MEDITATIE
Van zonde en genade
En als Hij hem benauwde, bad hij het aangezicht des Heeren, zijns Gods, ernstelijk aan en vernederde zich zeer voor het aangezicht van den God zijner vaderen, en bad Hem; en Hij liet zich van Hem verbidden en hoorde zijn smeekingen; Hij bracht hem weder te Jeruzalem in zijn koninkrijk. 2 Kron. 33 vers 12, 13.
Van zonde en genade.
„Kennis is macht". Ziedaar een spreuk, die inzonderheid in onze dagen opgeld doet. Daaraan gedachtig, zien wij dan ook bij velen een streven openbaar worden om de kennis te vermeerderen en wetenschap deelachtig te worden. Machtig vele zijn de uitvindingen der laatste tientallen van jaren en wat ons voorgeslacht als een onmogelijkheid beschouwde, daarover spreekt thans een klein kind, als ware het iets heel gewoons. Maar nu is dit zoo betreurenswaardig, dat bij het veld winnen der wetenschap de ware wijsheid zoo veel wordt gemist; dat bij alle vermeerdering van kennis de kennis van het ééne noodige veelszins ontbreekt.
Over die allernoodzakelijkste kennis spreekt het oude leerboek onzer vaderen in de bekende vraag: „Hoeveel stukken zijn u noodig te weten, opdat gij in dezen troost zalig leven en sterven moogt?" Een vraag, waarop het antwoord luidt: ,,Drie stukken: ten eerste, hoe groot mijn zonde en ellende zij; ten andere: hoe ik van al mijn zonde en ellende verlost worde; ten derde: hoe ik Gode voor zulk een verlossing zal dankbaar zijn".
Veel kunnen we missen, maar dat niet. Of die ware wijsheid de onze is, dat is een levensvraag voor ieder Adamskind. Als die kennis de onze is, al zijn we dan de armste onder de armen, dan mogen we toch met een godzalig dichter zingen:
Weg wereld, wijk schatten.
Gij kunt niet bevatten
Hoe rijk ik toch ben.
En daarom is het zoo noodig inzonderheid op dit punt onszelven te onderzoeken. Brenge ons bij aanvang of voortgang tot dit zelfonderzoek de overdenking van het woord, dat wij hierboven neerschreven en dat ontleend is aan de geschiedenis van Manasse. Deze geschiedenis spreekt ons van: ellende, verlossing en dankbaarheid.
Manasse was 12 jaren oud, toen hij koning werd. Met deze woorden begint het 33ste hoofdstuk van het tweede boek der Kronieken. Hij had dus al heel vroeg zijn vader moeten missen, maar toch niet te vroeg om eenige herinnering te hebben van den God van Israël, van Wien de godvreezende Hiskia hem ongetwijfeld wel zal hebben gesproken. Wij mogen toch wel veronderstellen, dat deze koning van Juda niet is geweest als zoovelen in onze dagen, die alles willen reformeeren. Kerk, School en Maatschappij, maar die hun eigen huis vergeten. Integendeel, Hiskia, van wien wij lezen in het tweede boek der Koningen: „Hij betrouwde op den Heere, den God Israels, zoodat na hem zijns gelijke niet was onder alle koningen van Juda, noch die vóór hem geweest waren", zal zijn zoon Manasse wel hebben opgevoed in de vreeze des Heeren.
Maar een vader moge zijn kind het goede voorhouden, 't hart vernieuwen kan hij niet. En als Manasse dan ook op 12-jarigen leeftijd zijn vader verliest en koning wordt, betoont hij zich niet een zoon, die wandelt in de voetstappen van zijn vader, maar openbaart zich bij hem een bittere vijandschap tegen God en Zijn dienst en Zijn volk. Zooveel in zijn vermogen was brak hij af, wat Hiskia had opgebouwd.
Ontzettend, dat tegen beter weten in bewandelen van den weg der zonde, zooals we dat bij Manasse vinden. En toch, hoevelen zijn aan hem gelijk. Is ook aan ons de weg des levens niet bekend gemaakt? Zijn we niet geroepen van onze prille jeugd afaan? Zijn we niet gedoopt in den Naam van een Eenig en Drieëenig God? Zijn we niet onderwezen in Gods Woord en Waarheid? Heeft de Heere niet aan ons gearbeid van dag tot dag? En toch hoevelen gaan voort, ondanks al die roepstemmen, waarschuwingen en vermaningen, de zonde in te drinken als water.
O, gelukkig dat we met een God te doen hebben, die de hardste harten weet te verbrijzelen en de stramste knieën weet te buigen. Een God, die ook tot Manasse kon spreken: Tot hiertoe en niet verder! Bang was de weg, dien de Heere met Juda's koning hield. Hij zou de waarheid leeren verstaan van het woord: „Wie God verlaat, heeft smart op smart te vreezen". De Heere rukte hem van zijn troon. Hij ontnam hem al zijn macht en heerlijkheid. Hij gaf hem over in de handen van den koning van Assyrië en ten slotte deed Hij hem in Babels kerker werpen. En toch was dat niet de grootste ellende, die over hem kwam. Daar in Babels kerker werd Manasse ingeleid in het eerste stuk van onzen Catechismus: Hoe groot mijn zonden en ellenden zijn. En toen werd het hem zoo bang. Toen leerde hij in eigen zielservaring verstaan, wat zijn voorvader David eenmaal had gezongen:
'k Wou vluchten, maar kon nergens heen,
Zoodat mijn dood voorhanden scheen,
En alle hoop mij gansch ontviel.
Daar niemand zorgde voor mijn ziel.
Wie ooit in de diepte van eigen verlorenheid is ingeleid, die verstaat, wat de Heilige Geest bedoelt als met deze enkele woorden de zieleworsteling van Manasse ons wordt beschreven: „En als Hij hem benauwde". De Heere gaf hem daar in den kerker een gezicht op zijn afgelegden weg en toen verrezen zijn zonden als bergen voor zijn geestesoog op. Waarhenen hij zich wendde, het was enkel schuld wat hij zag.
Maar te midden dier benauwdheid gaf de Heere één lichtpunt. Voor Manasse werd het bevindelijke waarheid: In mijn benauwdheid zocht ik den Heere. O, lezer, wat is dat een voorrecht. Als nood en dood ons omringen vanwege zonde en schuld, dan te mogen vluchten tot den troon der ontfermingen om daar onzen Rechter om genade te smeeken. Van Juda's koning lezen we: ,,En als Hij hem benauwde, bad hij het aangezicht des Heeren zijns Gods ernstelijk aan en vernederde zich zeer voor het aangezicht van den God zijner vaderen en bad Hem". Als de tollenaar lag hij daar, gebogen in het stof, en de bede rees op uit zijn geprangd gemoed: „O God, wees mij, zondaar, genadig". Als de verloren zoon met de belijdenis in de ziel: „Ik ben het niet waardig". Gebroken was zijn trots; weg was de hoogheid zijns harten; de laagste plaats was voor hem niet te laag.
Lezer, verstaat gij Manasse in zijn bidden en smeeken en worstelen? Is het ook al een stuk van uw levensgeschiedenis geworden: ,,Hij vernederde zich zeer"? Daar moet het komen met ieder Adamskind, zal het wél wezen. In de diepte der verlorenheid, om het daar uit te kermen:
Vergeef mij al mijn zonden.
Die Uwe hoogheid schonden,
maar om het dan ook te ervaren:
De Heer wild' op mijn kermen
Zich over mij ontfermen;
Hij heeft mijn stem verhoord.
Als Juda's koning zich nederwerpt voor den Koning der koningen, dan staat er van den Heere: „En Hij liet zich van hem verbidden".
Worstelende zielen, grijpt moed uit dit woord. Gij meent zoo vaak, dat al uw roepen en zuchten ijdel is. Zoo menigmaal is het u, alsof de hemel van koper is, zoodat er geen gebed door kan, en toch. Hij, Die daar zit op den troon Zijner Majesteit, gaat niet voorbij aan Zijn worstelend volk. Hij telt uw tranen. Hij hoort uw geschrei. Hij geeft acht op uw kermen.
Ook Manasse heeft niet tevergeefs geroepen. Aan hem is het woord vervuld: „Deze ellendige riep en de Heere hoorde, en Hij verloste hem uit al zijn benauwdheden". De Almachtige liet zich van hem verbidden. Hij hoorde zijn smeeking. Maar dat niet alleen. God redde hem ook uit den tijdelijken nood. Hij verbrak niet alleen de kluisters van den vorst der duisternis, maar Hij deed hem ook uitgaan uit de koperen ketenen, waarmede hij geklonken lag in Babels kerker. De Heere gaf hem genade en eere. Hij bracht hem weder op den troon te Jeruzalem. Wat zal dat voor Manasse geweest zijn. Nu verkeerde hij weer in dezelfde omgeving van vroeger, in een sfeer van goddeloosheid, waarin hij zich voorheen zoo goed had thuis gevoeld.
Maar hoe anders stond hij er nu tegenover. Wat eens zijn lust was, dat was hem nu een last, en wat voorheen hem een last was, dat was nu zijn lust geworden. Krachtig heeft hij geijverd voor de eere van Jehovah, den God van Israël. Het wordt ons uitvoerig beschreven in het vervolg van ons teksthoofdstuk. Wij lezen daar: „En hij nam de vreemde goden en die gelijkenis uit het huis des Heeren weg, mitsgaders al de altaren, die hij gebouwd had op den berg van het huis des Heeren en te Jeruzalem; en hij wierp ze buiten de stad. En Hij richtte het altaar des Heeren toe en offerde daarop dankofferen en lofofferen en zeide tot Juda, dat zij den Heere, den God Israels, dienen zouden". Niet, dat Manasse daarmede goed wilde maken wat hij misdreef. Maar, waar hij eertijds werd gedreven door haat en vijandschap tegen den Heere, daar leefde het nu in zijn ziel: Voor U wil ik leven, voor U wil ik streven.
Dat was nu zijn dankbaarheid. Die bestond niet in woorden, maar in daden. Die maakte hem niet groot, maar deed hem klein blijven voor God, zoodat in zijn verdere leven, bij al zijn ijver voor de zaak des Heeren, het woord van den apostel zijn belijdenis zal gebleven zijn: „Mij, den grootste der zondaren, is genade geschied".
B. v. M.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 januari 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 januari 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's