De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

FEUILLETON

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

FEUILLETON

5 minuten leestijd

Kleine Luijden
SCHETSEN UlT HET FRIESCHE DORPSLEVEN,
door IDSARDI.
2)
Maar daar heeft vrouw Deelstra niet tegen gekund. Heeft zij zelf ook geen kleine kinderen, die op dit oogenblik al in hun warm nestje liggen? En zonder zich te bedenken, riep zij haar man, die de courant zat te lezen. „Wat of er aan de hand was?" — heeft hij gevraagd, om vervolgens met een meewarigen blik, de handen in de broekzakken, die vreemde vrouw op te nemen, onderwijl zijn wederhelft hem vertelde hoe hulpeloos dit mensch in de wereld stond, zonder te weten waarheen te moeten gaan. Deelstra is al een jaar of achttien diaken geweest, en als zoodanig wel gewoon met arme menschen om te gaan. Hij kende van velen hunner den levensloop, maar ook de jeremiades die er vaak kwamen, wanneer een onderzoek werd ingesteld; naar de huiselijke behoeften of den persoonlijken levensnood. Zijn ambt heeft hem, gelijk velen, onwillekeurig hard gemaakt, omdat hij zooveel met zijne collega's bedrogen werd, en niet zelden ondank het loon was voor hetgeen ter voorziening van de nooddruft werd geschonken. Vandaar dat hij niet op eerste indrukken afging en allerminst door klaagliederen bewogen werd.
Maar deze vrouw sprak heelemaal niet; vroeg ook nergens om; wilde blijkbaar niemand lastig wezen, doch scheen veeleer plan te hebben gehad alleen haar kruis te dragen, dat niet licht was.
Bovendien was er iets in haar heele wezen dat aantrok, in elk geval haar deed onderscheiden van gewone bedeltypen. Zij had iets voornaams in haar optreden, dat onwillekeurig denken deed aan betere dagen en het vermoeden wettigde, dat men hier te doen had met vervallen grootheid.
Zoo kwam het, dat hij heel zacht tegen zijn vrouw gezegd heeft: „laat dat mensch even in de keuken en geef ze een warm bakje koffie; we kunnen dan verder zien."
Later heeft hij, vooral van zijne collega's die met hem het ambt van diaken bedienden, er heel wat over moeten hooren, dat hij zich dien avond door zijn medelijdend hart liet verleiden, dit vreemde schepsel een onderdak te geven. „Of men dan geen armen en weduwen in eigen gemeente genoeg had, " — is hem een week daarna in de gewone zitting gevraagd. En of deze vreem delinge, van wie men zoo wat niets wist, omdat zij zoo weinig mogelijk uitliet, ook nog moest worden ingehaald om de reeds schrale diaconiekas mede te plunderen?
Want die avond is voor de verdere toekomst van Sien beslissend geweest.
Toen men haar in de warme keuken bij een helder brandend vuur eenige verkwikking gegeven had, bleek het hoe deze hulpverleening juist op het rechte oogenblik kwam. Of het moest worden toegeschreven aan uitputting van kracht, of aan den plotselingen overgang uit de snerpende kou in de warmte, of aan de medelijdende blikken die de omstanders wierpen op haar en haar kind, of aan al deze omstandigheden te zamen genomen, maar in elk geval is zij daarop zóó onpasselijk geworden, dat van verder te reizen geen sprake meer zijn kon. „'k Had wel een monster moeten wezen als ik dat schepsel de deur had uitgestuurd, en ongetwijfeld was zij op mijn stoep inéén gezakt en bezweken" — heeft Deelstra gezegd, toen men het hem al te bar maakte met aanmerkingen op zijn hulpvaardigheid.
Zoo heeft men in allerijl voor haar een bed in gereedheid gebracht en den dokter ontboden, die een opkomende koorts constateerde, waarschijnlijk tengevolge van uitputting en doorgestaan leed, en althans voor dezen nacht een onderdak noodzakelijk achtte, „'t Was wel geen lekker hapje voor de familie, omdat men niet wist wie men in huis haalde, en dan was dat mormel van een kind er ook nog met zijn wijsgeerig gezichtje, maar 't was toch een mensch, en het ging in een Christenland toch niet op een avond als deze, waarop men zelfs geen hond het huis uitjoeg, haar de donkerte in te sturen, waar intusschen een fijne sneeuwjacht het voortgaan bijna onmogelijk maakte. Morgen zou hij wel eens terugkomen. Hij kon dan beter weten wat er achter zat. In elk geval van nacht maar trouw innemen als zij tenminste niet sliep. Een warme kruik was ook probatum."
Maar den volgenden morgen was het niet beter. Een zware ziekte is daarop gevolgd, waarin dit menschenleven dagen lang zweefde als aan den rand van het graf, en soms alle hoop op behoud ijdel scheen te zijn. Medelijdende buren hebben vrouw Deelstra in die dagen trouw bijgestaan, vooral toen er gedurende de eerste nachten bij de zieke gewaakt moest worden. Natuurlijk was zij dagelijks, zoowel achter de toonbank als in het dorp, het onderwerp van het gesprek. Onophoudelijk ging de winkelbel, en menschen die anders nooit bij Deelstra om brood kwamen, maakten nu een boodschap om te informeeren hoe het met die vreemde vrouw was. Elk verdiepte zich in gissingen wie zij toch wezen mocht en vanwaar afkomstig. Aan de uitspraak te hooren moest zij uit Holland zijn, of althans langen tijd daar gewoond hebben. In elk geval was het zeker, dat zij tot zeer beschaafde familie behoorde of tenminste in zulke kringen zich bewogen had. Ook hare kleeding droeg hiervan de kenmerken. Een enkele maal had zij zich in hevig koortsijlen eenige woorden laten ontvallen, die aanleiding gaven tot allerlei vermoedens. Nu eens smeekte zij om haar met het kind toch niet te verstooten; dan weer noemde zij namen van personen die een goeden klank hadden in kerkelijke en politieke kringen. Soms scheen zij te luisteren naar verre klanken, die haar streelden en een glimlach op het ingezonken gelaat tooverden; dan weer greep hevige benauwdheid haar aan, als zij de vreemde gezichten rondom haar niet herkende en zij in deze hare vervolgers meende te zien, die haar kind dreigden te ontnemen. Een enkele maal had zij in brandenden koortsgloed den ouden psalm van 't hijgend hert gezongen. En altijd was het einde dier aanvallen van benauwdheid en angst, dat zij verklaarde niets kwaads te hebben bedoeld, en alles wel weer te zullen goed maken.
(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 februari 1928

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

FEUILLETON

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 februari 1928

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's