De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

Menschen vangen.

11 minuten leestijd

Van nu aan zult gij menschen vangen. Lukas 5 vers 10b.

Menschen vangen.
Waar onze weg eindigt, begint die des Heeren. Toen Israël met Farao en diens leger achter zich kwam aan den oever van de Roode Zee, op heel dat voortvluchtend leger van toepassing was: „Ik kon noch voor-, noch rugwaarts treden" en het stond te jammeren voor die golvende wateren: „De zee, de zee!" liet de Heere in die golvende wateren een pad voor ze droog vallen, waarop het verder kon gaan naar het beloofde land. 
Onze verlegenheden worden Gods gelegenheden.
Onze mislukkingen worden niet zelden de voorboden van een ongekenden zegen des Heeren. Wanneer wij zeggen, dat wij niet verder kunnen en wel ophouden moeten, antwoordt de Heere, dat juist daar het begin voor Hem is gelegen. Ons einde blijkt niet zelden Gods begin te zijn. Dit zien we met name in de geschiedenis van de wonderbare vischvangst.
De nacht is vooral in het Oosten de meest geschikte tijd om de visschen te verschalken. In den nacht toch komen deze naar de oppervlakte, terwijl de hitte op den dag ze de diepere en koelere wateren doet opzoeken, waar zij buiten het bereik blijven van het uitgeworpen net.
Thans hebben de discipelen 's nachts al niets gevangen; wat zou het ze baten het visschen op den klaren en warmen dag voort te zetten? En toch, al is het met een zucht over 't onbegonnen werk, op 's Heilands woord worden de pas gespoelde netten weer uitgebracht. En als zij het uitgeslierde net nu ophalen, bevat het zulk een menigte van visschen, dat het net begint te scheuren.
Petrus ziet uit naar hulp. Van den gevangen buit mag niets verloren gaan. Het geloof gaat teeder om met den van God geschonken zegen. Het kan daarmee niet roekeloos zijn. Er komen handen te kort om de gevangen visch te bergen.
Al wat de Heere doet, doet Hij koninklijk. De Heere meet het niet krap af, noch geeft Hij bij mondjes-maat.
In dezen toestand denkt Petrus aan zijn medegenooten op 't andere schip en wenkt ze met de hand om hem te helpen. En als hij dit doet, verlengt hij de korte lippen niet door de handen als een trechter aan den mond te brengen en om zoo als door een scheepsroeper, ze toe te schreeuwen, dat ze komen moeten. Neen, alleen maar een stille wenk met de opgeheven hand. En die wenk wordt verstaan en gevolgd. Er blijkt zooveel gevangen te zijn, dat beide schepen gevuld worden met den gevangen buit, gevangen tegen alle verwachting, zelfs tegen die van zulke ervaren visschers als de discipelen waren. 
Deze wonderbare vischvangst is de profetie van de wondere bediening des Evangelies. In onzen weektekst toch zegt de Heiland zelf: „Van nu aan zult gij menschen vangen".
Dit vangen van menschen is vaak een moedbenemend werk. Het kan zijn, dat de netten naar behooren worden uitgeworpen in de groote volkeren-zee zonder dat er iets gevangen wordt, en dat de visschers moeten klagen als Petrus: „Wij hebben heel den nacht over gearbeid en niets gevangen". Maar dan opeens, even ongedacht als onverwacht, vengoedt één trek al den afmattenden anbeid van jaren. Hij, die het toonde dat het waarheid is wat de Psalmist zegt, dat Hij regeert over de visschen, die de paden der zee doorwandelen, blijkt ook den schepter te zwaaien over de tegenstrevige harten van de kinderen der menschen, welke Hij aan Zijn regiment onderwerpt.
De Kerk des Heeren heeft de netten maar uit te brengen. Het is het bevel van den Koning der Kerk: „Steekt af naar de diepte". Zij heeft hare netten uit te werpen in de volkeren-zee naar Zijn woord: „Predikt het Evangelie allen creaturen".
Die uitgestrekte zee met haar machtig bruisen en met hare verslindende macht is een beeld van het woeden der heidenen en van het bedenken van ijdelheid door de volken. De vloeibare wateren, als waren het granietblokken, worden opgestapeld tot torenhooge golven. De koningen der aarde stellen zich tezamen op als die witgekuifde golven en de vorsten beraadslagen tezamen tegen den Heere en tegen Zijn Gezalfde. Overal hoort ge het Godetergend gegil als uit de diepten der hel uitgestooten: „Geen God en geen meester". Gelijk de zee met haar machtig golfgeklots in haar bruisen, zoo verheffen de kinderen der menschen zich tegen den Heere.
Zie nu op die kokende en bewogen volkeren-zee dobbert het ranke scheepke van den menschenvanger. Geweldig is de macht der wereld in haar opbruisen tegen dat nietige bootje.
Er is geloofsmoed voor noodig om met die diepe kolken en verslindende machten te gaan twisten en te beproeven er den kostbaren buit aan te ontwringen en dat met niets anders dan met 't Evangelie-net.
Er is wel buit te vangen. De menschenvanger echter ziet dien niet eens. Hij kan dien niet zien. Hij is verborgen voor zijn oog in de diepe wateren. Bovendien is die buit niet te vangen met de bloote hand. Wie ving de gladde en glibberige visch met niets dan de bloote hand? Wij vermogen niets met onze hand, met ons kunnen en met onze wijsheid op de groote volkerenzee, evenmin als wij daarmee iets kunnen uitrichten tegenover ons eigen hart.
Wat heeft die menschenvanger dan wel om dien buit uit de diepe wateren op te halen? Niets dan een eenvoudig net. Niets dan de simpele verkondiging van Gods Woord.
Een slap net, een armelijk net, een uitgestamelde prediking, — met niets anders dan hiermee op die groote volkeren-zee!
Is dat de dwaasheid niet gekroond? Van onzen kant gezien, zeer stellig. Maar heeft de Apostel der heidenen het reeds niet gezegd, dat de dwaasheid der prediking wijzer zal blijken te zijn dan de wijsheid dezer wereld? is het niet altijd nog waar, dat het zwakke Gods sterker is dan de macht der wereld?
Het is niet veel, wat de menschenvanger te doen heeft. Hij heeft het net maar uit te brengen en te laten zinken in de diepe wateren. Wat de Heere echter doet, verborgen voor het oog, dat is het al. Hij is het, die de scholen visschen in het net drijft. Werkt de Heere in de diepe wateren, dan heeft de menschenvanger het net slechts toe te halen en op te trekken. En in één trek, gelijk in onzen tekst, wordt vergoeding gegeven voor de vroegere teleurstelling en voor het moeitevolle en vergeefsche tobben, zoodat de verraste en beweldadigde visscher, verlegen en beschaamd onder de goeddoende hand des Heeren, het uitroept: „Heere, ga uit van mij, want ik ben een zondig mensch!" Dat ook wij het bedenken bij allen arbeid in Gods Koninkrijk, dat alle goede gaven en volmaakte giften alleen van den Vader der lichten in Christus Jezus afdalen, opdat bij het uitbrengen der netten de gebeden zich vermenigvuldigen en de Heere uit vrije goedheid onze machtelooze pogingen zegene.
Toen Petrus en die met hem waren het bij het ophalen van het net gewaar werden, dat een groote buit gevangen was, zelfs in die mate, dat het net dreigde te scheuren vanwege de menigte der visschen, wenkten zij hun medegenooten op het andere schip om bijstand. Alleen kunnen zij het werk niet af. Zij hebben de hulp van anderen hierbij noodig. Opmerkelijk is de wijze, waarop hulp gevraagd en verkregen wordt.
Daar staat Petrus op de voorplecht van het schip en wenkt slechts met de hand naar het schip in de verte. Dat is alles. In onzen tijd meent men bijna overal, dat de groote trom moet geroerd worden. Hier echter is niets dan een zwijgend gebaar, een stille wenk. Nauwelijks is die kalme zwaai met de hand gezien, of daar schieten de anderen al toe om de behulpzame hand te bieden. 
Ernstige les, ons hierin gegeven. Worde zij maar ter harte genomen. Dat we toch niet in de leer gaan bij de wereld, die heil verwacht van drukke vergaderingen, waar klinkende moties onder handgeklap worden aangenomen, en van mijlen-lange optochten met vliegende vaandels, van bioscopen en lichtbeelden, waarvan zoo heel veel wordt verwacht. Laten we bevreesd zijn om ook bij het werk der propaganda de sobere lijn te verlaten. De gemeente is dan bezig een gedeelte harer eer prijs te geven.
Maar wee onzer, als we de stille wenken, ons gegeven, niet volgen. Wat zijn de nooden niet vele in onzen tijd! Ze worden bloot gelegd voor aller oog! We zien menschenvangers staan op het Evangelie-schip, ook in de verre verten der heidenwereld. Zij wenken met de hand. Zij zeggen het ons zoo duidelijk, dat de oogst wel groot is, maar dat de anbeiders nog zoo weinig zijn. In het verre Oosten ritselt er iets. Van de afgoden der wereld wordt het in de heidenwereld gevoeld, dat zij niet helpen kunnen.
Wanneer zal de gemeente weer luisteren naarde stille wenken, welke tot ons komen van verschillenden kant? Ik zie ze staan, de menschenvangers, op de voorplecht van het schip; zij wenken met de hand.
Is dat niet genoeg? 
Moet de klacht niet herhaald: ,,Gij geveinsden: het aanschijn des hemels weet gij wèl te onderscheiden en kunt gij de teekenen der tijden niet onderscheiden?"
Het boos en overspelig geslacht verzoekt een teeken; en aan hetzelve zal geen teeken gegeven worden dan het teeken van Jona den profeet.
Een stille wenk als van Petrus moest meer dan voldoende zijn om de gaven te doen verdubbelen. Een hart, in gebondenheid aan Gods Woord, heeft om de hand mildelijk te doen openen, niet noodig dat eerst de trompet schetterend gestoken wordt. Wij geven ook hier een stillen wenk tot steun voor den arbeid tot verbreiding van Gods Waarheid in eigen vaderland, maar ook voor dien buiten de dijken van onze polders, buiten de muren onzer steden en buiten de grenzen van ons vaderland. Bewerke de Heere maar vele harten en schenke Hij dien teederen zin om zulke stille wenken te verstaan.
Wij lezen in 1 Samuel 30: „Gelijk het deel dergenen is, die in den strijd mede afgetogen zijn, alzóó zal ook het deel zijn, dergenen, die bij het gereedschap gebleven zijn. Zij zullen gelijkelijk deelen". Dit is het wondere naar het rijke bestel des Heeren, dat zij, die slechts de behulpzame hand hebben geboden, die alleen maar voor het gereedschap hebben gezorgd, al zijn zij zelf niet mee afgetrokken tot den strijd, dat zij bij het verdeelen van den behaalden buit gelijkelijk mee op deelen zullen. Dit is het, wat we ook opmerken in de geschiedenis van de wonderbare vischvangst.
Ik heb wel eens hooren zeggen van gedurige collecten, dat al dat geld de gemeente maar uitgaat en de families verarmt. Niets is minder waar. De Heere blijft de hand houden aan Zijn Woord, dat de zegenende ziel vet zal worden. Wat besteed wordt in den dienst der zonde en der wereld, verarmt, verarmt grootelijks. Het tegendeel zien we echter hier op de zee van Galilea bij de visschers.
Alleen op het scheepke van Petrus zijn de netten uitgebracht. Zij alleen hebben na den vermoeienden nacht het zware werk weer ter hand genomen. De andere scheepkens lagen stil op het water. Maar nu schiet ook een ander schip ter hulp. Zij volgen den gegeven wenk. Met vereende krachten wordt het uitgebrachte net binnengehaald. En nu gaan die helpers weer weg met een vriendelijk bedankje en een goede fooi? Op meer hebben zij geen recht, als er van recht zelfs sprake is.
We lezen wel anders en dit is het, wat we den lezer bijzonder onder de aandacht brengen moeten. We zeiden hierboven, dat het deel dergenen, die bij het gereedschap bleven, gelijk zou zijn aan het deel van hen, die in den strijd mede afgetogen wanen. Er staat zoo duidelijk te lezen, dat beide de scheepkens tot zinkens toe gevuld werden. Niet dat van Petrus alleen; maar ook dat van hen, die hem slechts hielpen.
De gemeenschap der heiligen was daar op het watervlak geen ijdele klank. En beide de scheepkens werden gevuld. Wie verwaardigd wordt te deelen in het werk van Gods Koninkrijk, zijn loon, dat altijd een genade-loon is, zal groot zijn in den Heere.
Als dat andere scheepke geen hulp had geboden, zou het hoog op het water zijn blijven liggen. Dan was het ruim van het schip niet tot zinkens toe gevuld. Dat is het lot der gemeenten en der personen, die aan zichzelf genoeg hebben. Als een leege boot liggen ze vastgehouden in hoovaardij hoog op het water. Zij weten niets anders te doen dan kwaad te zeggen van die arme tobbers, die beven voor 's Heeren Woord en acht moeten geven op de wenken van hen, die hun hulpe noodig hebben.
Deze scheepkens zonken beide diep in 't water. Hoe meer genade, hoe ootmoediger Christen. Hoe rijker beweldadigd, des te lager zinkt de beweldadigde op de knieën. Die meende, dat hij gaf, zal zien, dat hij niets anders gedaan heeft dan te ontvangen. Overladen, tot zinkens toe overladen, zegt het hart, recht verlegen onder de goed doende hand des Heeren, het Petrus na: „Heere, ga uit van mij, want ik ben een zondig mensch". 
's-Gr.                                                                     W. B.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 februari 1928

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 februari 1928

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's