De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

GEESTELIJK OPBOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

GEESTELIJK OPBOUW

4 minuten leestijd

DE GEREFORMEERDE KERKORDE
of
HOE 't IN DE KERK DES HEEREN MOET TOEGAAN. (3)
In zekere mate dus vrijheid.
Wel aansturen op éénheid, op saamhoorigheid, op éénerlei kerkelijk leven en kerkelijk handelen door de Dienaren, door de Kerkeraden. Maar toch een zekere mate van vrijheid, bij middelmatige dingen, waarin dan de plaatselijke Kerken zelve moesten uitmaken hoe in deze gehandeld moest worden.
Zulke „middelmatige" dingen waren b.v. bij de bediening des doops: het onderscheid of men den doopeling één of twee of driemaal besprengt; voorts of de doop geschieden moet vóór of na de predikatie; of de zorg voor de gedoopten aan bepaalde daarbij geroepen getuigen, dan wel aan de ouders en de geheele Kerk moet worden toevertrouwd. Vervolgens bij de bediening des Avondmaals; of men aan tafel zal aanliggen, dan wel onder het staan of gaan brood en beker zullen worden uitgereikt; of men onder de Avondmaals-bediening de Schriften zal lezen of psalmen zal zingen, en wat meer van zoodanige dingen voorkomen — welke allerminst aan de vrije beslissing van iedere Kerk mogen onttrokken worden, tenzij om bepaalde en zeer zwaarwichtige oorzaken en nadat deze door de overeenstemming van de geheele provincie zijn goedgekeurd" (§ 9 slot).
Een bepaalde vrijheid van doen en laten bij de plaatselijke Kerk dus („iedere Kerk")
Die dingen echter, welke van een anderen aard zijn, omdat zij óf in Gods Woord óf in het gebruik en het voorbeeld der Apostelen óf in de voortdurende en op ernstige en noodzakelijke redenen steunende gewoonte der Kerken gegrond zijn, daarin zal men niet lichtvaardig van de gemeene overeenstemming der Kerken en de ingewortelde gewoonte afwijken. (§ 11).
Geen lichtvaardigheid dus, geen wispelturigheid, niet het willekeurig en eigenzinnig optreden van dezen of genen Dienaar of het handelen van een of anderen Kerkeraad. Men moest de éénheid zoeken en bewaren in het midden van de Kerken, maar dan ook in de middelmatige dingen een gepaste vrijheid, omdat de plaatselijke Kerken in die dingen eigen zeggenschap hadden en moesten houden.
De dingen, die noodzakelijk waren voor alle Kerken saam, werden in de WezeIsche Artikelen vervolgens „zoo volkomen en zoo beknopt mogelijk saamgevat". En dan treden op den voorgrond „de vier orden van bediening in de Kerk" die op het gezag der Apostelen er moeten zijn, te weten „de Dienaren, Leeraren, Ouderlingen en Diakenen".
De ambten dus. Niet als een stuk hiërarchie, niet als een restant van Rome. Geenszins. Enkel en alleen omdat Gods Woord 't ons alzoo leert, omdat het is „op gezag der Apostelen".
Alle Gereformeerde theologen zijn het hierover eens, dat de H. Schrift wel degelijk bepaalde beginselen voor de Kerkinrichting aangeeft; en die beginselen concentreeren zich altijd om de ambten van leeraar, ouderiing, diaken; om de vergadering van de Kerken; om het presbyteriale stelsel. (Hebr. 13 vers 7, 17;  Matth. 16 vers 19; 18 vers 18; Joh. 20 vers 21, 23; Hand. 15 vers 27—29; Efeze 4 vers 11, 1 Tim. 5 vs. 17; Hand. 20 vs. 17, 28; Hand. 7 enz.)
„Vier orden van bediening in de Kerk op het gezag der Apostelen, te weten de Dienaren, Leeraren, Ouderlingen en Diakenen, aan wie de zorg toekomt èn voor de zuivere bediening des Woords èn voor de eerbaarheid en de goede zeden èn voor de armen; terwijl vervolgens hieraan nog toegevoegd wordt de beschouwing van de Sacramenten en de kerkelijke tucht; welke te zamen met het Woord Gods de wettelijke kenteekenen der Kerk zijn". (§ 11 slot)
Hier hebben we dus in groote lijnen de structuur voor een goed geordend kerkelijk leven naar uitwijzen van Gods Woord :
de plaatselijke Kerken samen levend als één Kerk;
de ambten van leeraar, ouderling en diaken;
de bediening des Woords;
de eerbaarheid en de goede zeden gehandhaafd;
de verzorging van de armen;
de bediening der Sacramenten;
de kerkelijke tucht;
welke te zamen met het Woord Gods de wettige kenteekenen zijn der Kerk. „Zoo oordeelen wij voorzeker, dat als deze dingen op de rechte wijze zijn geordend, er dan niets meer is wat aan de ordening der Kerk nog grootelijks zou kunnen ontbreken". (§ 11, laatste zinsnede). Dit laatste is natuuriijk te boud gesproken. Men moet ook niet, als men nog maar heel aan het begin staat van iets, spreken alsof men al klaar is met alles! Maar dat doet er nu niet toe, voor 't oogenblik. Want met dit al hebben we toch de voornaamste punten, welke bij de ordening van het kerkelijk leven de aandacht moeten trekken: de plaatselijke gemeenten met den Kerkeraad; de Kerk in haar geheel met de ordeningen die noodig zijn; de ambten; de bediening des Woords; de bediening der Sacramenten; opzicht en tucht.
(Wordt voortgezet).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 januari 1928

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

GEESTELIJK OPBOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 januari 1928

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's