Prof. Hepp's onschriftuurlijke leeringen.
II.
De critiek van prof. Hepp mist elken redelijken grond. De eenvoudigste kan begrijpen, dat zonder eene juiste kennis van den zin en de bedoeling der woorden de Heilige Schrift een gesloten boek is. Of een bepaald gedeelte der Schrift eene verdere strekking heeft, kan alleen door de Schrift zelve worden verklaard. Doch wie zich aanmatigt eene hoogere bedoeling, buiten en boven die der Schrijvers te kunnen kennen, stelt zich boven de Schrijvers en dus boven de Schrift.
Ook de overige beweringen van prof. Hepp wijzen zijne dwaling uit. Zoo beweert hij van de Messiaansche psalmen: „de Evangeliën zeggen over den oorspronkelijken zin der Messiaansche psalmen niets, tenzij dan wellicht in geval er uitdrukkelijk bijstaat: opdat de Schrift". Dit is geheel onjuist. Indien het zóó ware, zou er van de eenheid der Schrift weinig overblijven. Het grootste deel van het Oude Testament stond dan buiten de Godsopenbaring en het kon vrijwel geheel worden gemist. Maar de Heere Jezus had een geheel andere opvatting van de Schriften des Ouden Verbonds dan prof. Hepp, want Hij legt er telkens nadruk op, dat zij van Hem getuigen. En alzoo doen ook de apostelen. Doch wie wil weten, wat David aangaande den Messias heeft geprofeteerd, kan dit slechts vinden in het Oude Testament, want daar is het alleen te lezen. En de Heere Jezus neemt steeds Zijn uitgangspunt in hetgeen geschreven staat, in de juiste bedoelingen der heilige mannen Gods. Hij stelt den juisten zin en de juiste bedoeling steeds tegenover de Schriftgeleerden met hunne hoogere bedoelingen, toont dat zij de Schrift niet goed begrepen en niet juist lazen. Zoo geeft de Heere telkens in Zijne twistgesprekken voorbeelden, die leeren, hoezeer Hij nadruk legt op een juist verstaan van Mozes en de profeten en de psalmen. Zie maar, b.v. Marcus 12 : 26—36, waar Hij den letterlijken zin van Mozes' woorden aanhaalt om de Sadduceesche dwalingen in het licht te stellen. En zoo legt Hij ook nadruk op hetgeen David in Ps. 110 door den Heiligen Geest heeft gesproken. De Heere Jezus houdt zich strikt aan den tekst. Hij predikt Zichzelven als die Wet en Profetie niet ontbindt, maar vervult. En daarom moet Hij wel Zijn uitgangspunt in de bedoeling der Schrijvers nemen, want als deze iets anders geleerd hadden, hoe zou Hij er dan de vervulling van zijn! Daarom stelt Hij zich steeds tegenover die partijen, die evenals prof. Hepp, met wat de Schrijvers bedoelden, niet tevreden waren, maar een andere, hoogere bedoeling meenden te kennen. Zoo ook de uitspraak, waarop prof. Hepp zich beroept, oordeelt juist zijne critiek. Hij wijst namelijk op Lucas 24: 27, waar staat: „Begonnen hebbende van Mozes en al de profeten, legde Hij hun uit in al de Schriften hetgeen van Hem geschreven was". Hij begint bij hetgeen Mozes en de profeten schreven, laat hun den zin en de bedoeling der Schriften, die immers niet buiten Zijnen Geest om ontstaan waren, zien en Hij houdt den zijnen de ware bedoeling der Schrijvers voor. De Heere Jezus volgt nooit de methode van prof. Hepp, want het is Hem om de oorspronkelijke, echte bedoeling begonnen, om te toonen, dat Hij de ware Beloofde Gods is.
Maar vraagt prof. Hepp: „Hebben dan de profeten alles ten diepste begrepen?" O, neen, ook de discipelen begrepen niet alles. Hun wordt de Geest beloofd, die indachtig maken en in alle waarheid leiden zal. Maar bewijst dit nu iets tegen het feit, dat wij, om er iets van te verstaan, met de bedoeling der woorden moeten beginnen, evenals Jezus en de apostelen? En indien er dan in hetgeen later geschreven werd, een licht opgaat over het vroegere, dan mag en zal, wie de eenheid der Schrift belijdt, daarvan dankbaar genieten. Maar met den hoogeren zin van prof. Hepp hebben wij niets te maken. Het is een dwaze opmerking van prof. Hepp, dat de Schrift een gesloten boek zou blijven, als wij in de eerste plaats te maken hadden met de bedoeling der Schrijvers. Daarom zoo dwaas, wijl een kind begrijpen kan, dat wij buiten de woorden om, buiten de bedoeling der Schrijvers om, onmogelijk ooit iets van de bedoeling des Geestes kunnen weten. Wie meent dit te kunnen, beschikt over een geestelijk duimpje. En als prof. Hepp er zoo iets op nahoudt, is hij verder van de Gereformeerde beginselen af dan prof. Böhl c.s.., die hij mij als afschrikwekkende ketters voorstelt.
Het klinkt echter wel heel wonderlijk uit den mond van dien zelfden prof. Hepp, die het zoo in strijd met de belijdenis oordeelt om naar de bedoeling der Schrijvers te vorschen, dat hij ten slotte vermaant „toch niet te vergeten, dat een woord bij den eenen schrijver een andere beteekenis kan dragen dan bij eenen anderen; men heeft te rekenen met het taaleigen van iederen schrijver". Als het er nu heel niet toe doet „wat Mozes misschien bedoeld heeft of Jesaja", waarom dan die bezorgdheid voor dat „taaieigen"! Dit klemt te meer, omdat voor prof. Hepp de Schrijvers blijkbaar slechts willooze, doode instrumenten zijn geweest. Hij zegt althans: „de verhouding van Werkmeester en instrument mag hierbij niet uit het oog worden verloren". De Heilige Schrift is dus volgens prof. Hepp mechanisch, machinaal geworden. Met de Gereformeerde leer is dit niet in overeenstemming en ook de afscheiding, die prof. Hepp tusschen „den menschelijken" en „goddelijken factor" invoert, komt met de goede leer niet overeen.
Hoever staat dit hol neo-gereformeerd getheologiseer met zijnen schijn van zuiverheid en geleerdheid af van den geest van Calvijn, die zooveel dieper inzag in het wezen der Heilige Schrift! Daarom zal ik dien Hervormer laten spreken, zooals hij zich verdedigt tegen hen, die evenals prof. Hepp, de letterlijke beteekenis der Schriftwoorden gering achtten. Calvijn waarschuwt tegen hen, die „ons bespotten, omdat wij op de letter staan", tegen hen, die „een meesterschap des Geestes voorwenden", tegen hen, „die Gode het zijne ontrooven, als zij deze twee dingen (namelijk het Woord en den Geest) uitéén scheuren, welke de profeet met een onlosmakelijken knoop saamgesnoerd en ineengestrengeld heeft". Hij wijst er op, dat de apostel zijne prediking een „dienst des Geestes noemt, omdat de Heilige Geest zoo aan de waarheid, die Hij in de Schrift heeft uitgedrukt, gehecht is". En wederom, „opdat wij den Geest zonder vreeze voor bedrog of dwaling aannemen, als wij Hem in Zijn beeld, dat is in het Woord, onderkennen". Zoo heeft ook Christus aan de beide discipelen (Luc. 24 : 27) „den zin geopend, niet opdat zij de Schrift zouden verwerpen en door zichzelven wijs zijn, maar opdat zij de Schrift zouden verstaan". Op deze wijze verdedigt zich Calvijn tegen die hem, om zijn strikt vasthouden aan de bedoeling der Schriftwoorden, een „letterknecht" scholden. Voor Calvijn is er geen Woord Gods zonder Geest, geene Geesteswerking zonder Woord, want Woord en Geest zijn in beginsel één. „Het Woord is het beeld van den Heiligen Gees t". Wij mogen dus nooit, zooals prof. Hepp, zeggen, dat wij niet te maken hebben met „wat Mozes misschien heeft bedoeld of Jesaja". Wij mogen niet scheiden wat God heeft vereenigd, want wij kunnen de bedoeling des Geestes niet kennen, zonder dat wij den juisten zin der Schriftwoorden kennen. Woord en Geest zijn onlosmakelijk verbonden. De mannen Gods spraken en schreven onder aanblazing van Gods Heiligen Geest, maar niet als een soort ,,medium" of in een toestand van hypnose. Zij weten wat zij zeggen en waren zich klaar bewust en dus zullen wij naar hunne bedoelingen moeten vragen. Prof. Hepp is geen Calvinist, maar bewust of onbewust Calvijn's bestrijder. En daarom ook mijn bestrijder. Voor iemand op zulk een leerstoel is dit wel zeer vreemd!
Zijne verdere beschouwingen kan ik als niet ter zake doende daarlaten.
Ik heb mij nu de moeite getroost zijn schijn-critiek, want meer dan een schijn zijn die losse, dikwijls verwarde, beweeringen niet te bespreken. Ik ben echter niet bereid bij voortduur op zulke phraseologie in te gaan. Ik kan mijn tijd beter besteden, zoodat ik hiermede van afscheid neem.
H.VISSCHER
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 januari 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 januari 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's