GEESTELIJKE OPBOUW
DE GEREFORMEERDE KERKORDE
of
HOE 't IN DE KERK DES HEEREN MOET TOEGAAN. (4)
De Wezelsche Artikelen van 1568 gaan uit van de ambten, die, op 't gezag der Apostelen, naar uitwijzen van Gods Woord, in de Kerk moeten zijn, te weten de Leeraren, de Ouderlingen en de Diakenen, aan wie de zorg toekomt en voor de zuivere bediening des Woords en voor de eerbaarheid en de goede zeden, en voor de armen; terwijl vervolgens hieraan nog toegevoegd wordt de beschouwing van de Sacramenten en de kerkelijke tucht.
Er moeten er zijn die „zorg dragen" dat alles goed toegaat; „verzorgers" der gemeente; die in de Kerk opzicht en toezicht houden en de gemeente dienen om Christus' wil.
Tegen dat woord „ambt" wordt door velen tegenwoordig bezwaar gemaakt. Men zegt, dat er aan dat woord een „hiërarchische" bijsmaak zit. Een ambtsdrager is, zegt men, in de 20ste eeuw iemand met Overheidsgezag bekleed. En dat wil Christus in Zijn gemeente niet! (Matth. 20 vers [26, 27; 23 vers 8—10). 'tMoet niet zóó zijn, zegt men, dat in de gemeente de een over den ander „iets te zeggen" heeft; want alle leden staan gelijk. Dan wil men ook straks niet, wat b.v. Art. 31 van de Dordtsche Kerkorde zegt: „'t Zelfde zeggen heeft de Classe over den Kerkeraad, hetwelk de particuliere Synode heeft over de Classe, enz."
Dat „te zeggen hebben over" wil men niet.
Doch hier heerscht misverstand. Christus wil, dat er goede orde zal zijn in Zijn huis, in Zijn Kerk en nu heeft Hij gegeven herders en leeraars, gelijk de Apostelen in Zijn Naam over de gemeenten ouderlingen en opzieners stelden; evenals er in ordelijken weg diakenen zijn verkozen. En zóó is er „gezag en vrijheid" in Christus' Kerk. Allen broeders en zusters van 't zelfde gezin, maar Eén is ons Hoofd, Die Zelf ordeningen gesteld heeft en gegeven heeft „dragers van den plicht" om orde en toezicht te houden en leiding te geven, om te sturen en te regeeren in Zijn Naam, dienaars der gemeente zijnde niet bij gratie van de gemeente, maar in opdracht van Christus, het Hoofd der Kerk.
Daarom de ambtsdragers of degenen die den plicht en de roeping hebben om in Christus' Naam de Kerk te besturen en te regeeren naar de beginselen van des Heeren Woord, die voor het kerkelijk leven ons daarin zijn gegeven en daarom moeten worden gehouden en bewaard.
De Kerk is niet de Staat. De ambtsdragers zijn niet de Overheden en de Machten der wereld. Maar in het huis Gods zal goede orde zijn en de ambtsdragers, als dienaren van Christus door Hem geroepen, zullen als huisverzorgers Gods hun plicht of ambt hebben te vervullen, niet heerschende zooals de vorsten, maar dienende om Christus' wil, doch, waar noodig, met gezag en met autoriteit optredend in Zijnen Naam en naar de regelen van Gods Woord.
Steeds is men dan ook in de Gereformeerde Kerken uitgegaan van de ambten „op gezag der Apostelen".
Zooals de kinderen gehoorzaamheid verschuldigd zijn aan de ouders, is de gemeente gehoorzaamheid schuldig aan degenen die door Christus over haar gesteld zijn, gelijk wederkeerig de dienaren van Christus gehoorzaamheid verschuldigd zijn aan „de artikelen tot goede orde" door de Kerken gesteld. (Art. 1 Dordtsche Kerkorde; 1 Cor. 14 vers 40, enz.).
Over de (drie) (vier) ambten van Dienaren, Leeraren, Ouderlingen en Diakenen sprekend, zeggen de Wezelsche Artikelen in Hoofdstuk II allerlei dingen, waarvan we enkele bizonderheden willen vermelden — ook dingen, waarmee we gansch niet instemmen.
„In de eerste plaats", zoo begint § 1 van Hoofdstuk II, „is het gansch noodig, dat tot den Dienst van het Woord Gods evenals tot welke kerkelijke bediening ook, niemand wordt toegelaten zonder wettige roeping, verkiezing, goedkeuring, behoorlijke onderzoeking en wettige orde". Vóór alles dus orde, eerlijkheid! Wettige roeping, behoorlijk onderzoek, approbatie of goedkeuring naar wet en regel en orde. Onze Vaderen waren bang voor menschen, die zoo gaarne in het ambt — voornamelijk in 't ambt van Dienaar des Wourds — wilden inkruipen, terwijl ze er geen recht op hadden. En dat mocht zoo maar niet worden geduld en toegelaten. Hoort maar!
§ 2 zegt: „Nu kan een beroeping en verkiezing met geen enkel recht voor wettig gehouden worden, tenzij daarbij zooveel mogelijk èn de kuiperij van den beroepene èn de teugellooze en onbezonnen genegenheden van het volk èn de eerzuchtige heerschappij van de ouderlingen en voorgangers buitengesloten worden".
Ai! mij. Wat een lange lijst van zwarte dingen door onze Gereformeerde Vaderen in 1568 opgemaakt! Is het blijkens deze omschrijving niet aanstonds verschrikkelijk toegegaan in 't midden van de pas ontloken Gereformeerde Kerken? Bij het rooken van de brandstapels!
a. Kuiperij, knoeierij van dengene die zoo graag, onbevoegd zijnde, in het ambt wilde insluipen!
b. Teugellooze, en onbezonnen genegenheden of bedorven smaak en revolutionaire neigingen van het volk, van de leden der gemeente.
c. Eerzuchtige heerschappij van de ouderlingen en opzieners en voorgangers!
Dat waren de drie sluipgeesten die, van binnen uit, de Kerk wilden verderven. Zijn ze er nog? Knoeierij van degenen die voorgangers willen worden? Bedorven smaak van het volk, dat eigengemaakte voorgangers begeert? Eerzuchtige heerschappij van ouderlingen en voorgangers der gemeente? Onze Gereformeerde Vaderen hebben ons gewaarschuwd. Dat wij naar hun stem mochten luisteren! Ook nu.
(Wordt voortgezet).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 februari 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 februari 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's