KERKELIJKE RONDSCHOUW
De Reorganisatie-beweging (5)
Bij de Reorganisatiebeweging gaat 't om een andere dan de huidige Synodale Organisatie. De Hervormde Kerk is niet, zooals eene bekende legende het voorstelt, in 1852 vrij gemaakt. Ze is toen zóó aan de Synodale Organisatie vastgesmeed en ingekerkerd gebleven, dat het wel heel, heel moeilijk zal zijn om haar daaruit bevrijd te krijgen. En dat zouden we toch zoo graag willen, omdat de Besturen-organisatie of de Bestuursinrichting van onze Hervormde Kerk onwettig is in oorsprong, onbijbelsch in karakter, onnatuuriijk in haar wezen, in 't geheel niet passend bij de Kerk met hare ambten. Deze hiërarchische Bestuurs-organisatie, van buiten opgelegd en in 't geheel niet passend bij de eigenaardigheid van eene Gereformeerde Kerk, moet radicaal weg en vervangen worden door een presbyteriale Kerkinrichting, waarbij het overeenkomstig het wezen der Kerk en de beginselen in Gods Woord daaromtrent geopenbaard, gaan moet om de ambten en om de kerkelijke samenkomsten van Kerkeraad tot Classicale Vergadering, Provinciale Synode en Nationale Synode der Kerken.
We zijn niet tegen reglementen, verordeningen, bepalingen, wetten — want zeker is het waar, dat de Schrift zegt: „Waar de Geest des Heeren is, aldaar is vrijheid", maar dat wil geenszins zeggen; „aldaar heerscht willekeur". Dat alles met orde en in eerlijkheid geschiedt, is bijbelsch. En daarom ontkomt ook geen kerkelijk samenleven aan kerkelijke ordinantiën, regelen, voorschriften, bepalingen, wetten, artikelen.
Zelfs willen we gaarne ook het goede erkennen in onze tegenwoordige Reglementen.
Maar heel de opzet van den Reglementenbundel is naar aen aard van de hiërarchische Besturen-Organisatie en daarom zijn we principieele tegenstanders van dien Reglementen-Bundel, die alles natuurlijk zet in het teeken van besturen, die regeeren en bevelen, waarbij niets kerkelijk, door de Kerken in kerkelijke vergaderingen, kan en mag geschieden. De spil draait niet om de Kerk en de ambten, maar om de besturen — en dat is natuurlijk overal in den Reglementenbundel te bemerken, maar wordt dan ook principieel door ons veroordeeld. Waar bij de eisch is: niet reglementswijziging hier en reglementswijziging daar, maar Kerkorganisatie. Om dan voor de gereorganiseerde Kerk, die drijft op de ambten en de kerkelijke vergaderingen, ordinantiën en regelen te stellen die aan het wezen van de Kerk en het ambt beantwoorden en in den geest van de oude geretormeerde Kerke-ordeningen zullen moeten zijn, waarbij — om één ding te noemen — een altijd weerkeerend fundamenteel beginsel was en bleef: „Gheen Kercke sal over een ander Kercke, gheen Dienaar des Woorts, gheen Ouderlinck noch Diaken sal d' een over d' ander heerschappie voeren, maer een yegelyck sal hen voor alle suspiciën, ende aenlockinge om te heerschappen, wachten".
Het ideaal van de Reorganisatie is dus méér dan reglementswijziging; 't is principieele verandering van kerkelijk samenleven om met een p r e s b y t e r i a l e K e r k i n r i c h t i n g in den weg van het ambt en door middel van kerkelijke vergaderingen eendracht te voeden en te bewaren, saam levend in gehoorzaamheid aan God, naar de beginselen in Zijn Woord ons gegeven.
In den weg van reglementswijziging, in den weg van orde, daartoe in het midden onzer Hervormde Kerk te komen, is ons ideaal.
Daarbij zal ons dit voor oogen moeten staan:
de plaatselijke gemeente moet staan onder leiding, onder regeering en besturing van den Kerkeraad, waarbij de leden der gemeente in bijbelschen zin mede-levend en mede-werkend zijn ;
de Kerken in dezelfde Classis moeten op gezette tijden bijeenkomen door middel van predikanten en ouderlingen, door de plaatselijke gemeenten afgevaardigd, om de belangen der Classicale Kerken te behartigen en eendracht en eenigheid te voeden, te bewaren en te onderhouden in gehoorzaamheid aan Gods Woord;
de Kerken uit dezelfde Provincie moeten op gezette tijden samenkomen door afvaardiging van de Classicale Vergaderingen uit dezelfde Provincie;
de Algemeene of Nationale Synode moet om de twee of drie jaar samenkomen als de breedste vergadering van de landelijke Kerken.
De administratieve en uitvoerende werkzaamheden van den Kerkeraad behooren thuis bij het Moderamen van den Kerkeraad, van de Classicale Vergadering, van de Provinciale Synode en van de Algemeene Synode bij Deputaten of Commissiën, opdat alles eerlijk en met orde geschieden kunne. Voor al deze Vergaderingen en Commissiën zijn predikanten en ouderlingen als ambtsdragers der Kerk allen verkiesbaar en liefst na een bepaalden tijd niet aanstonds herkiesbaar, opdat alle ambtsdragers op hun beurt in de Kerkelijke Vergaderingen en Commissiën aanzitten zullen, om eendracht en éénheid der Kerken te bevorderen, te oefenen en te bewaren in gehoorzaamheid aan Gods Woord.
Bij dit alles kan en moet gevoegd worden: correspondentie met binnen-en buitenlandsche Kerken van dezelfde belijdenis. Benevens — als hoofdbeginsel inbegrepen, maar toch hier extra nog genoemd — het brengen van vele geestelijke belangen, nu door particuliere organisaties, vereenigingen of bonden behartigd, in verband met de Kerk, zooveel dit mogelijk en wenschelijk is, opdat de Kerk verrichte wat naar den aard en het wezen der Kerk door de Kerk zelve in kerkdijken weg moet worden verricht, doch nu, door nalatigheid van de Kerk en door de ongelukkige Bestuursorganisatie, aan vereenigingen enz. is overgelaten (b.v. Zending onder heidenen. Joden, enz.). Dit alles zal het geestelijk meeleven der gemeente zekerlijk bevorderen en het kerkelijk leven doen opbloeien.
Waarbij we als ons oordeel nog eens uitspreken, dat de tegenwoordige hiërarchische Bestuurs-organisatie van 1816—'52, in haar oorsprong onwettig, in haar karakter onbijbelsch en in haar wezen met de natuur der Kerk in strijd zijnde, de Hervormde Kerk in de impasse heeft gebracht, haar van den gewenschten invloed op en hare waardige positie in het volksleven heeft geroofd en haar verhindert als Christus' Kerk te staan als een pilaar en vastigheid der waarheid in het midden van onze Nederlandsche, Protestantsche natie.
Daarom willen we in principe geen wijziging en verbetering van de Bestuursinrichting, maar een v r ij m a k i n g van de Nederlandsche Hervormde Kerk naar haar aard en wezen, om haar te doen leven bij haar wettige belijdenis, niet Luthersch, niet Remonstrantsch, maar Gereformeerd zijnde, met een presbyteriale Kerkorde, opgebouwd uit de beginselen dier Kerkorde, opgebouwd uit de beginselen dier Kerk zelve.
(Wordt voortgezet).
De Walen.
In „de Kroniek" van het theologisch tijdschrift schrijft ds. A.B. te Winkel, van Den Haag:
»In de afgloopen maanden is ook de eindstemming der Provinciale Kerkbesturen bekend geworden. Laat ons hopen, dat alleen de eerbied voor het verleden het motief geweest is van de menschen, die hebben gestemd tegen de voorstellen inzake de Walen. Slechts een paar korte opmerkingen willen wij maken.
De eerste is, dat wij nu hopen, dat de Walen zelf zoo elegant zijn, om met een voorstel te komen. Zij hebben natuurlijk zelf medegestemd over hun eigen lot. Als die stemmen afgetrokken worden, was de zaak anders geloopen. Maar hoe dit ook zij, zelf zullen zij niet anders kunnen zeggen, dan dat er hoegenaamd geen evenredigheid is tusschen hun getal en hun positie. Zelfs als men aan het getal niet wil denken en op het foederatief verband allen nadruk legt, moet ieder erkennen, dat het toch buitengewoon onevenredig is, dat zij met een provincie gelijkgesteld worden. Gentlemanlike zal het zijn, als er nu een voorstel van hen komt. Of zullen zij nu hun steun geven aan de voorstellen van de Groote Synode, waarin zij met een classis gelijkgesteld worden en een stem in de Synode houden?«
Het Veto-recht.
Daarover is al dikwijls gesproken de laatste jaren. Dat veto-recht van de Prov. Kerkbesturen. Want men kan zeggen, dat de Synode in onze Herv. Kerk het hoogste lichaam is — maar 't is niet waar! Het veto-recht van de Prov. Kerkbesturen is er óok nog! En eigenlijk regeeren de Prov. Kerkbesturen de Kerk. Als die zeggen: ho! dan ligt alles weer tegen den grond.
Ds. te Winkel schrijft er ook over in „de Kroniek" bovenbedoeld. Hij zegt er dit van:
„Er zijn hier argumenten voor en tegen te over, en met een enkel woord deze zaak uit te maken is niet doenlijk. Maar die geheimzinnigheid is toch wel heel erg. Als de rook bij het conclave opgaat, dan weet men het. Wij kunnen ons begrijpen, als er een wensch naar openbaarheid opkomt. Bij de verslagen der Synode worden, indien 't belangrijke aangelegenheden geldt, ook meer dan eens de namen der vóór-en tegenstemmers bekend gemaakt. Is er een bepaalde reden, waarom dit niet gebeurt bij de stemming van menschen, in wier handen de eindstemming is gelegd? Vergissen wij ons niet, dan is er eigenlijk geen enkele bepaling in onze reglementen, die de openbaarheid verhindert."
Ja — het is wel opvallend, dat velen, ook in de Herv. Kerk, vragen naar openbaarheid, b.v. van de Kerkeraadsvergaderingen, dat men in de hoogste bestuurscolleges van onze Herv. Kerk alles zoo met gesloten deuren en zoo zonder eenig verslag van het verhandelde doet. Zelfs behoeven de leden van de Prov. Kerkbesturen niet eens het argument, waarom ze tegen stemmen, te noeme; nog veel minder, dat er eenig veslag ofpublicatie van komt! Men telt de totaalstemmen van al de Prov. Kerkbesturen op, rekent de vóór-en tegenstemmen uit en alles is beslist!
Bij ons in Noord-Holland.
Ds. Buiskool, Herv. Pred. te IJsselmonde schrijft in De Gereformeerde Kerk: Wanneer gij voor het eerst Noord-Holland bezoekt met name de omgeving van de beroemde kaasstad — Alkmaar — komt al vrij spoedig de gedachte bij u op, dat de bevolking, met wie gij in aanraking komt, zeker niet erg godsdienstig is. Gij leidt dit af niet zoozeer uit het feit, dat ruwe woorden en ongeoorloofde uitdrukkingen hier meer door u worden vernomen dan elders wel het geval is, want in deze heeft de Noord-Hollandsche bevolking zich niet meer te verwijten, dan welke bevolking ook; — maar vooral doet de omstandigheid, dat waar gij ook over spreken hoort gij niets verneemt dat zelfs met den uitwendigen dienst des Heeren in verband staat, dusdanige gedachten bij u post vatten. En dit aanvankelijke vermoeden wordt voor u wel zekerheid, als gij gelegenheid vindt de bevolking dezer streek gade te slaan — vooral ten plattelande — niet op een gewonen werkdag, maar op den dag des Heeren.
Ook op dien dag toch ziet men als de doodgewoonste zaak de buitenmenschen in hun daagsche kleeren naar den akker gaan, inzonderheid in de morgenuren, om die te bewerken evenals zij dat iederen dag plegen te doen. En het mag nog wezen, dat het luiden eener klok u indachtig maakt, dat het toch de rustdag is, en dus tevens de dag, waarop de gemeente in het huis Gods behoort samen te komen: heel dikwijls hoort gij ook dat geluid niet, of het beantwoordt niet aan zijn doel. Heel gewoon is het toch, dat de vrijzinnige predikanten in Noord-iHolland, wanneer zij een vacaturebeurt elders hebben te vervullen, den dienst in eigen gemeente voor den geheelen dag stilzetten, kennelijk zonder eenig gewetensbezwaar van hun kant en zonder eenig protest van de zijde van kerkeraad of gemeente. En waar er dikwijls vacaturediensten zijn waar te nemen, luidt reeds deswege de klok des Zondags vaak in 't geheel niet.
Maar bovendien gebeurt het ook meer dan eens, dat een aangekondigde .dienst niet kan doorgaan; niet omdat de predikant plotseling ziek is geworden, maar uitsluitend omdat het buitengewoon gering aantal kerkbezoekers — soms geen vijf — het feitelijk ondoenlijk maakt den dienst voortgang te doen hebben. Spreekt gij bovendien, na dit te hebben gadegeslagen of te hebben vernomen, de bevolking dezer streek nog nader over deze dingen, dan blijkt u al ras, dat uw aanvankelijke gedachte van „niet erg godsdienstig" nog veel te goedgunstig is, en dat mag en moet worden gezegd, dat zij geestelijk geheel dood is.
En meen nu niet, geachte lezer, dat het alzoo gesteld is op een enkele der dorpen in de wijde omgeving van Alkmaar; neen veeleer is dit de gewone toestand. Er mag in dezen nog eenig verschil zijn tusschen het eene dorp vergeleken met het andere, maar allen vertoonen zij toch vrij wel hetzelfde bovengeteekende type. Waar dit de uitwendige openbaringsvorm van het godsdienstig-kerkelijk leven is, behoeft het niet te bevreemden, dat de kennis van, alsmede de belangstelling in geestelijke dingen bij den Noord-Hollander bedroevend gering is. Eigenlijk moet gezegd worden, dat deze dingen voor hem zelfs niet bestaan.
Reeds de meening, dat er een Opperwezen zoude zijn, door wien al wat bestaat geschapen werd en nog wordt onderhouden, klinkt hem als een ongerijmdheid in de ooren, om nu maar te zwijgen van andere waarheden, die reeds lang buiten den horizon van zijn gedachtenwereld vloden. En het ergste is, als hij soortgelijke meening uit, dat gij het zoo aan hem voelen kunt, dat dit niet zóó maar een driest ontkennen is, om iets te zijn en iets te toonen; maar dat deze meening inderdaad door hem gekoesterd wordt, en kennelijk reeds sinds lang vastgeklonken ligt in den bodem van zijn hart.
Geen wonder dan ook, dat een dusdanige Noord-Hollander zich zelfs de gedachtengang der Heilige Schrift niet kan indenken, en dat hij de in rechtzinnige kringen aanwezige mentaliteit niet vermag aan te voelen. Van vader en grootvader soms reeds af, werd het er bij hem zóó ingehamerd, — terwijl bovendien zijn voorgangers hem niet anders leefden, — dat wat in den Bijbel staat louter fabels zijn, dat hij u verbaasd aanstaart, indien gij anders betoogt. En indien gij ten overvloede dan nog naar voren gaat brengen de noodzakelijkheid van het geloof in Jezus Christus, met name de noodzakelijkheid van het geloof in Zijn verzoenend lijden en sterven, begint uw toehoorder alle begrip te ontgaan en kunt gij evengoed in een vreemde taal tot hem gaan spreken. En waar hij hem niet altijd voor een onontwikkeld man kan houden, beschouwt hij — al naar gelang dengene, die zoo tot hem spreekt — dezen óf als een duisterling óf als iemand, die hem willens en wetens dingen vertelt, waarin hij zelf niet gelooft.
Wie hoorde er toch ooit van dat zulke dingen waar zouden zijn! Dat vorige geslachten zulks geloofd hebben; maar in dezen verlichten tijd dat nog te gelooven! Waarlijk het verwaten rationalisme viert nog hoogtij in de streken, die in wijde uitgestrektheid liggen rondom Alkmaar.
En wat is nu de oorzaak ervan, dat het in die buurten zoo in-droevig gesteld is in geestelijk opzicht? Voor wie Noord-Holland heeft leeren kennen, biedt het beantwoorden van deze vraag geen moeilijkheden. Hij weet, dat het een sterk oordeel is; maar hij aarzelt toch niet om het uit te spreken, dat de geestelijke verdorring van deze streek vrijwel uitsluitend ten laste moet worden gelegd aan de moderne prediking, die hier sinds meer dan drie kwarteeuw is gebracht geworden.
De geschiedenis van den vierkanten circel
of
Een éénheid, welke geen eenheid is.
Dat is de geschiedenis van onze Hervormde Kerk hier in Nederland sinds 1816: men heeft er een éénheid willen maken, welke geen eenheid is. De meest tegenstrijdige geloofsovertuiging, de meest verschillende levensbeschouwing heeft men willen vereenigd houden in het midden van onze aloude Geref. Kerk. Maar men kan net zoo goed moeite doen een vierkanten cirkel te maken!
De Vrije Gemeente te Amsterdam, welke nu 60 jaar bestaat, heeft in 1877 — toen de strijd over de belijdenisvragen, de proponentsformule. Art. XI van het Algemeen Reglement enz. in vollen gang was, men zie ons boekje „Over de leervrijheid", dat dezer dagen de pers verlaat — gezegd: samenwonen van wie niet bij elkaar hooren, gaat niet samen houden van wat principieel verschilt, is oneerlijk, onoprecht, onmogelijk en niet toelaatbaar. Men vereenige niet wat gescheiden is!
Men werd in 1877 in de Hervormde Kerk gebonden — gelijk nu — door de leer, de belijdenis der Kerk, welke de orthodoxe leer, de rechtzinnige belijdenis is. Dat wilden de gebr. Hugenholtz niet en de Vrije Gemeente vverd gesticht. Waarheidszin dreef de stichters. De zin die de vrijzinnigen gingen leggen in de woorden, welke in de Hervormde Kerk gebruikt werden en gebruikt moesten worden, verschilde hemelsbreed van dien, welke de opstellers van de belijdenis er aan gaven en welke de Kerk er aan hechtte — en dat mocht op den duur niet. In godsdienstige dingen kan men niet eerlijk genoeg zijn.
Zoo werd de zeltstandige Vereeniging „De Vrije Gemeente" te Amsterdam opgericht. Als men daar sprak van Kerk, sacrament, geestelijke enz. enz., wilde men als vrijzinnige vrij uitkomen; en niet net doen alsof men nog zoowat orthodox was, terwijl men puur modern was. Men kon zich niet vereenigen met de formule „het Evangelie van Jezus Christus". Deze formule was totaal ongeschikt en kon niet anders dan misverstand werken. Het Christendom was ook maar een historische godsdienstvorm, die aan de wet van al het menschelijke onderworpen is — zei men. En er is — zoo verklaarde ds. Hugenholtz — volstrekt geen reden, waarom wij in onze godsdienstige samenkomsten uitsluitend den bijbel, niets anders dan de Israëlietische en oud Christelijke geschriften ten grondslag zouden leggen aan onze toespraken en overdenkingen.
De Vrije Gemeente was een Vereeniging om het godsdienstige leven aan te kweeken. En de tegenwoordige Voorganger, ds. Van Wijngaarden, was dan ook hierom blij, dat hij Hervormd dominé af raakte, toen hij de benoeming van Voorganger te Amsterdam aanvaardde, omdat er toch „scheefheid bestond tusschen de vrijzinnige waardeering van de sacramenten en de kerkelijke uitoefening". „Als Hervormd predikant moest men zijns inziens toch altijd een gevoel van onoprechtheid overwinnen bij de bediening der sacramenten, omdat men wist dat zij, die ze hadden ingesteld en het overgroote deel van hen, die ze nog vereeren, een geheel andere bedoeling met hen hadden dan men er thans in wilde uitdrukken". (Novembernummer van „Nieuwe Stemmen" 1927).
Onoprechtheid bij de vrijzinnigen in de Hervormde Kerk dus — —
Daarom is het zoo dwaas en zoo scherp te veroordeelen, wanneer men alle mogelijke moeite doet om in de Kerk bij elkaar te houden, wat niet bij elkaar hoort. We zien het ook weer in de Engelsche Staatskerk!
„Wil men het gebeurde in het juiste licht zien, zoo dient men zich te herinneren, dat, gelijk eens in ons land bij mannen als Van Oldenbarneveld en Hugo de Groot, zoo ook bij Hendrik VIII en Elisabeth, de begeerte voorzat om zoo velen als maar mogelijk was, in ééne Kerk te vereenigen en deze Kerk afhankelijk te maken van den Staat".
„In Engeland gelukte dit streven. De Anglicaansche Kerk werd nationale- en staatskerk en drukt sinds enkele eeuwen haar stempel op geheel het volk. Doch binnen die Kerk worden, gelijk zich dit begrijpen laat, de meest verschillende schakeeringen gevonden. "Men vindt er bestanddeelen, die nog sterke Roomsche sympathieën hebben, de z.g.n. Anglo-Katholieken, die gelooven aan de transsubstantiatie en op oud Katholieke wijze de mis celebreeren. Tegenover hen staan de z.g.n. laag-kerkelijken, wien het bovenal om de handhaving van de Protestantsche beginselen is te doen en die dan weder te onderscheiden zijn in rechtzinnigen en modernen. En tusschen deze beide uitersten bevinden zich degenen wien vooral het behoud van de eenheid der Kerk, van hare inrichting en tradities ter harte gaat, omdat zij daarin het behoud van eigen godsdienstig karakter van het Engelsche volk zien. Deze laatste richting wordt vooral voorgestaan door de hooge geestelijkheid.
Tot handhaving dier eenheid is men nu vele jaren bezig geweest om het Common Prayerbook gewijzigd te krijgen. Men hoopte daarmede zoowel de steeds sterker wordende Anglo-Katholieken als de moderne strooming te voldoen. Een inderdaad hopeloos werk! Toch deinsde vooral de nu 80-jarige aartsbisschop van Canterbury voor dit monnikenwerk niet terug. Twintig jaar lang was men met dien arbeid bezig. Het einde scheen het werk te kronen. De Kerk en het Hoogerhuis hadden daaraan reeds het zegel hunner goedkeuring gehecht. Daarop volgde de stemming in het Lagerhuis, hetwelk echter het vernieuwde gebedenboek, waarin zoowel de liturgie als de leer een plaats vindt, verwierp met 228 tegen 205 stemmen. Is het wonder, dat de eerbiedwaardige grijsaard, die zijn levenswerk zag vernietigd, tranen stortte toen hij den uitslag vernam?" („De Nederlander").
Een nationale-en staatskerk; een Kerk met een éénheid, welke geen eenheid is; een vierkante cirkel Een inderdaad hopeloos werk!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 januari 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 januari 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's