KERKELIJKE RONDSCHOUW
De Reorganisatie-beweging (6)
Reorganisatie is iets anders dan Reglementsverandering. Reorganisatie is iets anders dan scharrelen met de Bestuursorganisatie. Dat men dat niet altijd gevoeld heeft, is uit de geschiedenis van de laatste 100 jaren gemakkelijk te bewijzen. Mannen als Groen van Prinsterer wilden in dagen van strijd en crisis het wezen der Hervormde Kerk, zijnde haar leer en belijdenis, vasthouden en handhaven. Niet de Synodale Bestuursorganisatie maakte het wezen der Hervormde of Gereformeerde Kerk uit, want die Bestuursorganisatie was wederrechtelijk opgelegd en was met het wezen der Kerk, met de beginselen van haar eigen belijdenis, in strijd. Niet zij, die de Bestuursorganisatie aanhingen en verdedigden, waren de zonen en dochteren der Hervormde of Gereformeerde Kerk, maar zij, die aan de belijdenis der Kerk vasthielden waren de kinderen des huizes. Zoo kwam het, dat hij ook de Afgescheidenen, die zich om de wille van de ellendige bestuurshandelingen hadden losgemaakt van de Hervormde Kerk, als kinderen des huizes bleef beschouwen, terwijl hij van velen, die rustig in het midden der Hervormde Kerk, als echte aanbidders van de Synodale Bestuursorganisatie, bleven, maar met de belijdenis der Kerk vierkant in strijd waren, niet als Hervormden erkende en er op aandrong, dat zij er buiten zouden worden gezet, waardoor de afgescheiden broeders en zusters weer zouden kunnen terug komen.
De Hervormde Kerk was voor Groen vanPrinstererde Gereformeerde Kerk van Nederland en in die Hervormde Kerk hoorde gansch de Gereformeerde gezindheid saam te wonen, terwijl de niet-Gereformeerden er uit moesten! Zoo zou de Hervormde of Gereformeerde Kerk de christelijk-nationale Kerk zijn, waarin het Gereformeerde volk, met hun kinderen, saamwoonde; en dat Gereformeerde volk zou de kern van het Nederlandsche volk zijn, want Nederland was Gereformeerd georiënteerd; niet Luthersch, niet Remonstrantsch, maar Gereformeerd, niet Roomsch, maar Protestantsch; en dan Gereformeerd Protestantsch!
En Groen van Prinsterer heeft de Besturen daarvoor willen gebruiken, om door bestuursbeslissingen en uitspraken aan de modernen het recht te ontzeggen en aan de Gereformeerden het recht toe te kennen, naar uitwijzen van de wettige kerkelijke belijdenis, waarbij de Kerk recht had dat deze belijdenis werd gehandhaafd.
Dat zou echter een handhaven van een belijdenis zijn geworden zonder meer, terwijl die belijdenis zelve verklaart, dat zij ten allen tijde beroep op Gods Woord eischt en beslissingen door de Kerk zelve — en niet door een Bestuur — allernoodzakelijkst acht.
Met de Organisatie van 1816 zelve was hier dus niets te bereiken. Want die Organisatie was een Bestuursinrichting, waarbij het ambt en de Kerk zelve uitgeschakeld Is. Het was juist het slot op den mond der Kerk. En daarom moest ook niet de eisch zijn geweest, dat de Besturen zouden optreden als rechters, maar dat de Kerk zelve vrij zou komen om in kerkelijke vergaderingen saam te komen en rondom Woord en belijdenis over alles te handelen wat het kerkelijk leven aangaat.
Voor de Bestuursorganisatie moest dus een Presbyteriale Kerkorde komen!
Da Costa, die in vele dingen dezelfde bezwaren had tegen den geest der eeuw als Groen van Prinsterer, kon met dezen grooten kampvechter voor „het recht der belijdenis der Kerk" niet mee gaan. Hield Groen zich aan het recht der Hervormde of Gereformeerde gezindheid op hare belijdenis, Da Costa was van meening, dat die belijdenis niet letterlijk meer kon worden gehandhaafd en dat aan de Besturen het zwaard in deze ter beslissing niet moest worden in handen gegeven. Hij vond in die handhaving iets Roomsch en koos meer voor den medischen weg dan voor den juridischen weg. Het Woord moest overal „losgelaten" worden, overal gepredikt en bekend gemaakt, dan verwachtte Da Costa dat er meer leeraars en meer leden der Kerk tot belijdenis der Waarheid zouden komen en zoo zou de kracht der Waarheid het in de Hervormde Kerk tenslotte winnen! De dwaalleer zou op die manier dan worden uitgedreven.
Groen bleef bij zijn meening en schreef aan Da Costa: ,,Bij al den eerbied, dien ik gewend ben te hebben voor uwe gevoelens, kan ik echter niet afgaan van mijne meening, dat de uitdrukking des geloofs onzer vaderen, die eenmaal als de banier der Hervormde Kerk hier te lande aangenomen is, ook heden ten dage als zoodanig jure (d.i. rechtens) en dus ook zooveel mogelijk facto (d.i. inderdaad) moet worden erkend". (Brieven I, blz. 137).
Ze waren één in den afkeer van de onrechtzinnigheid, één in het belijden van den zelfden Christus, één ook in het veroordeelen van een onchristelijke prediking onder Christelijken naam — maar ze zagen verschillende wegen als de gewenschte tot Kerkherstel.
En daarnaast komen dan weer de z.g.n. Ethischen, of zooals ze in de dagen van ten prooi zou geven". De la Saussaye en Doedes heetten: de Ethisch-Irenischen; de mannen van „Waarheid en Vrede", of zooals het vroeger heette „Ernst en Vrede" (een in 1853 opgericht theol. tijdschrift).
Ze waren niet blind voor de ellende, waarin de Kerk verkeerde en de afwijking van het oude Evangelie liet hen niet koud. Reeds in de Voorrede van het theol. tijdschrift „Ernst en Vrede" (1853) lezen we, dat de Redactie „afkeerig is van elke beschouwing der Kerk, die haar aan elken wind van leer ten prooi zou geven". De la Saussaye betuigt: „de breuke der Kerk niet te willen verhelen" en „geenszins blind te zijn voor de krankheid, die in alle deelen is doorgedrongen". (Ernst en Vrede. II, blz. 38).
Daarbij stelden zij zich op het standpunt, gelijk in een schrijven aan de Synodale Commissie werd uiteengezet, „dat de leer der Kerk in de eenmaal aangenomen en sedert nimmer verworpen belijdenisschriften onzer Kerk is vervat". (Ernst en Vrede. II, blz. 483).
Ze geven Groen gelijk, als hij opkomt voor „het recht der gemeente op een prediking naar Gereformeerde belijdenis", (Ernst en Vrede III, blz. 254, waar van handhaven van het juridisch standpunt gesproken wordt doch ondergeschikt aan het ethische"). Maar De la Saussaye is geen voorstander van een rechterlijk handhaven der kerkelijke belijdenis door de Kerkbesturen of door den Staat. (Zie voor een en ander: C. A. Lingbeek. Schets van de geschiedenis der Reorganisatiebeweging. Uitgave: H. Veenman, Wageningen. 1925).
(Wordt voortgezet).
„De oorspronkelijke Gereformeerden" en de valsche Godsdienst.
We hebben er al eens meer op gewezen, dat de „oorspronkelijke Gereformeerden" in het begin leelijk in de Roomsche overtuiging vast zaten, dat met het zwaard maar een eind gemaakt moest worden aan wat hun geestelijk niet aanstond. Niemand minder dan dr. Kleyn heeft ons dat geleerd. 't Is een oud citaat, maar het blijkt niet overbodig om het hier nog eens af te schrijven:
„Naar de overtuiging der oorspronkelijke Gereformeerden moet elke godsdienstige vergadering, die niet ingelijfd wordt bij de publieke Kerk, worden verboden. Vandaar Bogerman 's en Geldrop 's optreden tegen de vrijheid, aan de Doopsgezinden verleend, in de Voorrede van Beza 's ,,Tractaat van de Ketterstraffen". Vandaar óók het verzoek van de Classis van Dordrecht om de valsche godsdienst (dat is de Luthersche godsdienstprediking) te Woerden te weren". (Algem. Kerk en PI. Gemeente, blz. 28). De valsche godsdienst — dat is: de Luthersche godsdienstprediking! Die moest geweerd worden! (Art. 36). Net als in 1834 het Liberalisme: met het zwaard alle „godsdienstige vergaderingen, die niet ingelijfd zijn bij de publieke Kerk" verbieden, verhinderen, uit elkaar jagen en de „schuldigen" in de gevangenis stoppen. De publieke Kerk is dan de bevoorrechte, straks de geknechte.
Het aantal Theol. Studenten.
We lazen onderstaand bericht: Het stijgend aantal Theologische Studenten der Gereformeerde Kerken.
"De kerkeraad der Geref. Kerk van Scheveningen heeft besloten op de e.k. vergadering van de classis 's-Gravenhage de vraag ter tafel te brengen of het, gezien de toeneming van het getal Theologische Studenten, wel noodig is dat er tweemaal per jaar gecollecteerd wordt voor de kas voor on-en minvermogende studenten".
Men zal misschien zeggen: ,,Wat hebben wij, Hervormden, daarmee uit te staan? Immers niets?" Zou 't waar zijn? Er zijn wel eens menschen, Hervormde menschen, die hun kracht zoeken in schelden op „de Geref. Kerken", 't Zij zoo! Ieder houdt er wel eens een liefhebberij op na. Maar liefde bij de Gereformeerden tot hun Kerken is er dan toch maar. Liefde, die zich uit in offers van zilver en goud. Liefde, die zich óók uit in lust tot het predikambt. Het predikambt is daar nog voor velen een treffelijk ambt, een begeerlijk goed. De vacatures minderen daar, het aantal studenten stijgt.
En bij ons?
Het aantal vacatures stijgt met de maand. Het aantal is nu zóó hoog als het nooit te voren was; het is nu reeds geklommen tot 320 en sinds 1 Januari 1927 is het met 40 geklommen! En het aantal studenten, het aantal candidaten neemt af.
Nu ja, 't schommelt wat. Maar stijgen doet het niet. Men heeft geen lust meer in het treffelijk ambt, men acht het geen begeerlijk goed. Hoewel overal overvloed is van werkkrachten en juist aan predikanten gebrek, begeert men toch niet tot het ambt van herder en leeraar in de Ned. Hervormde Kerk in te gaan.
Ook onder de Gereformeerd-Hervormden niet. De velden zijn wit om te oogsten, maar de arbeiders zijn weinigen. Kunnen onze Gereformeerde kringen er misschien iets aan doen om het predikambt wat aanlokkelijker, wat begeerlijker, wat heerlijker te maken? We bedoelen niet geldelijk, maar geestelijk.
Wordt er onder ons Gereformeerde volk wel om gebeden, dat de Heere het jongen menschen in het hart mag geven, om dominé te worden, om dan in 's Heeren wijngaard te mogen werkzaam zijn, om in het midden van onze Ned. Herv. (GereL) Kerk te mogen arbeiden tot eere Zijns Naams en tot zegen voor velen, óók tot zegen voor de Kerk zelve?
De Heere geeft nog geopende deuren - waar zijn ze, die van den Heere mogen begeeren, om door Hem te worden uitgezonden?
Neen, wij kunnen niet over „stopzetten" van onze collectes voor de opleiding praten! Liever twee collecten dan één!
De Oudste Kerkelijke indeeling.
1572 wordt genoemd het jaar van de stichting der Gereformeerde Kerk in de Noordelijke Nederlanden. Sinds 1563 kwamen de gemeenten onder 't Kruis in de Zuidelijke Nederlanden in Synoden bijeen, maar kenden nog geen Classes. In 1568 wenschte men te Wezel elke Nederlandsche provincie in classes of paroeciee (parochies) te verdeelen. (Acta uitgave F. L. Rutgers, blz. 10, art. 5).
In 1571 heeft men op de Synode te Emden een groot opgezette, algemeene verdeeling gemaakt voor alle gereformeerde gemeenten in de protestantsche landen. Zoo zouden de beide gemeenten te Frankfort, de Fransche gemeente te Heidelberg en de gemeenten van Schonau, Frankenthal en St. Lambert ééne classe vormen. In de volgende classen treffen we dan soms gemeenten aan, die later bij de Noord-Nederlandsche Kerk zullen behooren. Bij de tweede classe b.v. die van Keulen, Aken, Limburg, Nuys; in het land van Gulik vinden we Maastricht. De derde classe bestaat uit Wezel, Emmerik, Goch, Rees, Gennep en andere gemeenten in het land van Kleef. Tot de vierde classe behooren Emden met de predikantballingen en ouderlingen van Brabant, Holland en West-Friesland. Bij de vijfde, de beide gemeenten van Antwerpen, Brussel en andere die in Brabant zijn mochten, ook 's-Hertogenbosch en Breda. De zesde classe vormen de gemeenten van Oost-en West-Vlaanderen. De zevende die van Doornik, Rijsel, Utrecht, Armentières en Valenciennes. Terwijl dan eindelijk in eene achtste classis samenkomen Amsterdam, Delft „ende andere Hollandsche, Overijselsche ende Westfriesche Kercken" (Rutgers, blz. 58— 61). Een nauwkeuriger indeeling was blijkbaar toen nog niet mogelijk; terwijl bovendien de broederen te Emden voor de toekomst dier gewesten weinig hoop blijken te voeden.
[Uit „De Geref. Kerk onder de Republiek", door prof. dr. L. Knappert. 1927].
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 januari 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 januari 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's