KERKELIJKE RONDSHOUW
Week en slap.
We leven in een tijd, dat we zooveel ontmoeten, zooveel lezen, zooveel hooren, dat nu letterlijk alle vastheid en vertroosting mist. 't Is alles zoo week en zoo slap. Wat armzalige stemming is er dikwijls bij de menschen. Men weet ook niets meer van „het profetisch woord, dat zéér vast is". Men verstaat blijkbaar niets van Gods getuigenis, dat eeuwig zeker is, een lamp voor onzen voet en een licht op ons pad. Men hoort zoo niet, dat „Gods inzettingen gezangen zijn in het land der vreemdelingschap".
Eigenlijk heel „toevallig" lazen we dezer dagen in de „N. R. Cour" een versje. Zoo'n stemmings-gedicht. Van een, ons onbekende, dichteres. En we dachten weer; wat missen de menschen toch veelszins de helderheid, de klaarheid, de vreugd ook, van de Godsgemeenschap en wat is er weinig spreken naar God Woord, 't Is maar wat droomen en peinzen en fantaseeren; alles zoo week en zoo slap. 't Gedicht, dat we lazen, is 't volgende:
Daar was een wonderbaarlijk licht,
Dat zevend door de wolken stroomde,
En voor mij doemde een vreemd gezicht
't Was of ik van den hemel droomde.
Zoo rein en vol beschroomdheid lag
Het landschap in de stilte voor mij.
De steenen wegen schenen bleek
Van ingetogen zaligheid.
De huizen lagen al verspreid,
In groote, vrome eenzaamheid.
De boomen van een wazig groen.
Wierpen hun schaduw mat en grijs.
Heel uit de verte, 't vogellied
Klonk als een mysterieuse wijs.
't Was of het gansche landschap week
Wanneer ik nader trad, verblijd,
En toch, alsof 'k niet toeven mocht
In deze vreemde hemelstreek
'k Heb mij eerbiedig neergeleid
En heb in deemoed 't hoofd gebogen.
Totdat het wonder uit den tijd
Van 't leven weer was heengevlogen.
Wat zegt men nu van zulke „visioenen" en „gezichten" en „openbaringen"? 't Is alles zoo week en zoo slap! Gelukkig, dat „de hemel" nog andere taal spreekt en nog andere dingen openbaart!
Niet minder week en slap!
We lazen nog iets in de „N. R. Cour." Iets van „De Ster in het Oosten" of „De Orde van de Ster", 't Stukje, dat we uitknipten, luidt aldus:
„De Ster", officieel orgaan van de Orde van de Ster", 1ste jaargang no. 2 van deze maand, vangt aan met eenige gedachten van Krishnamurti, waarvan één „Ik zie naar geen buiten U" met o.a. de volgende strofen:
„Ik las van U in boeken veel
Men verhaalt
Dat er velen gelijk aan U zijn,
Veel temp'len bouwde men U,
En met veelheid van riten
Roept men U aan
Doch dit al is mij niet innig gemeenzaam.
Het zijn louter de bolsters
Van menschegedachten.
Mijn vriend,
Zoek mijn Diep-Geliefde
In 's harten geheimste schuilhoeken.
Leeg is de tabernakel
Als het hart niet langer danst".
Dan volgen eenige toespraken van Krishnamurti en een drietal korte bijdragen: De nieuwe beeltenis, Zijn Luister in ons, en Het nieuwe geluk. Aan een der toespraken van Krishnamurti ontleenen wij nog:
„Er is slechts één wet voor allen en dat is het bereiken van bevrijding. Of men beelden vereert in schemerige heiligdommen en in wonderlijk oude tempels zooals in Indië, of ceremoniën verricht zooals men over de geheele wereld doet in rijke mantels, met wierook en het tinkelen van bellen; of men een mysticus is die in contact wil komen met Eeuwigen Geest, die over de wereld zweeft; of dat men zich zeker weet van veel bezit, er is slechts één wet voor allen. Want iedereen tracht te ontkomen aan deze bindende dingen, aan deze smalle groeven, die hem in slavernij houden, waarin hij gevangen is, waarin hij worstelt als een vogel om in de vrije lucht te komen en zijn doel te bereiken. Als gij niet dat verlangen naar bevrijding hebt terwille harer schoonheid, terwille harer eigene heerlijkheid, zult gij zijn als een schip, dat op zee de koers kwijt is, zonder instrumenten die u zullen leiden; zult gij door iederen wind, door iedere aanrollende golf worden meegevoerd naar al de havens, waarheen gij niet wenscht te gaan. Maar vanaf het oogenblik, dat gij dit verlangen en deze brandende liefde voor bevrijding voorgoed in u gevestigd hebt, zult gij de haven in de zee des levens ontdekt hebben. En als gij deze haven ontdekt hebt, zult gij beginnen in te zien, dat gij afstand moet doen van alle dingen, vooral van de dingen waaraan gij waarde hechttet en van de Goden die u geholpen hebben, want bevrijding gaat de Goden en de volmaking der menschheid te boven".
Wat gelukkig, dat we nog een anderen Messias hebben dan de nieuwe Wereldleeraar Krishnamurti. Ons is beter licht geopenbaard! Zalig, die in dat licht het licht mogen aanschouwen.
Verijdelde hoop.
De modernen hadden gehoopt, dat door het magistrale woord van ds. Creutzberg, den predikant van de Duinoordkerk, een deel van de ethischen zouden overloopen van rechts naar links. 't Blijkt nu, dat 't geïmproviseerde woord van ds. Creutzberg als rook en damp is vergaan. Ook ds. Van der Meulen, Nederl. Herv. pred. van Purmerland, (N.-Holl.) komt op deze affaire nog even terug en zegt: „Indien de vrijzinnigen een oogenblik hebben gedacht dat de samenwerking althans met een deel van rechts aanstaande was, dan zullen zij nu inzien, dat hiervan geen sprake is, zelfs niet bij de „ethischen", die hier nog eens bevestigden (nl. op de vergade ring van de Vereen. van Inwendige Zending in Noord-Holland, te Amsterdam gehouden), dat zij liever met rechts zouden ten ondergaan dan een overeenkomst te sluiten met de vrijzinnigen".
Deze verklaring van ds. Van der Meulen verblijdt ons, gelijk we ons ergeren en bedroeven over het z.g.n. humoristisch schrijven, in verband met deze zaak, van ds. Hoek te Amsterdam in het „Weekblad voor Christendom en Cultuur". Want wel vindt zijn toon en zijn betoog allesbehalve instemming bij al de lezers van „het Weekblad", maar dat ds. Hoek zóó uitpakt tegen rechts vinden we onbehoorlijk en afkeurenswaardig. Links heeft er niets aan en rechts ergert zich.
Het grondbeginsel der Modernen
Dr. J.J. Bleeker, modern predikant van Dronrijp (classis Franeker) gaat in „Kerk en Volk", weekblad der Vrijz. Hervormden, op de vraag in „wat eigenlijk het beginsel der Modernen is?"
Hij zegt, dat vele Modernen ook eigenlijk nog niet weten wat het modern beginsel is. Ze hechten nog aan een of andere meening of leer of uitdrukking, wat hieruit voortkomt, dat men dan „de Orthodoxie nog nooit principieel heeft uitgeschud". In z'n redeneering praat men dan nog op de manier, zooals de orthodoxie redeneert.
„In zijn geschrift: „Het Modernisme in Nederland", heeft prof, Roessingh — zoo zegt dr. Bleeker — er zoo terecht op gewezen, dat grondslag van het moderne denken en leven is de „autonomie des geestes", dat er geen hooger gezag is dan het zelfstandig eigen oordeel, dan de stem in eigen hart.
Natuurlijk staat ook de mensch van den modernen tijd onder den vaak enormen invloed van zede en gewoonte, van wetenschap, staat en samenleving, van de inzichten en waardeeringen van menschen om hem heen. Maar toch buigt hij zich nooit voor het een of ander gezag, van bovenaf hem opgelegd. En steeds behoudt hij zich het recht voor kritisch te staan tegenover wat door bijbel, belijdenis, wetenschap of wat anders geleerd wordt en alle beweringen, door deze machten geuit, naar hun geloofsbrieven te vragen. Het laatste kriterium, het diepste gezag, waarvoor wij, vrijzinnig godsdienstigen, ons buigen, is gelegen in het getuigenis van den eigen geest. Wij willen ernst maken met het bekende zeggen: „Zelf moet ge 't zoeken en zelf moet ge 't vinden". Dat is het beginsel, dat ons, in tegenstelling van andere richtingen bij wie deze dingen heel anders staan, vereenigt en dat ons stempelt tot Vrijzinnig Godsdienstigen. En uitgaande van dit beginsel, komen wij tot onderling zeer uiteenloopende inzichten, denkbeelden.
't Is bij ons dus in zekeren zin al vrijwel zooals bij de Ethisch-Orthodoxen. Ook daar is gemeenschappelijk één princiep: primair is niet de leer, doch het leven (n.l. het geloofsleven). En uitgaande van dit beginsel, komen de Ethischen tot zeer ver uiteenloopende dogmatische inzichten en uitspraken.
En zoo is het dus heel zonderling te vragen: „Is dat wel vrijzinnig?", als men een in onze kringen ongewone uitspraak ontmoet. Men verliest dan uit het oog, dat er niet is, en ook nooit wezen zal, een bepaalde Moderne leer waaraan ieder zich te houden heeft, die op die naam prijsstelt. Ons bindt alleen één zelfde beginsel, n.l. de autonomie, de eigenwettelijkheid van den menschelijken geest, het besef, dat wij, in den diepsten grond der zaak, aangewezen zijn op de getuigenissen van ons eigen innerlijk en dus alleen mogen afgaan op wat wij zelf als Waarheid hebben erkend". De mensch dus in denken, spreken, gelooven en handelen autonoom; dat is: eigenwettelijk; dat is: heer en meester. Het zelfbeschikkingsrecht van den mensch. De mensch-god.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 februari 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 februari 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's