De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

17 minuten leestijd

De Reorganisatie-beweging (7)
Groen van Prinsterer was voor den  j u r i d i s c h e n  weg, dat de leer der Kerk door de Besturen zou worden gehandhaafd; hoewel hij geenszins op de Synodale Bestuursorganisatie was gesteld, wat b.v. blijkt uit hetgeen staat in zijn program van 1866: „Geen bevestiging van het Caesaropapistisch Kerkbeheer; van de boeien door het Staatsgezag gesmeed". (Zie dr. Vos, Groen van Prinsterer en zijn tijd. Deel II, blz. 260).
Bij Groen stond de handhaving der leer, waarop de Kerk recht had, vóórop; dat de Bestuursorganisatie verdwijnen moest, om plaats te maken voor de presbyteriale Kerkinrichting, kwam achteraan. Hij heeft wel eens verklaard desnoods bij de Organisatie zich te willen neerleggen, mits maar de leer der Kerk, waarop de Kerk recht had, door de Besturen werd gehandhaafd. (Zie G r o e n 's Adviezen in de Tweede Kamer, 2de deel, blz. 262).
Da Costa en de la Saussaye voelden meer voor den medischen weg: dat naast de leugenleer, die er nu eenmaal in de Hervormde Kerk was, de waarheid zou worden gepredikt en dat men het dan aan den Heiligen Geest moest overlaten, in goed vertrouwen, dat de waarheid het van de leugen zou winnen. En als dan de dwaalleer door de gemeente ten volle zou zijn onderkend, dan zou door een nieuw belijdenisschrift de dwaalleer uit de Kerk geweerd worden. In den abnormalen en wanordelijken toestand moest men geen andere wegen bewandelen, zeiden de Ethischen. „Wij willen den strijd alleen doen plaats hebben over de waarheid, niet over ons recht. Zóó strijdend, zullen wij zien wie overwint, welke leer door de uitstorting des Heiligen Geestes bevestigd wordt". („Ernst en Vrede", VI, blz. 37, 39. I, blz. 162, 381 enz.).
De belijdenis, die 300 jaar oud was, was in menig opzicht verouderd, meenden de „Ethisch-Irenischen" — de Ethischen, die „vredelievend gezind" waren —, en daarom moest men niet op handhaving van die belijdenis in het midden van de 19de eeuw, nu er een „abnormale en wanordelijke" toestand was, aandringen, zooals Groen wilde. („Ernst en Vrede" I, blz. 162). De waarheid moest gepredikt en „volgens Protestantsche vrijheid moest het oordeel over de waarheid der voorgedragene leer aan de consciëntiën der hoorders overgelaten worden". („Ernst en Vrede" I, blz. 380 en VI, blz. 23). ,,Wij gelooven in den Heiligen Geest", verklaarde men daarbij, als verklaring waarom men vóór den  m e d i s c h e n  en tegen den  j u r i d i s c h e n  weg koos. („Ernst en Vrede" I, blz. 381).
Men vond dus de toestanden niet begeerlijk en men was er niet voor, dat ze zóó zouden worden bestendigd, maar van het opdringen van de oude leer aan de Kerk verwachtte men niets, wel van den zedelijken invloed der waarheid, die enkel door haar eigen kracht (of door de kracht des Heiligen Geestes) in staat was om niet maar alleen aan de dwaling het zwijgen op te leggen, maar om haar te overwinnen en te genezen.
Dr. Gunning was in die dagen — later sprak hij anders — van oordeel, dat de eenige weg van Kerkherstel was, dat de menschen wedergeboren werden.
Dat bij dit alles een verwarring van het persoonlijk leven en het kerkelijk leven in het spel is, zal ons duidelijk zijn. Want hoezeer het waar is, dat de waarheid moet gepredikt en dat de waarheid moet overtuigen, dat de Heilige Geest er aan te pas moet komen en dat de menschen wederom geboren moeten worden — dat neemt toch geenszins weg, dat de Kerk als Kerk in deze een taak heeft en wel om het Heilige Evangelie te verkondigen èn toezicht te houden op de leer, om zoo het pand, haar toebetrouwd, te bewaren en te verdedigen; zoo noodig tucht te oefenen over de wederstrevers en den ban toe te passen op degenen, die bij de leugen en in de dwaling, tegen alle waarschuwing in, volhardden.
Echter — daarbij ontbraken de organen die voor de Kerk in deze toch noodig zijn. De ambten waren niet vrij; de kerkelijke vergaderingen waren er niet ; er was geen hooger beroep op Gods Woord en geen wettelijke kerkelijke uitspraak. En dat bracht ieder, zoowel die voor een  j u r i d i s c h e n, als die voor een  m e d i s c h e n  weg waren, in de moeite en deed de noodzakelijkheid aan reorganisatie der Kerk langzamerhand meer gevoelen.
Dr. Kuyper verscheen toen op 't tooneel en hij, Hervormd predikant zijnde, schreef het bekende Tractaat der Reformatie.
Die stippelde de lijnen uit: dat de Kerk is de realiseering van Gods raad; zijnde van 't begin der wereld tot den laatsten dag, verkoren uit alle volkeren en natiën; tegelijk zichtbaar en onzichtbaar; naar het verborgen wezen alleen voor het geestelijk oog zichtbaar, naar haar uitwendige gedaante in het zichtbare te voorschijn tredend, om openbaar te zijn voor de natuurlijke waarneming. De normale vorm of gedaante en gestalte van de Kerk op aarde wordt bepaald door het Woord Gods, in welk Woord Christus op 't heerlijkst voorgesteld wordt, die het leven van Sion is. Daarom was de Oud-Testamentische Kerk naar het Woord ingericht met ceremoniën en plechtigheden, en de Nieuw-Testamentlsche naar het Woord zonder ceremoniën en plechtigheden; onder het Oude Testament de afschaduwing van Christus in offeranden, onder het Nieuwe Testament de vervulling in Christus in Woord en Sacrament.
Die Kerk heeft haar ambten. Oorspronkelijk leerambt, regeerambt, ambt der tafelen in het ééne apostolische ambt verscholen. Petrus predikt èn verzorgt de gaven der gemeente; Paulus predikt, regeert èn zamelt op zijn reizen gelden in voor de verarmde Jeruzalemsche Kerk. Splitsing, uit het ééne ambt dat steunt in de éénheid in Christus, ontstaat, naar Christus' drievoudig ambt, door de uitbreiding der Kerk (Hand. 6). Diaconaat en prediking gaat uiteen. En gelijk eerst het diaconaat zich uit het apostolaat loswikkelde, zoo splitste zich, om gelijke oorzaak, van lieverlee ook het leer-en regeerouderlingschap.
Vanuit de moedergemeente te Jeruzalem waar 12 apostelen en 7 diakenen zijn, ontstaan overal gemeenten, waar dan de ambtelijke dienst der plaatselijke ouderlingen ontstaat, spoedig gesplitst in leerouderlingen en regeerouderlingen, waarnaast de diakenen staan, niet om te leeren noch om te regeeren, maar om in den dienst der barmhartigheid bezig te zijn in den naam van den medelijdenden Hoogepriester Jezus Christus, die ons de armen en behoeftigen en hulpbehoevenden als Zijn erfenis nagelaten heeft, zeggende: wat gij aan hen doet, doet gij aan Mij!
De ambten zijn drie stengels uit één wortel, niet drie stengels met drie wortels. Door het herder-en leerambt spreekt onze hoogste Profeet en Leeraar; door het presbyteriaat regeert in engeren zin onze eeuwige Koning; en door het diaconaat worden op eigenaardige wijze de ontfermingen openbaar van onzen eenigen Hoogepriester, den Christus Consolato.
Zoo staat het kerkelijk ambt als instrument van het Messiasambt, opdat Hij in 't midden van Gods gemeente profeteere, regeere, leere en ontferming doe.
Het Woord moet gepredikt (leeraar), de waarheid gehandhaafd (opziener) en het Woord tot leniging van ellende toegepast worden (diaken).
Wat eigenlijk op ons allen, als geloovigen, rusten moest, is, om onze zondige beperktheid, nu bizonderlijk in het  a m b t  gelegd; en het ambt "is noodzakelijk tot leering, stichting, regeering, vertroosting"; het ambt is „tot volmaking der heiligen en tot opbouwing van het lichaam van Christus !" Zoolang er een Kerk is hier op aarde, zullen de ambten zijn; en als straks de volmaking voltooid en de opbouw volbracht zal zijn, dan zullen ook geen ambten meer wezen.
De ambtsdragers hebben met elkaar gemeenschap te zoeken, als van Christus tot hetzelfde werk geroepen „tot opbouwing der Kerk". Als Koninklijke ambtsdragers hebben ze te vergaderen in het midden der plaatselijke gemeente als de raad der Kerk. En dan plaatselijk niet alleen (in Kerkeraadsvergadering), maar ook in den kring van locale gemeenten (in Classicale Vergadering), gelijk eveneens in den kring van de plaatselijke gemeenten uit één provincie (in Provinciale Synode); alsook in den kring van de gemeenten door héél 't land verspreid (in Algemeene of Nationale Synode). Waarbij ook, als 't goed is, vergaderingen van de Kerken in onderscheidene landen en werelddeelen niet mogen uitblijven (Wereld-Concilie enz.).
Consistoriën (Kerkeraden) , Classes, Synoden of Conciliën — 't is al, dat Christus' dienaren saamkomen, als vertegenwoordigers der Kerk, waar het Woord des Heeren alleen macht heeft en wordt beraadslaagd over hetgeen de plaatselijke-, de gewestelijke-en de landelijke Kerken, ook de Kerken over gansch de wereld verspreid, kan ten goede komen, „tot volmaking der heiligen en tot opbouw van het lichaam van Christus".
Eén in belijden moeten die Kerken zijn, zich openbarend in een Confessie naar Gods Woord, welke uit den aard der zaak altijd menschelijk-onvolmaakt werk is en ten allen tijde toetsbaar aan Gods Woord moet blijven; echter door de Kerk bewaard, niet als de gedachten van geleerde denkers, maar als een dierbaar kleinood door den H. Geest aan de Kerk des Heeren op aarde in middellijken weg gegeven en als een kostbaar pand haar toebetrouwd.
Wel zal de Kerk daarom er naar hebben te staan, om die belijdenis nog keuriger, nog juister, nog vollediger te zien worden in ordelijken weg, maar nooit zal zij mogen gedoogen, dat eenig deel of stuk van haar prachtig en machtig organisme verminkt worde of worde geloochend en verworpen. Als de eenvoudige, maar kostbare uitdrukking van de volheerlijke waarheid, die ons God heeft geopenbaard door Zijn Woord en Geest, moet de Kerk haar Confessie vasthouden, zoolang naar uitwijzen van dat Woord geen betere, in kerkelijken weg, gevonden is.
Zoo moet de Kerk met een heiligen drang tot éénheid, levend uit het eenige Hoofd Christus, als één lichaam zich openbaren, belijdend Zijnen Naam en gehoorzaam zijnde aan Zijn Woord; klaar gevoelend: als één lid lijdt, lijden alle leden, en als één lid verheerlijkt wordt, is het tot vreugd voor allen. Die één in geloof zijn willen ook, waar de aandrift tot gemeenschap der heiligen in hen werkt, één zijn in leven. En zoo ontstaan de plaatselijke Kerken, die ambtsdragers verkiezen; zoo leven de plaatselijke Kerken saam in Classis; zoo vergaderen de Provinciale Synoden en zoo zal op gezette tijden de Nationale Synode samenkomen — waarbij geen Kerk over de andere Kerk zal heerschen en geen Kerk zich van de andere Kerk zal losmaken.
Naar die hemelsche structuur leeft en beweegt zich Gods Kerk op aarde, hier te lande en in andere landen, waar geluisterd wordt naar de stem van 's Heeren Woord. Dat waren de lijnen, door dr. Kuyper helder en klaar weer geteekend en met deze beginselen wierp hij zich in den strijd. Die helaas! in de Doleantie (1884) uitliep.
(Wordt voortgezet).

Remonstransch of Gereformeerd?
We hebben onlangs iets geschreven over het dwaze, dat zich ten opzichte van de Engelsche Staatskerk nu voordoet, dat in het Hooger-en Lagerhuis — dus door de politieke heeren — moet worden beslist, wat wel en wat niet in het gebeden-en formulierboek der Kerk mag voorkomen. Protestanten en Roomschen, Orthodoxen en Modernen wil men daar bij elkaar houden en brengen, waarvoor allerlei veranderingen en schikkingen door de bisschoppen gemaakt zijn —en daarover moet de Overheid nu beslissen.
Dat hebben we Remonstrantsch genoemd, naar de praktijken van vroeger, toen de Remonstrantsche heeren Oldenbarneveldt, Hugo de Groot, Uyttenbogart enz. door de Vroedschap, op het Stadhuis, alles wilden laten bedisselen.
Dr. Kromsigt is het blijkens een tweetal artikelen in „De Geref. Kerk" niet met ons eens en wil weer met de Overheid en Art. 36 scharrelen, om te zeggen, dat wat wij ten slotte voordragen ten opzichte van de verhouding van de Overheid en de Kerk niet gereformeerd is. Want de Overheid moet toch „den waren godsdienst en dus ook met name de ware Kerk, handhaven", zegt dr. Kromsigt in zijn tweede artikel.
Ons dunkt, dat er drieërlei stelsel is in deze: het Roomsche, het Remonstrantsche en het Gereformeerde.  De Roomschen willen de Overheid onder de Kerk; de Paus hebbende twee zwaarden.  De Remonstranten willen de Kerk onder de Overheid; de Regenten op het stadhuis en in de Kerk het hoogste zeggenschap en de eindbeslissingen.  De Gereformeerden willen den Staat en de Kerk ieder een eigen terrein geven; Overheid en Kerk ieder een eigen zelfstandige plaats hebbend. 
Daarom moeten wij, als Gereformeerden, niets van de practijken van de Engelsche Staatskerk en de bemoeienissen van de Overheid daar, hebben. Ook al zou in een enkel geval— waarover dr. Kromsigt zich blijkbaar verblijdt — door een beslissing door de politieke heeren iets verhinderd worden, wat dr. Kromsigt een Roomsche stoutigheid noemt, dan nog zouden wij in kerkelijke zaken zeggen: de Overheid moet haar handen thuis houden! De Kerk moet zelve, vrij, beslissen wat zij zal gelooven en belijden; hoe zij in den weg des heils en ten opzichte van de regeering der Kerk heeft te gaan en te staan.
Het ligt allerminst op den weg van de Overheid over het heilig Avondmaal en de practijken daarvan te handelen en daarin beslissingen te nemen.
En daarom, wanneer de „oorspronkelijke Gereformeerden" in die wateren gevaren hebben (dr. Kleyn: Algem. Kerk en Plaatsel. Gemeente blz. 28), dan zeggen we: dat is niet gereformeerd! Want dan gaat men in de handen van de Overheid leggen, wat niet bij haar thuis hoort. En de geschiedenis van onze Vaderlandsche Kerk is er vol van, dat mee door Overheidsbemoeiing de Kerk geknecht en gekerkerd is. Alles wat niet tot de publieke Kerk behoorde moest verboden worden door de Overheid — volgens, de „oorspronkelijke Gereformeerden". De Doopsgezinden mochten geen vrijheid genieten. De Luthersche godsdienstprediking moest (als valsche godsdienst!) te worden worden geweerd. Prediking, tekstkeuze, doop, Avondmaal, tucht, beroepingswerk, Kerkorde, finantiën enz. enz. kwam in handen" en onder de macht — niet zelden tyrannieke macht — van de Machten en Overheden. En dat moet ons te meer een open oog geven voor wat echt gereformeerd is en niet verkapt remonstrantsch of naar roomsche structuur. Staat en Kerk ieder een eigen terrein. Overheid en Kerk ieder een eigen, zelfstandige plaats. De Kerk van Christus moet zich zelf zijn, met eigen belijdenis en kerkelijke orde van samenleven, onder haar eenig Hoofd Jezus Christus. De wereldsche Overheden en aardsche Machten hebben, naar Gods Woord, hun eigen werk te doen op eigen terrein. En daarom principieel geen scheiding van Staat en godsdienst.  Maar wel principieel scheiding van Staat en Kerk — zooals alle Gereformeerden in alle landen hoe langer hoe meer voorstaan, achtgevende op de stemme Gods in de geschiedenis en klaarder tot ons sprekend in

Kapellen bouwen.
In het midden van onze Hervormde Kerk heerscht groote verwarring. Men zou kunnen spreken van verval; van ruïne zelfs. 't Ligt soms wanhopig door elkaar. En dan zijn er altijd menschen geweest, en die zijn er nog, die over die ruïne spreken — soms met een hard hart en bitter gemoed — om het kennelijk toe te leggen hierop, dat er uit de ruïne steenen — naar hun oordeel de beste steenen dan — worden uitgezocht, om met die gestolen steenen een kapel te bouwen, op eenigen afstand van het vervallen huis des Heeren. En in die kapel, klein en knusjes dan naar hun voorstelling ingericht, willen ze gaan wonen met „geestverwanten"; de „naaste geestverwanten".
Dan laten ze het huis des Heeren woest. Dan maken ze de verwarring des te grooter.  Dan mislukken ze ook zelf. En ooit nog saam te voegen, wat men zóó uit elkaar haalde, is voor goed onmogelijk gemaakt. 't Wordt dan aan twee, drie, vier kanten „onze" Kerk; en wie zal ooit al die „onze" Kerken, of die „ik" Kerken bij elkaar brengen? Ook al is men 't eigenlijk over bestek en teekening en inrichting in beginsel ééns, dan is saamvoeging van al die „ik" Kerken absoluut uitgesloten. Daarom geen kapelletjes bouwen met de steenen aan de moederkerk ontroofd, maar saam de Kerk des Heeren in dezen lande terugroepen tot Gods Woord, voor den weg des heils en voor het kerkelijk samenleven. En die dan om des Woords wil niet bij ons hooren, zullen om des Woords wil moeten heengaan.

Per advertentie gevraagd.
Het wordt een „meer en meer gebruikelijke weg" in het midden van de modernen of Vrijzinnig-Hervormden per advertentie een dominé te vragen wanneer ergens een vacature is. Zoo lazen we in het laatste No. van ,,Kerk en Volk" een advertentie — tusschen een doodsbericht en een aanvrage voor een „nette dienstbode, niet beneden 18 jaar, loon ƒ 20.— per maand" — belangende de Vacature Zwartewaal", waarin dan te lezen staat: „Welke Vrijz. Herv. predikant (dienstdoende, emeritus of proponent) heeft lust om zich in verbinding te stellen met de Herv. Gemeente van Zwartewaal (± 450 zielen) waar hij een flinke kern van belangstellenden vindt, voor wie hij veel zou kunnen zijn? Inlichtingen bij den Consulent, ds. A. Priester, Nieuw-Helvoet."
Wij vinden dezen weg van „vraag en aanbod" wel een weinig vreemd. We dachten dat er voor het treffelijk ambt andere en betere wegen zijn aangewezen.
Maar verblijdend is in elk geval, dat hier een moderne gemeente is, waar een „flinke kern van belangstellenden" is, voor wie een dominé van vrijz. richting „veel zou kunnen zijn". Zou men ook misschien wat nader in een volgende advertentie willen omschrijven waarin die „belangstelling" bestaat en waaruit die „belangstelling" blijkt? En zou men ook misschien willen zeggen waarin de dominé „veel zou kunnen zijn" voor die „flinke kern"?
Wij hebben bij ervaring, dat er in moderne gemeenten soms een „flinke kern" gevonden wordt, die „veel belangstelling" toont. Ook dat een modern dominé dan „veel voor die flinke kern van vrijzinnigen kan zijn". Maar wij hadden dan wel eens den indruk, dat het niet precies uitkwam waar men 't nu op kerkelijk terrein van een dominé en van belangstellende menschen zou verwachten. De belangstelling concentreerde zich wel eens ver van de Kerk verwijderd en de dominé was dan ook 't meeste voor de belangstellenden op andere plaatsen dan in de Kerk!
In hetzelfde No. van „Kerk en Volk" waarin per advertentie bekend gemaakt wordt, dat in Zwartewaal een flinke kern van belangstellenden is — wordt ook opgenomen wat ds. R.J. van der Meulen, rechtzinnig predikant in N. Holland over de vrijzinnige gemeenten daar schrijft. Hij vraagt: „Welken invloed had het modernisme op onze gemeenten?" En 't antwoord is: „Het deed de belangstelling in Kerk en godsdienst dalen, zoo niet verdwijnen, 't Aantal kerkbeurten en dat der kerkgangers verminderde, de inkomsten werden kleiner, lust om een kerkelijk ambt te bekleeden, verdween. Zoo zagen we nog in onze dagen gemeenten als Oudendijk en Kwadijk te niet gaan". Verder zegt ds. Van der Meulen dan, dat sommige gemeenten in N.-Holland rechtzinnig werden. Doch: „zulke gemeenten kunnen schijnen rechtzinnig geworden te zijn, maar zoodra een weinig kieskeurige vrijzinnigheid alle niet-rechtzinnigen oproept om de zaak onderstboven te werken, dan komt het uit, dat de rechtzinnigheid in de minderheid bleef".
Ds. Van der Meulen voegt er dan bij, dat de vrijzinnigen, die scherp tegenover rechts staan, „weinig kieskeurig zijn in de grensbepaling ten opzichte van links". Ja, ja belangstelling soms genoeg bij de vrijzinnige Hervormden. Maar den meesten tijd aan den verkeerden kant.
Zoo lazen we juist dezer dagen nog, dat in een paar gemeenten in Noord-Holland, b.v. in Stompetoren, de predikant met den koster een afspraak gemaakt heeft, dat de dominé als gewoonte zal aannemen om 's Zondags niet naar de kerk te komen om te preeken; als de koster merkt dat er dan een paar menschen in de kerk zijn, dan moet deze den dominé maar even waarschuwen, 't Is dan nog tijd genoeg, om te komen voor den herder en leeraar der gemeente.
Wij verwachten, dat de koster nu ook spoedig thuis zal blijven, totdat de meid van den dominé hem komt zeggen, dat er iemand voor de deur van de kerk staat.
Toch belangstelling — Bij enkele rijke boeren, om — neen, niet in de kerk te komen, maar om, uit haat tegen de fijnen, alles in 't werk te stellen, dat de macht toch maar in handen van de modernen blijft! En dan is men weinig kieskeurig bij het kiezen van wegen en middelen!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 februari 1928

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 februari 1928

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's