Art. 36 Ned. Geloofsbelijdenis.
III
De lezers, die met aandacht het tweede gedeelte van de verhandeling over Artikel 36 lazen, moeten wel gemerkt hebben, dat er een bedoelde aanhaling van het stuk van den historicus Schoock uitgevallen is. En wel, wat moest komen vóór: „Tusschen de regels door lezen we hier ..... " Eigenlijk wel een beetje grappig! De taak om „tusschen de regels door te lezen" is toch al niet licht, maar zonder regels eenvoudig onmogelijk.
Nu ter zake.
't Eerste gedeelte van wat Schoock mededeelt, stond dus wel in 't vorig nummer, n.l. dat Guido de Bray begonnen was, reeds in 1559, om enkele artikelen van de overeenstemming in de rechtzinrige leer s a m e n t e l e z e n. Dit „samenlezen" drukt eigenaardig juist uit, wat Guido de Bray deed. Hij volgde de Fransche Confessie, doch werkte deze om, formuleerde anders. Hij deed als de kundige schilder, die naar het origineel (hier het werk van Calvijn) een voortreffelijk copie leverde.
Saravia heeft deze stukken meegenomen naar Geneve en ze aan Calvijn vertoond.
En dan volge hier verder wat uitviel:
„Maar daar deze artikelen (Geloofsart.) door den schrijver (G. de B.) in 't Fransch waren opgesteld, omdat deze taal voor de meeste Nederlanders uit dat deel van het land de moedertaal was, of althans hun welbekend, hebben de Geneefsche theologen aan Saravia den raad gegeven, dat hij zoowel den schrijver als de andere predikanten in Nederland vermanen zou, d a t z e l i e v e r i n z a k e d e b e l ij d e n i s t o t o v e r e e n s t e m m i n g z o u d e n k o m e n m e t d e F r a n s c h e b r o e d e r e n, wier belijdenis onlangs op de eerste Synode te Parijs, te weten 19 Mei 1559, vastgesteld was. Toen Saravia kort daarop in Nederland teruggekeerd was, heeft hij zoowel mondeling als door geschreven brieven, die hij van de Geneefsche theologen meebracht, den r a a d v a n C a l v ij n en diens ambtgenooten aan Guido de Bray meegedeeld en deze heeft de artikelen daarom onder zich gehouden tot het jaar 1561". In 1565 wordt weer 't advies gevraagd en dan antwoordt men uit Geneve, dat zij deze geloofsartikelen als rechtzinnig hadden erkend, maar dat zij overigens van oordeel waren dat de Ned. Kerken g e e n e i g e n C o n f e s s i e n o o d i g h a d d en.
Na deze aanhaling van Schoock vervolgen we thans onze historische beschouwing.
Het valt u allereerst natuurlijk op, dat inplaats van: acht te nemen en te waken over de kerkelijke zaken, thans in de Nederl. Confessie staat: de hand te houden aan den Heiligen Kerke dienst.
Acht nemen en waken over kerkelijke zaken, zooals Guido de Bray oorspronkelijk neerschreef, is zoo iets als doen wat des Kerkeraads is, en de hand houden aan den heiligen Kerkedienst, is de onbelemmerde h a n d h a v i n g van de Religie. En deze verzwakking in de omschrijving kwam met gemeen goedvinden tot stand drie jaren nadat de eerste Confessie door de Bray opgesteld was. Dus in 1565 op de Synode te Antwerpen. Marnix en anderen op de Synode, waaronder Junius, waren kennelijk beangst geworden (zie dr. de Visser, blz. 136) voor een te omvangrijken en gewelddadigen invloed der Overheid in kerkelijke zaken.
In 1566 is de Belijdenis aldus veranderd gedrukt, en weer met een brief gezonden aan Filips. Achter de Belijdenis was gevoegd een Vertoog aan de Overheden in Nederland en daarin lezen we: Het meeste deel der oude leeraars hebben geacht dat de Overheid niet geoorloofd is, de consciëntiën aan te roeren om die te verweldigen en te bedwingen te geloven, mitsdien dat het stalen zwaard hun in handen gegeven is, om de rovers, dieven, doodslagers en anderen, die deze menschelijke regeering beroeren, te straffen. Maar aangaande de Religie ende hetgeen tot de ziel behoort het eenig geestelijk zwaard des Woords moet en mag hier naarstelijk remedieeren; scheidende den ijver en religie, die iemand beschermt van de oproerigheid en verstooring der regeering.
Maar wij zijn in deze zaak tevreden deze goede leeraars niet te volgen noch te geloven. W ij b e l ij d e n, d a t d e O v e r h e i d m o e t d e k e n n i s h e b b e n d e r k e t t e r ij e n (d e w e l k e w ij t o e s t a a n t e z ij n v e r s t o o r i n g e n o n d e r 't g e m e e n e v o l k).
Hoe zwak is hier artikel 36, en dan nog een verdunde middelmoot, verdedigd.
Goede leeraars hebben gezegd: Inzake Religie zal 't zwaard des Geestes gehanteerd worden en niet het zwaard der Justitie, maar wij stellen ons tevreden te verklaren, dat de Overheid wel degelijk kennis moet nemen van de ketterijen, immers daaruit komen de verstoringen onder het volk!
Wat blijft er hier in die toelichting over van:
weren en uitroeien van ketterij en afgoderij?
het Rijk des Antichrists te gronde te werpen?
het Koninkrijk van Jezus Christus te vorderen?
het Woord des Evangelies overal te doen prediken? enz.
Wij zagen dus: 1°. dat de Calvijnsche Confessie van de Overheid eischt, dat voor de burgerlijke, uitwendige rechtheid van zeden, dus voor het publieke terrein des levens, ze in haar strafrecht handhaven zal de Wet Gods en dat buiten en behalve dat, volgens Guido de Bray in zijn eigen, opgesteld, zelf gemaakt artikel 36, de Overheid weren zal, uitroeien ketterij en a f g o d e r ij, e n h e t W o o r d d e s E v a n g e l i e s d o e n p r e d i k e n o v e r a l.
En 2°. zagen we, dat dezelfde menschen in denzelfden tijd (een paar jaar later) er geen been in zien om een voornaam gedeelte, van dat artikel anders te zeggen niet alleen, maar veel minder geprononceerd de taak der Overheid ten opzichte van de Kerk te stellen.
In politieken zin is de Confessie van 1561 een apologie, een verweerschrift, gezonden aan Filips, om duidelijk in het licht te stellen: wij. Gereformeerden, zijn geen Wederdoopers.
Schoock zegt zelfs: Guido de Bray heeft eenige artikelen saamgelezen vooral omdat de Inquisiteurs de razende Wederdoopers op één lijn stelden met de Gereformeerden. En zoo komt het eigenaardige, de quintessence van artikel 36, in het juiste licht. Immers dan zegt de Bray zelf aan 't eind van artikel 36 als samenvattende bedoeling van dit artikel:
En hierom (hierin, hierover) verwerpen wij de Wederdoopers en andere oproerige menschen en in 't algemeen al degenen, die de Overheden en Magistraten verwerpen en de Justitie omstooten willen, invoerende de gemeenschap der goederen en verwarren de eerbaarheid die God onder de menschen besteld heeft.
En alsof 't nog niet duidelijk genoeg was, zegt de Antwerpsche Synode: Wij belijden, dat de Overheid moet kennis nemen van de ketterij, dewelke wij toestaan te zijn verstoring van 't gemeene volk.
(Wordt voortgezet).
P.A. v. S.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 februari 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 februari 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's