MEDITATIE
De kinderkens op de markten.
Doch waarbij zal ik dit geslacht vergelijken? Het is gelijk aan de kinderkens, die op de markten zitten, en hunne gezellen toeroepen, en zeggen: Wij hebben u op de fluit gespeeld en gij hebt niet gedanst; wij hebben u klaagliederen gezongen en gij hebt niet geweend. Matth. 11 vers 16—19.
De kinderkens op de markten.
Er is, helaas, zoo weinig waarachtige ontroering in de wereld. Men laat de dingen, de geweldige, de schokkende dingen langs zich heenglijden en gaat kalm en rustig zijn eigen weg voort. We staan een paar minuten stil om ons te verbazen of te vertoornen; we herinneren ons even iets van een wereldoorlog, van het graf van den onbekenden soldaat; maken een opmerking en gaan voort. Er zijn tegenwoordig al zeer sombere profetieën over de toekomst van ons werelddeel; we lezen van ellende en verwarring in vele landen we ontroeren niet; we hooren het aan als iets, dat in onze dagen noodwendig is en gaan voort, rustig voort onzen eigen weg. Hoe onaandoenlijk zijn de duizenden en tienduizenden toch geworden, onaandoenlijk zelfs voor de tragiek, die er ligt in het feit, dat bij alle woorden en schoone gebaren, de wedergeboorte der menschheid verder schijnt dan ooit.
En zegt nu niet, dat wij toch zoo heel anders zijn; dat er een trilling van innig, diep medelijden, een stroom van waarachtige liefde voor deze ten ondergang gedoemde wereld heengaat. Noch de biddende gestalte van een Abraham, pleitend voor het goddelooze Sodom; noch de beschaamdheid van een Daniël, noch de verbaasdheid van een Ezra zijn in onze kerken en huizen algemeen; al kan er wel eens een traan vallen en een schokschouderen verraden, dat onze ziel meevoelt en meeschreit.
Gemis aan waarachtige ontroering over den jammer en ellende van 't Adamskroost, onaandoenlijkheid betreffende het uiteindelijke lot van ieder sterveling, zijzelven inbegrepen, het is het verwijt, dat de medelijdende Hoogepriester richt tot de kinderen van dit geslacht.
Dit geslacht! Er zit geen diepgang in; er is geen pogen om zich op te werken tot den ernst van Johannes' boetprediking, tot de hoogte van Jezus' zondaarsliefde. Dit geslacht! Het is gelijk aan de kinderkens, die op de markten zitten. Op de markten, de open pleinen der stad spelen ze. Ze houden van de wijde ruimte, 't heldere licht, de afwisseling van de straat. Het is bij hen al maar bedrijvigheid en ze verzinnen telkens wat anders.
Ziet! Nu zijn ze met een vreugdespel bezig. Ze houden bruiloft. Daar heeft er een een fluit, waarop een vroolijk wijsje gespeeld wordt. En de andere dansen en springen, zooals dat bij een Oostersche bruiloft behoort. Ze fantaseeren naar hartelust en is 't niet alsof het alles volle werkelijkheid is? Waarom zouden de kinderkens de grooten niet nadoen? Zooveel verschil is er toch niet? Doen de grooten ook niet vaak als de kinderkens?
Maar straks houdt het spel op. Ontijdig! Er is ergernis gekomen, die het doorspelen verhindert en alle vroolijkheid bant. Ginds zijn enkele metgezellen, die geen deel schijnen te nemen in hun vermaak. Ze staan er ernstig bij; noch fluitspel, noch zang, noch huppelen en springen zijn in staat hen te doen aansluiten bij de vroolijken. Vanwaar zulks? Er is toch geen enkele reden voor? Het toornend „waarom"? richt zich uit de feestvierende kinderschaar, tot die alleenstaanden.
Ziet! Een ander spel. Is dat ook een spel? Ja, het is een doodenspel. Klaagliederen zingen kan ook een spel zijn. Zooals kinderen wel eens begrafenisje spelen en dan den zakdoek voor het gelaat houden en weenen. Als ze dat spelen, gaan ze er ook geheel in op en het is voor hen echt. Zoo doen de groote menschen ook. Waarom zouden de kinderkens het niet nadoen? Wanneer toch de grooten van leven en dood een spel maken?
Maar ook dit spel houdt straks op. Ontijdig! Er is ergernis gekomen, die den ijver doet verflauwen en het mooie van het spel wegneemt. Ook bij dit spel zijn er metgezellen, die niet mededoen. Bij hen geen klacht, geen traan, geen gebogen hoofd; ze schijnen veelmeer verblijd en goedsmoeds te zijn. Waarom weent ge niet? Waarom bederft ge ons spel? Als de kinderkens straks thuisgekomen zijn, vertellen ze van hun spelen en van die spelbrekers, die niet dansen wilden op hun bruiloft, en niet weenen op hun begrafenis.
Een enkele trek! De Meester heeft het beeld voluit en scherp geteekend. Een tijdbeeld, een levensbeeld!
Zoo is dit geslacht! Het doet als de kinderkens. Het maakt een spel. Van de vreugden des levens, van de zegeningen Gods maakt het een spel. En van de smarten, de teleurstellingen, die het hoofd moeten doen buigen onder de slaande hand des Heeren, maakt het een spel. Waarachtige ontroering is er niet. Slechts verwijt en smaad voor die niet zijn en doen als zij.
Zoo zitten de zondaars op de levensmarkten. Ze nemen een fluit en spelen en dansen. Wie spreekt er van zonde, van gerechtigheid, van oordeel? Dwazen, die beven en treuren! Straks wordt het anders. De smart doorvlijmt, de dood dreigt, de schakels van de geluksketen breken. Vreeselijk bang zijn ze. Hoe dat schrikbeeld van den dood ze dag aan dag vervolgt! Ze roepen nu allen op om mede te klagen over het ellendige van dit leven. Het is niets waard; het is één stuk ellende. En indien ge nu niet in hetzelfde koor mederoept, zien ze u verwijtend aan en klagen over uwe ongevoeligheid. Maar het is toch eigenlijk spel bij hen. De verbrijzeling des harten ontbreekt, de begeerte om ernst te maken met het aanbod der genade is er niet. Ze blijven bij een uitwendige droefheid zitten, die den dood werkt. En in die gestalte toornen zij op hen, die zich in Jezus verblijden.
Dit geslacht! Het zijn de tijdgenooten van den Heere Jezus Christus. De metgezellen zijn blijkens de verzen 18 en 19 Johannes de Dooper en de Zoon des menschen, achter wie enkele getrouwe volgelingen zich scharen. Zij staan temidden van Israël. En zij staan anders, dan de duizenden van Abrahams zaad. Zij hebben een boodschap, een taak, een roeping. Johannes is de heraut, Jezus is de Koning.
Johannes de Dooper! De man in kemelshaar, de Elia, die komen zou, de boetgezant, de stem des roependen. Sprinkhanen en wilde honing zijn zijn voedsel; hij drinkt geen parelenden wijn bij feestlied, geniet geen kostelijke spijzen van rijken disch. Daartoe is het nu geen tijd. „Bekeert u !" klinkt zijn roepstem. Hij spreekt van een bijl aan den wortel van den boom, van Eén, in wiens hand de wan is; hij wil niet weten van „vrede en geen gevaar"; hij eischt gebogenheid, belijdenis.
Maar ziet ge dan niet, Johannes, dat dit geslacht juist bezig is met vreugdevolle zelfgenoegzaamheid? Ge hindert het met uwe strenge woorden. Ze eten en drinken van de werken hunner handen, ze spelen het nationale lied van Israels grootheid, ze zingen den lofzang van hun edele afkomst; waarom spreekt ge van adderengebroedsels? Denkt ge, dat z i j veranderen zullen, dat z i j op uw woord zullen gaan weenen? Neert, z i j veranderen niet, volstrekt niet. G i j hebt den duivel. G i j moet u veranderen, anders gaat ge ten gronde. Ach, straks brengt hem de koninklijke wellust in den kerker en het spel der dansende Salome in den dood. In de ledige gevangeniscel klinkt het: „Wij hebben u op de fluit gespeeld en gij hebt niet gedanst".
De Zoon des Menschen! Hij is de zachtmoedige, gezalfd met den Geest des Heeren, die sieraad geeft voor asch, een gewaad des lofs heeft voor een benauwden geest en vreugdeolie giet op treurigen; die predikt het aangename jaar des Heeren. Het is blijdschap, zaligheid, die Hij brengt. Ziet, hoe de kreupelen huppelen, de stommen juichen, de tollenaars met de armen en ellendigen den Heere loven! Ziet, hoe ze voor Hem neervallen, dankend, roemend, geloovend! Het heil is gekomen! Alzoo lief heeft God de wereld gehad!
Maar ziet ge nu niet, rabbi van Nazareth, dat dit geslacht juist bezig is met weenen, met het zingen van klaagliederen? Over de vernedering van Abrahams zaad onder de tyrannie der Romeinen, over de droeve tijden, over de toenemende onwetendheid en ongehoorzaamheid van de massa des volks, over het uitblijven van Vorst Messias! Waarom doet ge niet mede? Waarom spreekt ge nu van bruiloftskinderen, die niet kunnen vasten? Denkt ge, dat dit geslacht om U veranderen zal? Neen, volstrekt niet. G i j zijt een vraat en wijnzuiper, een vriend van tollenaren en zondaren. G i j moet veranderen. Zoo niet .......... .
Het penseel van den goddelijken Meester heeft in een enkelen trek het beeld voluit en scherp geteekend. Een tijdbeeld, een levensbeeld!
Zoo is 't inderdaad met den mensch van alle tijden; zoo is het met ons. Is het geen spel, al te vaak en al te veel? Dat blijkt al hieruit, dat het met vreugde begint. De wereld wil altijd met vreugde beginnen, met een feest. Hebben wij niet ontdekt, dat ook wij daarmede het liefst aanvangen?
Ik zie echter, dat de Catechismus aanvangt met het stuk der ellende. In Gods getuigenis verhaalt de eerste historie van des menschen val, van neerstorting, van rampzaligheid. Maar dan beginnen wij met onze vreugde toch niet goed. Wanneer dan straks die vreugde verkeert in smart? en de blijdschap niet meer komen wil? en er geen glimlach meer op kan overschieten? en het hopeloos verloren is? Wanneer dan straks het spel van het klaaglied begint? Het spel, juist, want er is geen zieleverbrijzeling. Het spel, totdat de dood komt en het geen spel meer is .......... ?
Waarom keeren we het niet om? Eerst weenen, eerst knielen, eerst in droefheid neerzinken bij den berg onzer zonden, eerst de schreiende oogen opslaan naar Johannes om te vragen of er nog een middel is om de straf te ontgaan en tot genade te komen. En dan van hem heengaan naar het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt. En dan Jezus te vinden, dan te juichen, dan te huppelen van zielevreugd. Dan komt het toch goed. Dan gaan die metgezellen met ons. Eerst is er dan geween in de donkerheid, maar dan is er gejuich in het licht van den'morgen der verlossing door den dierbaren Borg. Die droefheid werkt een onberouwelijke bekeering tot zaligheid.
Dit geslacht! Gelijk aan de kinderkens, die op de markten zitten. Zijn dat alle kinderkens?
Neen. Er zijn er nog anderen. Kinderen, niet van dit geslacht, maar van de wijsheid Gods. Die naast Johannes, naast den Heiland gingen staan; die door den Zoon getrokken werden. Zij weenden eerst. Ontdekt, zonken zij neder. Toen sprak Hij: „Zalig zijt gij, die nu weent, want gij zult lachen". Daarom, omdat het hun geen spel was, maar heilige ernst. Kinderkens, niet op de markten zittend, maar liggend op de knieën in binnenkamers, zich klemmend aan de rots der eeuwen, worstelend hun Pniëlsworsteling. Hij zal wonderlijk worden in hen en verheerlijkt in Zijn heiligen. Hun blijdschap zal onbepaald, door 't licht, dat van Zijn aanzicht straalt, ten hoogsten toppunt stijgen!
Er zijn tweeërlei kinderen. Die op de markten. Die bij Jezus. Hunne wegen kruisen zich weinig. Als zij zich kruisen, worden de kinderkens van Jezus veracht. Het spel der wereld gaat door. Dit geslacht speelt eerst op de fluit. Dan weent het in den eeuwigen dood.
De kinderen Gods weenen eerst. Dan steken zij het hoofd omhoog en dragen d' eerkroon. Dan is er bruiloft. Dat is geen spel. O zalig lot! Zij verheerlijken hun Heere en Heiland, de Wijsheid Gods en de Liefde Gods. „Abba, Vader!" Lieve Vader!
LANS.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 februari 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 februari 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's