De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

Heilzame zelfverloochening

12 minuten leestijd

Hij moet wassen, maar ik minder worden. Joh. 3 vers 30.

Heilzame zelfverloochening.
Reeds had Johannes de Dooper eenigen tijd mogen arbeiden in den geest en de kracht van Elia, om vóór den Heere uit te gaan als de heraut voor den Koning en Zijn komst voor te bereiden en aan te kondigen. Niet tevergeefs had hij gearbeid. Geheele scharen waren tot hem gekomen, die op zijn ernstige boetprediking deemoedig het hoofd hadden gebogen, belijdende hunne zonden, en waren door hem gedoopt. Hoe had hij met kracht en klem, met vurige bezieling mogen wijzen op Christus, als op het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt. Maar hoe weinigen hadden zich aanvankelijk achter Christus gevoegd om Hem na te volgen. Nu werd het evenwel anders. Daar kwamen meerderen, die Christus navolgden. Dat trok zelfs de aandacht van de discipelen van Johannes; het wekt zelfs naijver bij hen. Nu ook de discipelen van Christus doopten, vreesden zij, dat hun meester aan invloed zou verliezen en Christus, als de nieuw opgetreden leeraar, allen achter zich zou trekken. Zij wijzen Johannes daarop en verwachten, dat hij hen wel bij zal vallen.
Maar hoe gansch anders komt dat uit. Neen, dat verwekt bij hem geen naijver, integendeel, dat is hem een oorzaak van groote blijdschap. Hoe meer hij dat mag zien, zooveel te meer zal het duidelijk zijn dat hij zijn doel mocht bereiken. Heeft hij zelf hun dat niet gepredikt, dat hij slechts een voorlooper was, de vriend van den Bruidegom, die uitgezonden werd om Zijn bruid Hem te werven? Zou hij dan niet blijde zijn nu zijn werk zoo goede vrucht draagt? Hij verblijdt er zich in dat Christus meerder en hij minder wordt. Zóó toch moet het gaan.
Hoe getuigt dit woord van Johannes van ware zelfverloochening. Hoe geeft hij daarin blijk te verstaan de roeping, waartoe de Heere hem gesteld heeft. Gelukkig die dienstknecht, die door den Heere uitgezonden wordt, die het verstaan mag dat het in zijn roeping niet gaat om hem zelf, maar om de eere des Heeren en de uitbreiding van Zijn gezegend en heerlijk Koninkrijk.
Gelukkig ook, wie de waarheid van dit woord van Johannes ook in het eigen leven mag leeren verstaan, in zijn verhouding tot Christus. Dat toch is heilzame zelfverloochening, die gezegende vrucht doet rijpen tot eere des Heeren en tot welstand van het eigen leven. Iets daarvan moet worden gekend en ervaren tot ons behoud en wordt ook gekend door allen, die van Christus zijn en die tot Zijn ware discipelen mogen behooren. Het is noodzakelijk, dat wij daar iets van leeren verstaan, want daaruit blijkt het werk van ware genade.
„Hij moet wassen, maar ik minder worden". Dat is — om maar dadelijk te komen tot ons doel — de korte samenvatting van heel het werk der genade in het leven van al Gods kinderen. En dat meerder worden van Christus en dat minder worden van de Zijnen is maar niet de ervaring van een enkel oogenblik in het leven, maar dat is de ervaring, die zij gaandeweg moeten doormaken in hun leven; tot het einde toe. Hoe meer zij die ervaring mogen smaken, hoe profijtelijker en zaliger dat voor hen is. Daarom is dan ook dit een woord, dat verstaan wordt door allen, die in den weg des levens mogen geoefend worden.
Vraagt gij wellicht, wat er dan toch plaats heeft wanneer Christus wast en de begenadigde zondaar, het kind van God, minder wordt, zoo laat ons daarop een wijle letten.
Wij doen slechts een greep. Want wie zal het in al zijn volkomenheid schetsen, wat daarin wel kan worden doorleefd? Wie is bij machte te teekenen al de leidingen, die de Heere met Zijn kinderen houdt om hen deze heilzame zelfverloochening te leeren, waarin uit verlies zuivere winst verkregen wordt? Maar dan is het toch voor allen geldend, dat Christus in hen een gestalte verkregen heeft door het wederbarend werk des Heiligen Geestes. Daar kwam die Geest plaats maken voor Christus in het hart van een zondaar of zondares, door hem of haar bekend te maken met hun zonde en schuld en hun verlorenheid daaronder. Bang kan het zijn in dien weg van ontdekking. Daar wordt behoefte gekend om daaruit te worden gered, verlost van de zonde, bevrijd van de schuld. Na korter of langer tijd krijgt zulk een oog voor Christus en Zijn verlossingswerk en gaat men Hem als noodzakelijk, dierbaar en gepast tot zaligheid achten. Daar komt nu een oogenblik dat zij voor zichzelf met zalige zielsbewustheid het mogen verstaan, dat deze Christus ook hun gegeven is tot hunne redding. Ieder moge dat op eigen wijze doorleven, zooals de Heere Christus en Zijn werk toepast aan de ziel, maar toch verstaan zij het allen, dat Hij alléén de eenige oorzaak is van hunne zaligheid. En zij leeren dien heerlijken ruil doen, waarvan Luther eens sprak: Hij mijne zonden, en ik Zijne gerechtigheid.
Zeker, dan is er al reeds iets van geleerd van het meerder worden van Christus en het minder worden van henzelf. Want niet enkel dat zij hun zonden moeten verliezen, maar ook zelfs al hun gerechtigheden, die hun blijken eigengerechtigheid te zijn, een wegwerpelijk kleed voor God. Doch niet enkel in de ure der rechtvaardiging, maar in heel den weg der heiligmaking worden zij dit gewaar. Ja, gaandeweg zien zij de noodzakelijkheid daarvan, maar tegelijk ook het zalig heil, dat daarin gelegen is. En zoo wordt Christus gekend en hoe langer hoe meer gewaardeerd, noodzakelijk geacht in Zijn naturen, ambten en staten.
Om hunne zaligheid te zijn en te bewerken, moest Hij der goddelijke en menschelijke natuur deelachtig wezen. Waarachtig God en waarachtig en rechtvaardig mensch. Hoe zou Hij anders hun zaligheid hebben kunnen bewerken, wijl er meer dan menschelijke, ja goddelijke kracht vereischt werd om zondaren van eeuwige banden vrij te maken!
Hoe groot was de diepte en zwaarte van den val, waarmede de zondaar van God was afgevallen! Wie zou de Verlosser kunnen zijn, die den zondaar uit de diepte zijner verlorenheid redde, zoo God het Zelf niet zou doen? Maar dat heeft Hij gedaan door Zijn eeniggeboren Zoon, God uit God, daartoe te geven. En welk een oneindige waardij heeft dan ook dit werk van dezen Zoon Gods!
Dat nu mag die begenadigde zondaar zien. Maar tegelijk ook hoe noodzakelijk deze Verlosser mensch moest wezen. Een, die zelve kon ingaan in de menschelijke zwakheden en deze ook moest en kon dragen, wijl de menschelijke natuur gezondigd had. God kon naar Zijn recht van geen ander dan van de menschelijke natuur eischen de betaling van de zondeschuld, die door den mensch was gemaakt. Doch, welk een mensch, volmaakt en heerlijk, mag hij nu in dien mensch Christus Jezus leeren kennen! Hoe heerlijk rijst deze nu in zijn schatting, wanneer hij steeds meer mag zien de volkomenheid van Zijn menschelijke natuur, in al de reine en zuivere deugden, die hij in Hem vinden mag. Geen vlek, geen smet, geen rimpel is in Hem te zien. Zulk een, die zelfs geen zonde gekend heeft en in wiens mond nooit bedrog is gevonden, de eenige, de Heilige, uit den Heiligen Geest geboren. En bij het zien daarvan, hoe afzichtelijk, hoe onrein, hoe verdorven, hoe schuldig wordt nu die zondaar zelve! Daar gaat Christus rijzen voor zijn oog en hij zelf dalen; zulk een reine noodig om zulk een onreine te verlossen!
Zoo is het ook, als zij Hem mogen leeren kennen in Zijn drie heerlijke ambten, allen zoo dierbaar als noodzakelijk en gepast voor hen.
Hij wordt door hen gekend als hun hoogste Profeet en Leeraar, als de eenige, die hen ook maar in waarheid den weg Gods leeren kan. Wat geeft Hij hun lessen, die hen wijs maken tot zaligheid! Hij leert hen als machthebbende en niet als de Schriftgeleerden, want door Zijn onderwijs wordt hun harte omgevormd. Zijn woord is met kracht, zoodat zij hoe langer hoe meer moeten uitroepen: wie is een Leeraar gelijk Hij? Immers, de lessen, daar zij het meest tegen opzien en die hen menigmaal zoo pijnlijk aandoen, blijken de nuttigste voor hen te wezen en het meest tot hun heil te dienen. En hoe meer vordering zij in Zijn leerschool mogen maken, hoe meer zij achteruit gaan, hoe gebrekkiger leerlingen zij in eigen schatting worden. Daardoor zien zij het, dat zij hier maar kennen ten deele en door een spiegel zien in een duistere rede. Doch door dat onderwijs wordt het zoo heerlijk waar, dat Hij wast en zij minder worden.
Zij leeren Hem kennen als hun eenigen Hoogepriester. Welk een heerlijke waarde krijgt Zijn verzoenings-en voldoeningsarbeid voor hen. Hoe groot komt hen voor Zijn Zelfofferande, hoe noodzakelijk, maar hoe algenoegzaam tevens. Welk een waarde krijgt dat voor hen, dat zij weten mogen in Hem een Voorspraak bij den Vader in den hemel te bezitten, die voor hen voortreedt bij den Vader, die op Zijn eigen werk voor hen pleit: Vader, Ik wil niet, dat deze in het verderf nederdale, Ik heb de verzoening voor hen gevonden. Verzoening van de groote zondeschuld, verzoening van de dagelijksche overtredingen. En met den apostel belijden zij: Want zoodanig een Hoogepriester betaamde ons. En hoe schuldiger zij nu worden in eigen schatting, hoe dierbaarder is dat werk en die offerande van dezen Hoogepriester, waardoor Hij den dood heeft willen smaken en Zijn bloed plengen om daardoor een eeuwig geldende verlossing voor hen aan te brengen. Hoe bitter en smartelijk wordt hun daardoor de zonde, hoe leeren zij die daardoor haten en vlieden en hoe groot wordt hun gedurig het wonder van goddelijke ontferming. Ziet, dat doet Christus in hunne schatting wassen en hen zelve minder worden.
Zij leeren Hem ook kennen als hun eeuwigen Koning. Hoe zalig is hun dat, zich onderdanen van dezen Koning te mogen weten en hoe begeeren zij het, dat Hij als Koning in hun hart en leven maar moge heerschen. Welk een machtig Koning blijkt Hij te zijn, die hunne vijanden zich onderwerpt, die de macht van Satan in hen en rondom hen verbreekt. Hoe begeeren zij, dat Zijn Koninkrijk worde uitgebreid en zij zelven en anderen met hen onder Zijn genadeheerschappij mogen leven, opdat Zijn lof steeds grooter worde. Hoe verlangen zij soms om Hem te zien in Zijn Koningsheerlijkheid en verlangen zij naar dien dag, waarop Hij in al Zijn glorie zal verheerlijkt worden. Hoe pijnlijk is het voor hen, dat daar nog zooveel zich tegen dien Koning verzet in hen en rondom hen. Wat klaagt het hen zelven nog menigmaal aan in Zijn vrijmachtig handelen met hen in de leidingen, waarmede Hij hen leidt, dat zij in zooveel nog doen kunnen bedillen en niet willen, dat Hij souverein-Koning over hen zij! Daaraan ontdekt bij vernieuwing, buigen zij ook weder schuldbelijdend voor Hem en erkennen Hem als dien Koning, die met hen doet naar Zijn eigen wil. En daardoor wast Hij en worden zij minder.
Zij leeren Hem kennen in Zijn staten, waardoor zij te zien krijgen, wie Hij was en wat Hij heeft willen worden. Doch in dit laatste ook, wat Hij heeft doorgemaakt en waartoe Hij is gekomen. Hij, die het geen roof behoefde te achten Gode evengelijk te zijn, heeft Zichzelven vernietigd, de gestaltenis eens dienstknechts aangenomen hebbende. Hij heeft Zichzelven vernederd, gehoorzaam geworden zijnde tot den dood, ja, den dood des kruises.
Maar hoe hoog rijst Hij dan wel in hun schatting, als zij dat ondoorgrondelijk wonder mogen schouwen door het oog des geloofs! Daarbij zinken zij in zalige bewondering weg. En dat Hij dat nu deed voor hen, zooals zij zijn en in zichzelf blijven. O, hoe doet hen dat nederdalen, diep buigen. Wat veroordeelt dat hun eigenwaan, hoogmoed en zelfzucht. Wat zien zij daardoor gedurig hunne ongelijkvormigheid. Maar daardoor moet Hij wassen en zij minder worden. Wat erkennen zij het, als Hem ook gansch toekomende dat Hij daardoor ook uitermate verhoogd is en een naam ontvangen heeft, die boven allen naam is in den hemel en op de aarde. Dat Hij nu als hun Koning ten goede is in den hemel om hen van daaruit te regeeren en hen die zalige les te keren, dat Hij het al en zij niets wezen zullen.
Hoe meer zij nu van dit alles maar mogen leeren, hoe rijker volheid zij in Hem mogen zien. Wij moeten maar afbreken, want hier is toch de volheid en rijkdom nooit te overzien. Hier komt men nimmer aan het einde. Want wat zouden we b.v. nog niet kunnen opsommen van al die hoogachting, die zij nu krijgen voor Hem, voor al wat van Hem is, ook voor al Zijn instellingen. Hoe dierbaar is hun Zijn Woord, Zijn huis, Zijne teekenen, die Hij heeft ingesteld. Met welk een heiligen eerbied leeren zij die achten. Neen, 't is geen goed teeken, als een volk, dat met den mond van Hem roemt, met de daad en het leven zich daarin zoo achteloos, zoo slordig kan betoonen. Die Hem hoogachten hebben b.v. ook liefde voor Zijn Kerk, voor Zijn Koninkrijk. En het zal hun bede wezen, dat Hij dit laatste moge uitbreiden en de breuken van Zijn huis herstellen.
O, dan gaat het er niet om zelf er wat mede te worden, maar opdat Zijn naam, Zijn roem, Zijn eer zal worden geprezen en verheerlijkt, gelijk wij bij Johannes kunnen zien. Daar toch wordt het verstaan en daarin het geheim van de heilzame zelfverloochening geleerd: Hij moet wassen, maar ik minder worden. 
Waarde lezers, hoe staat het in dezen met u en mij?
P.                                                                                              J. v. A.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 februari 1928

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 februari 1928

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's