IN MEMORIAM - J.C. FLIEHE
Zooeven werd ons telegrafisch bericht uit Arnhem: „De penningmeester hedenmiddag kalm en rustig in zijn Heiland ontslapen." En zoo is het een feit geworden: Onze penningmeester, de heer J.C. Fliehe, is niet meer! De dood heeft ook hem weggerukt en zijn plaats zal voortaan ledig zijn onder ons! Wij willen het wel weten, dat dit bericht ons diep getroffen heeft. Tot in het diepst van onze ziel heeft het ons ontroerd.
Want ja, wij hadden niet anders verwacht de laatste weken. Dat bericht moest komen. Sinds we hem opzochten in 't begin van Januari stond het voor ons vast, dat met zijn ziekte de dood gemoeid was. De altijd vaardige penningmeester was niet vaardig meer; de altijd werkzame en altijd ijverige, was gebroken in kracht en kon niet meer gaan en niet meer staan. Aan alles was het te zien, dit leven ging een eind nemen. Ook deze kloeke en opgewekte werker en strijder was aan 't eind van zijn loopbaan gekomen.
Maar, hoe is de mensch? Zoolang er leven is, is er hoop. Men hoopt soms tegen hope in. En ons gebed is geweest, dat, indien het in Gods raad kon bestaan, deze ons zoo dierbare vriend en broeder ons nog wat gespaard mocht worden; dat hij zijne vrouw en ons als uit den dood mocht worden weergegeven. Edoch! het heeft niet zoo mogen zijn. Hij is niet meer. Ook deze krachtige boom is geveld. Ook dit kostelijke leven is afgesneden. Deze goede vriend is heengegaan. Onze altijd zoo volijverige penningmeester zal nooit, nooit meer tot ons spreken, zal ons nooit meer schrijven, zal nooit meer de kolommen vullen van „De Waarheidsvriend", zal nooit meer bedelen onder ons, nooit meer blij getuigen van zoovele goede en heerlijke dingen, die zijn hart en ons aller hart vervulden met zoo groote vreugd.
Wat heeft hij veel voor onzen Bond gedaan! Neen, dat is eigenlijk niet te zeggen, dat is niet onder woorden te brengen. Toen onze Gereformeerde Bond moeilijke, zéér moeilijke tijden moest doormaken, is hij met ons saam in het werk van onzen Gereformeerden Bond ingegaan. Neen, hij heeft het niet gezocht. De Heere Zelf heeft hem in dit werk gezet. En daarvan mocht hij zich zoo heerlijk bewust zijn. Hij was het niet die werkte. God werkte door hem. Hij was het niet, die groei en bloei bracht, maar Jezus Christus, zijn Heiland en Zaligmaker, gaf hem kracht en lust, geloof en wijsheid. Het was hem telkens een wonder, dat de Heere hem gebruiken wilde. En dat de Heiland hem gebruiken kon, was voor hem altijd een bewijs, dat het louter genade is, niets dan vrije gunst die van God genoten wordt, want als er ook maar iets van den mensch bij moest komen, dan zou de Heere hem zeker niet gebruikt hebben. En nu tot zoo vele en tot zoo groote en tot zoo heerlijke dingen bekwaam gemaakt, week aan week, jaar na jaar — ja, dat deed telkens neerknielen voor den Heere om uit te roepen: Wonderlijk zijn Uwe wegen, o Heere! Dat deed telkens bekennen: Uw gunst is beter dan het tijd'Iijk leven!
In God heeft hij kloeke daden gedaan. Kennelijk door den Heere bekwaamd, kon hij week aan week z'n werk doen. En hoe heerlijk heeft hij 't mogen doen! Omdat God hem wilde gebruiken!
Week aan week sprak hij tot ons allen. Week aan week grepen we, naar hetgeen hij ons te schrijven had. Week aan week luisterden wij naar hetgeen hij ons ging vertellen. En wat deed hij 't smakelijk. Origineel bracht hij telkens oude en nieuwe dingen voort. Nooit was hij vervelend, altijd interessant. Altijd sprankelden zijn zinnen van vuur en liefde, waarvan hïj vol was en waaraan hij zoo gaarne uiting gaf.
Hij moest spreken, hij moest schrijven. Hij kon niet zwijgen. Zijn hart en zijn hoofd waren er van vervuld en zijn mond vloeide er van over. En achter alles en in alles werkte de liefde, de liefde tot God, de liefde tot zijn Heiland, de liefde tot de waarheid naar Gods Woord, de liefde tot de Kerk, waarin wij saam mochten leven en werken, mochten bidden en strijden. Nooit miste hij op onze vergaderingen, op de bestuursvergaderingen niet en niet op de Bondsvergaderingen. Dat waren z'n gelukkigste dagen, Dan genoot hij. Dan werkte hij en deed werken. Dan gaf hij en ontving.
Op onze Zendingsdagen zelfs was hij „onze penningmeester". Nooit kon hij zijn roeping verloochenen. Hij kon en wilde zich niet anders voordoen dan hij was. En hij was „penningmeester van den Gereformeerden Bond"!
Kinderen had hij niet. En toch had hij kinderen. God had hem in een groot en druk huisgezin gezet. En zijn kinderen hebben een goeden, besten Vader in hem gehad.
Neen, het is niet onder woorden te brengen! Maar zeker is het, dat zijn hooggeachte Vrouw veel, veel in hem verliest. Zij, die hem altijd bijstond ook in dit zijn werk; zij die hem altijd hielp, sterkte, aanvuurde — zij verliest o zooveel in hem. Ook dat is niet onder woorden te brengen. Neen, dat zeker niet! Doch ook onze Bond kan nooit genoeg waardeeren, wat wij in onzen penningmeester Fliehe hebben mogen genieten, zoo vele jaren, op zoo gansch bizondere manier.
En dat doet ons stil en dankbaar zijn nu.
Want wat hebben we veel, ja veel! in hem van den Heere ontvangen en dat zoovele jaren. Zullen we Hem niet prijzen nu? Zullen we Zijnen Naam niet loven? 't Zijn toch ook voor ons, voor onzen Bond onverdiende zegeningen geweest? Goede gaven des Heeren, ons boven bidden en denken, uit liefde en milde ontferming geschonken!
Neen, zijn werk is dan ook niet ijdel geweest in den Heere! En zijn nagedachtenis zal bij ons, bij alle leden van den Gereformeerden Bond, bij alle lezers van „De Waarheidsvriend", bij allen die genoten hebben en nog genieten van en door de fondsen, in gezegende, in dankbare herinnering blijven.
Onzen penningmeester Fliehe vergeten we nooit. En we danken den Heere voor de goede, heerlijke gave in hem ons gescnonken!
Hij is niet meer.
Neen — niet meer bij ons. Maar nu is hij waar hij wezen moest. Hij is bij zijn Heiland. Daarvoor heeft de Heere hem gezocht en getrokken en geleid en gezegend, om zijn Heiland te vinden, om hem als zijn Losser, zijn Zondevernieler, zijn Zaligmaker te leeren kennen. En daar is hij nu gebracht in heerlijkheid. Nu, zonder zonde. Nu, heilig en volmaakt en heerlijk. Nu, in den hemel. En voor eeuwig.
Neen, penningmeester, we vergeten U niet. We misgunnen het U niet, wat Ge blij tegemoet gegaan zijt, met een glimlach in Uwen Heiland ontslapend. We staren U na in groote liefde, in groote dankbaarheid.
Zalig, ja zalig zijn de dooden, die in den Heere sterven! Nu rust hij van zijn arbeid. Hij rust in zijn Heiland. Hij is tot de zaligste rust gebracht met de hemelsche schare der gezaligden van alle tijden en alle plaatsen.
Dank, dank Heere, voor wat Gij ons in hem geschonken hebt.
Dank, dank Heere, voor wat Gij hem in Christus geschonken hebt.
Verzadiging met vreugd, eeuwiglijk!
M. VAN GRIEKEN
Woensdag 1 Febr. 1928.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 februari 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 februari 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's