FINANCIËN
Wanneer men mij vroeger gezegd had, dat ik nog eens Penningmeester van de Gereformeerden Bond zou worden, zou ik het vast niet geloofd hebben. 'k Ben nu ruim 20 jaar Secretaris geweest en heb al dien tijd dat werk met lust en liefde mogen doen. Het Penningmeesterschap eener vereeniging echter heeft mij nooit aangetrokken en ik heb altijd gemeend, dat het mij daarvoor ook aan alle geschiktheid en bekwaamheid ontbrak. Hoe ik er dan toe gekomen ben om althans voorloopig het werk van onzen diep betreurden Penningmeester op mij te nemen? 'k Zal het u zeggen. Toen ik de laatste maal wijlen onzen vriend Fliehe bezocht en hij wel gevoelde dat zijn dagen geteld waren, begon hij zelf te spreken over zijn opvolger, die weldra zijn werk zou moeten overnemen. Ik merkte op — en geloof wel, dat al de lezers van „De Waarheidsvriend" dit met mij eens zullen zijn — dat het niet gemakkelijk, ja, wel onmogelijk zou zijn hem te vervangen. Toen wij er echter even over doorspraken, zeide hij opeens tot mij: ik zou zoo graag willen dat gij straks mijn werk zoudt willen overnemen.
Eerlijk gezegd, ontdeed ik een weinig van den wensch. Immers ik voelde hoe moeilijk het is een der laatste wenschen van een stervende niet te vervullen, en begreep dus aanstonds dat, als ik er ter eeniger tijd toe geroepen zou worden, ik voor een moeilijke keuze zou komen te staan. En werkelijk, voor die keuze kwam ik, toen op de laatste vergadering van het Hoofdbestuur mijn medebestuursleden hun wensch te kennen gaven, die volkomen in overeenstemming was met den laatsten wensch van onzen ontslapen broeder. En nu moeten de lezers van „De Waarheidsvriend" zelf maar beoordeelen of ik er verkeerd aan deed, toen ik meende daarin te moeten beluisteren een roepstem, die niet alleen van beneden, maar ook van boven tot mij kwam en waaraan ik mij dus niet mocht onttrekken. Op deze wijze ben ik er toe gekomen om met weemoed in het hart voorloopig de taak op mij te nemen die God onzen ontslapen Penningmeester op Zijn tijd uit de handen nam.
Meer zal ik er ditmaal niet van zeggen. Ik voeg er alleen de mededeeling aan toe dat ik aan den Directeur van het Centrale Postgiro-kantoor heb verzocht het gironummer van wijlen den heer Fliehe over te nemen. Om redenen van technischen aard kon echter aan dat verzoek niet worden voldaan, zoodat ik nu als Penningmeester van den Bond een nieuw gironummer heb moeten aanvragen.
De volgende week hoop ik te kunnen mededeelen welk nummer ik als Penningmeester van den Bond ontving. Gedurende deze week kan ik dus alleen nog maar bedragen per postwissel of per aangeteekend schrijven ontvangen, in de hoop natuurlijk dat deze zoo ruim mogelijk zullen vloeien. De eerste postwissel die ik in mijn nieuwe functie ontving, was uit
L i n s c h o t e n, van ds. D. Plantinga een bedrag van ƒ 25.—, gecollecteerd bij en spreekbeurt van ds. J. Goslinga te Utrecht. Verder kwam de vorige week nog binnen bij mevr. de wed. Fliehe uit
H o e v e l a k e n, afgezonden door ds. v. Boven aldaar, een bedrag van ƒ 44.04 veneens gecollecteerd bij een daar vervulde spreekbeurt; terwijl in
R o t t e r d a m bij onzen Voorzitter inkwam voor het Studiefonds ƒ 5.—, hem ter hand gesteld door ds. Van Toorn; ƒ 10.— door hem ontvangen van K. Z. A.; ƒ 15.— als gift ontvangen van v.d. B.; ƒ 2.50 hem er hand gesteld door B. en ƒ 10.— uit de catechisatiebus, zijnde tezamen ƒ42.50. Ook werd uit
O u d B e ij e r l a n d door ds. G.J. Koolhaas ingezonden een bedrag van
HONDERD NEGEN EN VIJFTIG GULDEN ZEVENTIG CENT (ƒ 159.70),
zijnde de collecte, gehouden bij een spreekbeurt van ds. J. de Bruin, van Rotterdam, in de avondgodsdienstoefening van Zondag 12 Februari l.l.; terwijl juist voor het verzenden van mijn eerste financieel verslag mij nog toegezonden werd uit
G e n e m u i d e n door ds. A. Luteijn aldaar een bedrag van
HONDERD VIJF EN TACHTIG GULDEN VIJFTIG CENT (ƒ 185.50), zijnde de collecte van 5 Febr. l.l. bij spreekbeurten van ds. J.H. van der Wal, van Wageningen, bestemd voor het studiefonds.
Ik kan dus mijn eersten post sluiten met het niet onbelangrijke bedrag van
f 456.74
Moge het de eersteling zijn van een rijken oogst, die door mij voor ons werk zal ingezameld worden. Met hartelijken dank aan allen die tot dat bedrag het hunne hebben bijgedragen.
De Penningmeester,
Veenendaal Ds. M. Jongebreur
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 februari 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 februari 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's