De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

GEESTELIJKE OPBOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

GEESTELIJKE OPBOUW

6 minuten leestijd

DE GEREFORMEERDE KERKORDE
of
HOE 't IN DE KERK DES HEEREN MOET TOEGAAN. (6)
Toen de Kerken nog niet in breedere vergaderingen konden samenkomen en er nog geen indeeling van Classes was, moesten de Kerken zich wat behelpen. Indien die breedere vergaderingen er zouden zijn, zou ook „de toestemming van het volk (d.i. de gemeente) niet meer zoo noodig zijn (bij de verkiezing tot het ambt) daar het gezag van meerdere Kerken voldoende is om den overmoed der Ouderlingen te beteugelen". (Hoofdstuk II § 3).
Maar zoover was men nog niet. Wel kwamen de gemeenten onder het Kruis in de Zuidelijke Nederlanden sinds 1563 in Synoden samen, doch ze kenden nog geen Classes; en in Wezel in het jaar 1568 werd de wenschelijkheid tot vorming van Classes uitgesproken, echter kon toen in 1571 op de Synode te Emden pas een algemeene indeeling gemaakt voor alle Gereformeerde gemeenten in de Protestantsche landen. Zoo kreeg men hier, in de Noordelijke Nederlanden b.v. een Classis, waarin Amsterdam, Delft „ende andere Hollandsche, Overijselsche ende Westfriesche Kercken" samen kwamen. Eene nauwkeuriger indeeling was toen blijkbaar nog niet mogelijk. (Acta, uitgave prof. F. L. Rutgers, biz. 10, art. 5).
Dus er waren eigenlijk nog geen „meerdere vergaderingen der Kerken". „Zoolang dit nog niet teweeg gebracht kan worden, oordeelen wij" — zoo lezen we in art. 4 van De Wezelsche Artikelen van 1568 — „opdat aan de Ouderlingen niet meer macht en vrijheid dan billijk is tegen­ over het volk toegestaan worde, dat een d u b b e l  g e t a l  van personen, die na rijp beraad door de Ouderlingen goedgekeurd en beproefd zijn (indien deze althans te verkrijgen zijn) aan het volk (d.i. aan de gemeente) met name zullen bekend gemaakt worden, waarvan vervolgens het halve deel door de stemming der afzonderlijke gemeenteleden gekozen zijnde tot de uitoefening van hun dienst zal toegelaten worden".
Onze Vaderen stelden zich den gang van zaken bij de verkiezing van ambtsdragers aldus voor: de Ouderlingen mochten niet meer macht en vrijheid hebben dan hun toekwam inzake de verkiezing van Kerkeraadsleden. Ook met de vrije keuze van 't volk, de gemeente, moest men voorzichtig zijn. En daarom moest het ambt en de gemeente in dezer voege saam verbonden worden bij verkiezing van Kerkeraadsleden: de Ouderlingen moesten tweemaal zooveel namen voorleggen aan de gemeente als er Kerkeraadsleden noodig waren. Die candidaten moesten door de Ouderlingen zoo secuur mogelijk uitgezocht zijn, dan mocht de gemeente bij hoofdelijke (afzonderlijke) stemming kiezen wie zij 't liefst wilde hebben; daarna zouden de door de gemeenteleden gekozenen door den raad der Kerk moeten worden toegelaten tot het ambt! (Hoofdstuk II, § 4).
„Op die plaatsen echter" — zoo vervolgt art. 5 onmiddellijk — „waar het volk minder geschikt zal wezen om te kiezen, hetzij wegens het klein getal der geloovigen, hetzij wegens het gebrek aan geleerde en vrome mannen, hetzij wegens onderlingen partijstrijd (daar is 't helaas! weer, dat ellendige, en dat in 1568!!) hetzij eindelijk omdat op die plaatsen nooit te voren eenig Dienaar of eenige ordening der Kerk geweest is, achten wij, dat niemand tot den dienst gevorderd (d.i. bevorderd, beroepen of gekozen) kan worden, tenzij het gezag eener andere, liefst aanzienlijke en zoo mogelijk naburige Kerk daarbij kome". (§ 5). Onze Vaderen wilden het verkiezings- en beroepingswerk dus zoo secuur mogelijk doen geschieden. Waarbij verder werd bepaald, dat en voor de Ouderlingen, die een dubbel getal candidaten moesten opmaken om aan de gemeente voor te leggen, en voor de gemeente, die uit het dubbel getal te kiezen had (waarna de Kerkeraad tot het ambt toelaten zou en dus zou beroepen) een dag van vasten en bidden noodig werd geoordeeld. (§ 6). Een behoorlijk onderzoek over leer en levenswandel van de candidaten mocht daarbij niet worden nagelaten. (§ 7).
„Ten opzichte van de leer" — zegt § 8 — „zal het nuttig zijn vier dingen in acht te nemen: ten eerste dat een getuigenis worde gevraagd hetzij van de Kerk, hetzij van de school, hetzij van de stad waar de beroepene te voren geleefd heeft, opdat het zeker moge blijken: a. of hij eenige ketterij is toegedaan geweest; b. of hij meer dan behoorlijk is zich vermaakt heeft met vreemdsoortige en nieuwsgierige vragen en ijdele bespiegelingen; c. of hij ijveriger dan betaamt de boeken der ketters heeft gelezen, en d. of hij veel omgang heeft gehad met dweepzieke en aan hunne droomerijen zich overgevende menschen".
Wat waren onze Vaderen bang voor warhoofden, voor dweepzieke naturen, voor menschen die er allerlei zonderlinge gewoonten en leeringen op na hielden! De razende, hartstochtelijke, dweepzieke Wederdoopers of Anabaptisten met hun „inwendig licht" waren het schrikbeeld. En allerlei eigengemaakte predikers en voorgangers moesten onze kloeke, nuchtere Gereformeerde Vaderen niet! Daarom die omschrijving in de Wezelsche Artikelen van 1568. Dan moest het onderzoek aangaande leer en leven verder gaan over wat aldus omschreven is:
„Vervolgens zal gevraagd worden of hij (de beroepene0 in alles overeenstemt met die leer, welke openlijk in de Kerk onderhouden wordt volgens hetgeen in de Belijdenis des geloofs, die eerst aan den Koning van Frankrijk door de Dienaren der Kerken van dat rijk is aangeboden en daarna in onze landstaal overgezet zijnde aan den Koning van Spanje en de overige Overheidspersonen van Neder-Duitschland is opgedragen en overhandigd, en eindelijk ook in den Catechismus vervat is".
Dus: de beroepene moest instemming betuigen met de Nederlandsche Geloofsbelijdenis, door Guido de Brés in 37 artikelen opgesteld en door de Kerken aangenomen (welke belijdenis eerst in het Fransch aan den Koning van Frankrijk door de Fransche Kerken was aangeboden, om te kennen te geven, wat de Gereformeerden — in onderscheiding van de Wederdoopers b.v. — geloofden en daarna in de Nederlandsche taal overgezet, door de Nederlandsche Kerken aan Koning Filips, de Landvoogdes, enz., was voorgelegd).
Instemming met de Nederlandsche Geloofsbelijdenis in 37 artikelen en ook met den Heidelbergschen Catechismus, door Petrus Datheen in de Nederlandsche taal over gezet en door de Nederlandsche Kerken, met Datheen's Psalmen, aangenomen.
„Ten derde" — zoo vervolgt § 8 — „zal de beroepene ondervraagd worden over al de voornaamste stukken der religie. En eindelijk of ten vierde, zal men hem ten minste twee- of driemaal eenige plaatsen uit de Schrift voorstellen, om deze voor de Dienaren, indien zij aanwezig zullen zijn, en de Profeten of Leeraren — of, indien deze niet aanwezig zijn, voor de Ouderlingen, op de wijze der profetie, uit te leg­gen". „Bij de onderzoeking naar den levenswandel zal men berusten in het getuigenis van hen, bij wie hij geleefd heeft (met wie hij omgegaan, met wie hij verkeerd heeft)" (§ 9).
(Wordt voortgezet).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 februari 1928

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

GEESTELIJKE OPBOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 februari 1928

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's