MEDITATIE
Wist gij niet?
Wist gij niet, dat ik moest zijn in de dingen Mijns Vaders? Lukas 2 vers 49b.
„De eeuw van het kind". Zoo luidt een der eeretitels, uitgereikt aan den tijdkring, waarin wij leven. Wat hieronder verstaan wordt, is niet zoo heel moeilijk weer te geven. Het kind neemt de eereplaats in. Op alle terrein wordt ruimte gemaakt voor het kind. Aan opvoeding in het algemeen, aan vorming van het leven, aan ontwikkeling van geest en lichamelijke gezondheid worden sommen ten koste gelegd, welke spotten met de stoutste verbeelding. Het geslacht, dat bezig is heen te gaan, schudt hierover meewarig het hoofd, zeggende: „Wat was het toen wij jong waren, toch heel anders".
Ongetwijfeld is dit ook zoo. De tijden zijn veranderd. Het kind heeft een andere plaats ingenomen dan die het innam onder de vorige geslachten. Het kind blijft voorloopig de aandacht spannen. En, naar 't ons voorkomt, terecht. Immers ook Gods Woord ruimt daarvoor een wijde plaats in. Neemt maar als voorbeeld wat de Heere Zelf opmerkte tegenover Zijn eigen discipelen, toen deze juist meenden kinderen te moeten weren uit de nauwere aanraking met Hem. „Laat ze tot Mij komen en verhindert ze niet, want derzulken is het Koninkrijk der hemelen".
Wanneer ge van het Schriftuurlijke van dit standpunt nog niet geheel doordrongen mocht zijn, wil ik nog één Schriftwoord u voorleggen. „Leer den jongen de eerste beginselen naar den eisch zijns wegs, als hij ook oud zal geworden zijn, zal hij daarvan niet afwijken."
De eerste beginselen, de grondslagen dienen gelegd voor het verdere leven. Het spreekt dat niemand bij machte is aan het leven zelf de hand te leggen; een leven Gods wordt van boven af ingeplant maar wat wél dient te worden gedaan, waarmee zelfs geen oogenblik mag gewacht, is het bijbrengen van kennis omtrent de wegen des Heeren. Het staat er zoo duidelijk: „naar den eisch zijns wegs". Wat een kind noodig, heeft op zijn levensweg, moet hij weten. Den mensch moet niet alleen worden bijgebracht wat hij noodig heeft voor deze wereld, maar evenzeer voor de toekomende. En ziet, daarvan willen zoovelen niet weten. De gedachte leeft in wijden kring: dat kan later nog wel.
Dat in deze redeneering iets hapert, blijkt u zeer gemakkelijk. Vooreerst, een levensweg bezien in het licht van den tijd, is te kort genomen. Als de eeuwigheid er toch achter staat, moet hiermede worden gerekend. De eeuwigheid is zelfs het voornaamste. Dit is eigenlijk wat wij „het volle" noemen. Het andere is maar een tusschenvakje, dat zoo voorbij vliegt. Vóór men het weet, staat men aan den eindpaal. En wanneer men nu alleen maar bagage bij zich draagt voor het kleine stukje, wat zal men dan voor de groote eeuwigheid bedrogen uitkomen. En wat zooeven werd opgemerkt omtrent „dat kan later wel", is al te doorzichtig. Vooreerst: laat nooit na, wat heden kan geschieden. En vervolgens op dat „later" volgt zoo licht een „nooit".
Mogen wij u eens één ding opmerken? In onze eeuw staat de opvoeding van 't kind voorop. Zooals we zeiden, de sommen en de inspanning, hieraan ten koste gelegd, zijn enorm. En de uitkomsten, we zeggen niet, dat zij omgekeerd evenredig mogen worden genoemd, maar toch baarden zij een buitengewone teleurstelling. Insteê van in ontwikkeling hooger, is er eerder een dalende lijn aan te wijzen. Insteê van beschaafder, een in ruwheid en verwildering uitbrekende jeugd. De wereld zelve verkeert omtrent haar eigene resultaten in twijfeling.
Heeft dit aan ons niets te zeggen? De wachttoren dient vooral in onze dagen beklommen te worden door allen, wien het welzijn van land en volk lief is. Nooit veiliger is onze gang, dan wanneer we vragen: Wat zegt het Woord in dezen?
Laat ons eens zien wat daar staat aangaande het Kind Jezus.
„Wist gij niet, dat Ik .moest zijn in de dingen Mijns Vaders?"
Wie onzer zou nooit bij de voorstelling zijn bepaald geworden van den 12-jarigen Jezus in den tempel? Wat ge daar ziet is dit, dat aller oog zich richt op den knaap. Daarin is iets goeds gelegen, als we maar dit bedenken, dat niet al te veel aandacht moet worden gewijd aan wat de verbazing hier gaande maakt, doch dat we iets verder zoeken door te dringen. We willen de vraag dus alzoo stellen: Wat doet Jezus in den tempel? Het antwoord daarop luidt: Hij is bezig in de dingen Zijns Vaders. Voor wie zou dat nu zijn? Voor de Zijnen, die Hem erkennen als hun Vorst en Heer. Van Christus kan worden gezegd, dat Hij schooner is dan alle menschenkinderen. Hij is overal beminnelijk en aanbiddenswaardig.
Wanneer op het Kerstfeest de gang wordt ondernomen naar de kribbe, zoo voegt alles wat God vreest zich in den geest naast de herders of de wijzen. Bij de voorstelling in den tempel, wanneer de oude Simeon het Kindeke in zijne armen neemt, precies eender. Ook hier is het Kindeke aanbiddenswaardig. Maar toch is hier iets, wat zoo mogelijk nog dieper doet nederbuigen. Is nl. het Kindeke op moeders armen of in die van den ouden Simeon geheel passief, het treedt hier uit in het bewustzijn van Zijn heerlijke roeping. Hij zegt het zelf tot Zijn moeder: „Wist gij niet, dat Ik moest zijn in de dingen Mijns Vaders?"
Nu zal het zeker zich bewegen in de lijn, zooals we die ons hier zien gespannen, wanneer we achtereenvolgens de vraag eens stellen aan de ouders en daarna aan de kinderen, wat voor wenken hier door den hemel worden verstrekt.
Wat allereerst voor de hand ligt, is deze opmerking: Hebt gij wel gezien, ouders, waarheen we aan de hand van de Schriften ons hier zien geleid?
Maria en Jozef waren opgetrokken naar Jeruzalem. Dat deden zij altijd. Zoo was hunne gewoonte. En toen de gewettigde leeftijd daar was, werd ook het kind Jezus meegenomen. Natuurlijk, nadat het thuis in alles onderricht had ontvangen. Dat behoort ook zoo. De kinderen thuis laten en zelf opgaan, de kinderen vrij laten spelen, terwijl eigen paden worden begrensd, is op zijn best eene ongerijmdheid, 't Is eigenaardig, hoevele moeilijkheden nu meer worden gevonden dan in de dagen van voorheen. Sprak het vroeger niet als een vanzelfsheid, dat de kinderen mede optrokken naar het bedehuis? Was de prediking voorheen dan zooveel bevattelijker voor het kind dan thans? Wij zijn er zoo langzamerhand aan gewoon geworden, dat ieder zijn eigen prediker zoekt en dat de jeugd zich een eigen prediker ziet aangewezen.
Is onze gang in het natuurlijk leven ook zoo angstvallig? Geven we het kind ook niet een plaats aan den disch, waaraan wij zelf aanzitten? Och, spreekt me niet van „niets van begrijpen", „niets aan hebben". In het natuurlijke verbaast ge er u telkens over hoe de kleine oortjes toch wel iets opvingen van wat wij meenden dat hun zou voorbij gaan. Zou het in het geestelijke dan zoo geheel omgekeerd wezen? Veel van wat onbegrepen wordt opgelegd, blijkt in later tijd de teerkost te zijn op den weg. Neemt ze maar mee, ouders, brengt ze maar in den tempel.
Als ik er nog één ding aan mag toevoegen: Laat uw gebedsriem niet worden afgelegd. Blijft voor hen vragen, 't Is een booze tijd, waarin we leven. In onze lage landen kunnen we zien welke verwoestingen worden aangericht, wanneer de dijken doorbreken. Zou het in figuurlijken zin niet nog erger zijn? Zoo ooit is nu de bewapening in geestelijk opzicht van noode.
Och, wat lichten wij de hand vaak in het allernoodigste. Wie onzer gaat vrijuit? Zou de eerste bede niet moeten zijn, wanneer wij onze plaats in Gods huis innemen: Heere, doe genadiglijk verzoening over mijne zonde en straf toch niet het mijne vanwege mijne overtredingen?
Jozef en Maria brachten hun Kind in het heiligdom binnen. Zij werden het daar kwijt. Deze verloor zich geheel in de Schriften.
Daarin ligt al wederom een wenk besloten, n.l. dat Woord kan u wijs maken tot zaligheid. Nooit mag worden vergeten, immer blijft het met gulden letters op onzen levenswand geschreven: dit Woord, waarin Christus geheel zich verloor, is het waarbij gij kunt leven en waarbij gij kunt sterven. Onvoorwaardelijk buigen onder dat Woord, ziet, wat gevraagd wordt van ouders en kinderen tezamen.
En nu dient het kind zelf voor het aangezicht des Heeren geleid.
De vraag, welke door het kind Jezus aan Zijne moeder werd gedaan, kan ook — en inzonderheid in onzen tijd — door het kind aan menig ouder worden voorgelegd: „Wist gij niet, dat ik moest zijn in de din gen van Gods Koninkrijk?" Van alles hebt ge mij meegegeven, doch het ééne noodige werd me onthouden. Denkt u deze klacht eens in. Als het nu nog maar aan deze zijde van het graf mag zijn, en, zoo gij u schuldig weet, deze schuld wordt beleden en deze zonde zoo mogelijk vereffend. Maar denkt u nu de eeuwigheid in. Dat dan een kind tegen zijn vader en moeder zal zeggen: „Gij hebt het mij onthouden". Ik ben tot Christus niet heengeleid. Ge hebt dit wel beloofd, maar nooit werd het door u gedaan".
In de dingen Mijns Vaders moet Ik zijn, spreekt de Heere. Is hier geen wenk in opgesloten voor de kleinen? 't Eigenaardige in het leven is dit, dat van het gelijke eerder iets wordt aangenomen dan wat uit andere kringen komt. Let er maar eens op, hoe gevoelig de kinderen zijn voor de opmerkingen van hun klasgenooten. Eén woord daar, helpt vaak meer dan honderd van ouderen.
Zoo blijkt Gods wijsheid ook hier. Christus, zooals Hij hier optreedt, is nog knaap. Hij zegt: „Ik moet zijn in de dingen van Mijn Vader". Gevoelt gij niet de zuigkracht, welke hiervan uitgaat? Wie Mij vroeg zoeken, zullen Mij vinden, zegt de Heere. Hier geldt ook: Nooit te vroeg, steeds te laat. Het is geen verloren tijd, als ge den Christus gevonden hebt voor uw leven.
Tot jong en oud strekt Hij beide Zijne handen uit. Zooals de gewone voorstelling van Hem is als knaap in den tempel: alles ziet tot Hem op.
Doe gij het ook, lezer, hoor wat Hij zegt: „Ik moet zijn in de dingen Mijns Vaders". Hij is bezig, zoo luidt de boodschap tot elken verlegen zondaar, die maar nooit met zijn arbeid bij God gereed komt, voor u. De Hemelgebieder heeft op Zijn hand uw arbeid gezet. Hij maakt het af, geheel, opdat ook gij eenmaal, en dan voor eeuwig, zijn moogt in de dingen uws Vaders.
Als dat u ten deel mag vallen, zal Hij, die dit bewerkt heeft, U nog liever zijn dan ooit te voren. Immers dan zal worden aanschouwd: Hij heeft het bij den Vader voor mij alles in gereedheid gebracht.
't Is alles gereed. J.GOSLINGA
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 januari 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 januari 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's