. Volgens prof. Hepp is het verhaal in Numeri 22 „niet anders dan eene historische beschrijving". Uit deze opmerking blijkt duidelijk, dat prof. Hepp een geheel onjuiste, in den grond moderne Schriftbe­ schouwing voorstaat, ondanks de theologische termen uit de 18de eeuw, waarmede hij schermt. Immers in dien zelfden brief, 2 Petr. 1 vers 19, had hij kunnen lezen, dat het profetisch woord een „licht is, schijnende in eene duistere plaats", waarop de gemeente acht moet geven. Niet omdat er historische verhalen in staan, maar omdat de historie des Ouden Verbonds in de Godsopenbaring hare plaats en functie heeft en er dus leering in is te vinden, die naar de godzaligheid is. En die leering is ook te vinden in Bileams geschiedenis. En Petrus laat dit zien. Ook Petrus deed toen evenals Paulus en hij las wat er geschreven staat in Numeri 22 en deed dit ook weer veel beter dan prof. Hepp. Prof. Hepp beweert namelijk, dat uit Numeri 22 niet zou blijken, „dat de ezelin dus met geartikuleerde woorden „met menschenstem" tot Bileam heeft gesproken". Doch het blijkt, dat Petrus Numeri 22 vers 28 zeer juist heeft gelezen en in zijne woorden den juisten zin precies .heeft weergegeven. Er staat toch geschreven: „De Heere nu opende den mond der ezelin, die tot Bileam zeide: wat heb ik u gedaan, enz, " Als nu de Heere den mond van het dier opent en het dier spreekt, dan kan dit toch immers nooit anders geschied zijn dan op de wijze als Petrus schrijft: „met menschelijke stem". Dus Petrus heeft Mozes' bedoeling precies weergegeven. En Petrus volgde dus dezelfde methode, die prof. Visscher als de juiste aangaf.
Daaraan voegt nu prof. Hepp nog toe: „Hierop zinspeelt misschien prof. Visscher, als hij beweert, dat ook in Mozes' dagen mensch en dier zoo gemeenzaam met elkander omgingen, dat er bij het spreken van een dier niet altijd aan een spreken met hoorbare stem moet worden gedacht".
Neen, prof. Hepp, daarop zinspeelt prof. Visscher in het geheel niet. Zoo ergens, dan blijkt hier, hoe geheel onjuist de methode van prof. Hepp is, die hem er toe brengt van alles alles te maken, zoodat ook de duidelijkste uitspraken tot duisternis worden. Als prof. Hepp zich eens eerst de moeite getroost had te lezen, wat de H. Geest door de gewijde Schrijvers heeft laten schrijven, zou hij gezien hebben, dat er tusschen de wijze, waarop dezelfde Mozes het spreken der slang in het paradijs verhaalt en het spreken der ezelin in Numeri 22 wordt meegedeeld, een groot verschil is. Voor ieder die lezen kan, is het duidelijk, dat Mozes weet in Num. 22 vers 28 te doen te hebben met eene geheel bijzondere openbaringsdaad Gods, want hij zegt met nadruk: „De Heere opende den mond der ezelin". Maar als de slang in het paradijs spreekt, zegt hij volstrekt niet, dat de Heere den mond der slang opende. Daaruit blijkt dus heel duidelijk, dat het spreken van de ezelin iets anders is dan dat der slang. Dit zijn twee geheel verschillende zaken. Blijkbaar is dit aan prof. Hepp ontgaan en heeft hij noch de Schrift, noch mij begrepen, want als ik dit onderscheid niet had ingezien, zou ik Numeri 22 vers 28 in het geding hebben gebracht. Maar ik liet dit na, omdat het geheel verkeerd is en verwarrend op de exegese van het paradijsverhaal inwerkt, als de ezelin van Bileam in haar spreken als model wordt genomen voor het spreken der slang.
Dit doet blijkbaar prof. Hepp. En is dit misschien de Assensche geheimleer? Welnu, dan berust deze op een geheel onjuiste exegese en is Assen's standpunt niet in overeenstemming met de Schrift, want van de slang wordt niet gezegd, wat van Bileams ezelin wel wordt gezegd. En wie nu gelooft met de apostelen, dat de Schrift van God is ingegeven, die kan niet gelooven, dat het precies hetzelfde is of er iets staat, dan wel of er iets niet staat. Dat kan alleen zoo zijn voor wie het Schriftuurlijk standpunt prijsgeeft door bedoelingen te zoeken, die boven de bedoeling der Schrijvers uitgaan.
(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 januari 1928

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Prof. Hepp's onschriftuurlijke leeringen.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 januari 1928

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's