KERKELIJKE RONDSCHOUW
In de Lijdensweken (2)
Jezus Gods eeniggeboren Zoon.
Gansch de in verderfenis liggende wereld moet nu bizonder, in deze lijdensweken, getrokken worden onder het licht van Gods liefde. „Alzóó lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijnen eeniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe" (Joh. 3 vers 16). Des Vaders liefde de eeuwige welbron des heils. Alles wat voor den zondaar tot redding geopenbaard wordt is een vrij geschenk van Gods eeuwig ontfermen. En als Jezus in het vleesch komt, is het vrucht van een genadevolle beschikking van den eersten Persoon van het goddelijk Wezen; van welke eeuwige, vrijmachtige beschikking de Zoon het voorwerp is tot verlossing op aarde. Gods liefde tot de wereld is het licht, waarin de vleeschwording des Woords, de komste van Sions Borg en Middelaar in het vleesch moet worden bezien; en Gods liefde, zoo vol vrij ontfermen, is de sleutel waardoor dit wonder moet verklaard.
Het is uws Vaders welbehagen — zegt de Heiland zelf. En de Heere Jezus Christus doet alles, hoe vrijwillig ook, toch in der daad niet uit eigener beweging, maar omdat Hij aan de wereld gegeven en toebeschikt is door Zijnen Vader, voor Wiens aangezicht Hij ingaat telkens, om gesterkt te worden in het werk en bemoedigd te worden om Zijn wil te doen.
Weet gij niet, dat Ik moet zijn in de dingen mijns Vaders? — zoo vraagt Hij telkens. De liefde des Vaders tot onze verlossing gaat aan alle liefde vooraf, ook aan de liefde des Zoons tot de wereld.
Geheel uit eigener beweging heeft de Vader eene wereld, die Hij niet liefhebben kon met liefde van gemeenschap, liefgehad met liefde van eeuwig erbarmen, en dit getoond, door haar den Eeniggeborene te ordineeren, opdat door Zijne tusschenkomst en Zijnen dood haar verlossing en verzoening en het eeuwige leven zou geworden.
Jezus Zelf zegt dan ook telkens, dat Hij niet uit Zichzelven is gekomen, maar dat de Vader Hem gezonden heeft, om des Vaders welbehagen te volbrengen.
Wanneer wij nu dat weten, dan komt eerst de rechte waardeering van de in Christus geschonkene gave.
Want dan is het een vrije gave van des Vaders liefde. Welke liefdegave des Vaders hierin bestaat, dat Hij vrijwillig en eenig en alleen uit en van Zichzelf Zijn eigen, eeniggeboren Zoon geeft aan een gevallen, zondig, boos, onheilig menschengeslacht, opdat Zijn Zoon, Zijn eeniggeborene en eeuwig geliefde Zoon, mensch zou worden, de menschelijke natuur aannemend, om als Middelaar Gods en der menschen — de mensch Jezus Christus zijnde — alle gehoorzaamheid der wet in het vleesch zou vervullen en zou lijden in ziel en lichaam, om te sterven den vervloekten dood, hangend aan een kruis.
Dat is des Vaders liefde-daad. En Dien Hij dan uit liefde geeft en Die in gewilligheid komt, de Zijnen liefhebbend ten einde toe, is: Gods eigen Zoon! 't Is God uit God, Licht uit Licht, 't Is de eeuwige Zoon des Vaders, éénswezens met God den Vader, het voorwerp van Zijn eeuwige liefde.
Stel eens, dat hij, wien de Vader geeft, niet meer dan onzer één ware, mensch uit mensch, vleesch uit vleesch, zij 't dan ook een voorbeeldig mensch, dan zou de liefde Gods in de gave van dien ideaal-mensch van vrij wat minder beteekenis zijn dan nu; nu Jezus Zelf getuigt, dat de liefde des Vaders daarom zoo onzegbaar, zoo ononuitsprekelijk groot is, omdat Hij Zijn eeniggeboren Zoon gegeven heeft. God uit God, Die God met ons wordt; Immanuël; Die onder ons gewoond heeft en Wiens heerlijkheid is aanschouwd, de heerlijkheid des eeniggeborenen des Vaders, vol van genade en waarheid; van Wien Thomas getuigt: „Mijn Heere en mijn God"; van Wien Paulus zegt: „Deze is de waarachtige God en het eeuwige leven".
Hierin is de liefde Gods geopenbaard, dat Hij Zijn eeniggeboren Zoon gegeven heeft. Wat zou die liefde des Vaders dalen, indien Jezus een mensch, zij 't dan ook een ideaal-mensch, ware. Des Vaders liefde zou kleiner worden en Jezus zou geringer zijn in onze oogen.
Neen! dan zou nooit een engel in verrukking gebracht zijn en den engelenschare zou niet uitgetrokken zijn om te zingen in den Kerstnacht in Bethlehem's velden: „Eere zij God in de hoogste hemelen; vrede op aarde, in de menschen een welbehagen!"
Dan ware er in het midden van de troongeesten geen beroering en beweging gekomen, geen vreugde bij de engelen, maar dan ware er ook geen menschenhart gebroken bij het hooren van Zijn Woord en bij 't zien van Zijne daden.
Dan waren we nog in onze zonden en degenen, die in Christus ontslapen zijn, waren verloren!
Ongelukkig standpunt, helaas! door duizenden en duizenden ingenomen, die eerst de belijdenis der Kerk hebben verzwakt, toen Gods Woord hebben veranderd, toen naar Christus de schennende hand hebben uitgestoken — om nu te meenen, dat Jezus van Nazareth niets méér is dan een mensch, door God ten bate, ten behoeve van den mensch verwekt.
Hij mag dan roem en eer deelen met andere menschen van goeden naam en wereldreputatie misschien. Hij mag dan een aureool dragen, door menschenhand hem geschonken, staande tusschen anderen, uit onderscheidene tijden opgekomen en uit onderscheidene volkeren voortgesproten.
Maar Jezus, de Christus, de eeniggeboren Zoon van God, God uit God en Licht uit Licht, is Hij dan niet. Waren de menschen er dan niet geweest, dan was Jezus er ook nooit geweest; even min als Mozes, Boeddha, Paulus of Mohammed. Maar zóó is het met Jezus niet! Hij is niet geworden uit en door de wereld, uit en door de menschen. Al ware er geen wereld geweest, al ware er geen menschengeslacht gekomen, zoo zou Jezus toch geweest zijn, want Zijn uitgangen zijn van ouds, van de dagen der eeuwigheid. Hij was bij God en Hij was God. Hij had heerlijkheid bij den Vader vóór de grondlegging der wereld.
Zoo is de Zoon van eeuwigheid; ook van eeuwigheid door den Vader bemind om Zijns Zelfs wil. En ziet, nu heeft de Vader den Zoon, dezen eeniggeborenen en eeuwig geliefden Zoon, voor de wereld verordineerd om te zijn het Lam Gods, dat de zonden der wereld, voor Jood en heiden saam, wegdraagt, opdat van alle geslacht en alle tong en natie zullen komen tot de erve der heiligen, door Zijn plaatsbekleedend lijden en sterven. De Vader geeft hier het Hoogste. De zondaar krijgt hier het heerlijkste. En allen die Hem door een waar geloof mogen ingeplant worden, mogen gelóóven en weten, dat Hij hun Losser is, Die in hun plaats gehoorzaamheid bewezen heeft en met Zijn lijden en dood hun verzoening heeft gewerkt, tot in eeuwigheid.
De Reorganisatie-beweging (9)
De jaren van de Doleantie waren van groote beteekenis. De modernen waren ongerust; de gereformeerden roerden zich. Een stroom van adressen bij de Synode! De Synode benoemt een Commissie; stelt vast een: „Reglement houdende tijdelijke bepalingen tot bevordering van den vrede in de Nederlandsche Hervormde Kerk". Welk reglement echter - - - - niet werd vastgesteld.
1886. De Synode stelt voorloopig vast een „Reglement op de vorming van kerkkringèn en parochiën"; welk Reglement in 1887 weer wordt ingetrokken.
1888. De Synode behandelt een ontwerp-Reglement „op de uitoefening van de rechten van afdeelingen in gemeenten met drie of meer predikanten". Evenwel wordt het ontwerp geen wet!
Zoo komen we tot het jaar 1889.
Van drie kanten kwamen er verzoekschriften en verklaringen in bij de Synode. Eén ontworpen door dr. Ph.S. van Ronkelen ondersteund door onderscheidene Kerkeraden en door mannen als prof. Kleijn, ds. Felix en anderen. Eén van dr. Ph. Hoedemaker en den Kerkeraad van Nyland (Fr.), ondersteund door eenige Classicale Vergaderingen in Friesland. Eén van ds. J.G. Verhoeff, ds. Malomesius en eenige andere predikanten en onderscheidene Kerkeraden.
Dr. Van Ronkel vraagt, dat de Synode een wetsvoorstel ontwerpe „waarbij de Kerkorde meer in overeenstemming wordt gebracht met de Kerkleer". Wat die ,,Kerkleer" betreft wordt verwezen naar de artikelen 30—32 van onze Nederl. Geloofsbelijdenis. Dr. Van Ronkel wenscht, mocht onverhoopt zijn poging schipbreuk lijden, als de klagende weduwe, van jaar tot jaar met zijn verzoek terug te komen.
Het schrijven van dr. Hoedemaker en den Kerkeraad van Nyland (Fr.), gedateerd 16 Juli 1888, vinden we in z'n geheel in „Advies inzake de Reorganisatie van het Kerkbestuur door dr. Ph. J. Hoedemaker, pred. te Amsterdam 1903. Het was dr. Hoedemaker's beginsel, dat de Organisatie van 1816—'52 in strijd is met de Heilige Schrift, dat zij onwettig is in haar oorsprong en verderfelijk in hare strekking.
Die Organisatie was door overmacht opgelegd. „De Kerken van dezen lande waren door God te zamen gebracht en vereenigd, toen de Synodale Organisatie als het kleed van Nessus over haar werd heen geworpen. De Kerk was één, niet als genootschap, één, niet alleen in de schatting van de Overheid, maar één, als lichaam, met één leven, ééne geschiedenis, één lijden, en rechtens ééne belijdenis". (Advies, blz. 67).
Omdat aan de Kerken dit onrecht is aangedaan, oordeelde dr. Hoedemaker dat ook de plaatselijke Kerken moesten protesteeren en getuigen. „Wat men ook individueel of groepsgewijze door middel van de Classicale Vergaderingen meene te kunnen en te moeten doen, het geschiede bij wijze van getuigenis" enz. (blz. 66) „Onafhankelijk hiervan, evenwel, zij er een opkomen voor het recht der gemeente".(blz. 67).
De plaatselijke gemeenten moesten zich dus, volgens dr. Hoedemaker, tot de Synode wenden en dan liefst met een getuigenis en verklaring.
„Ons advies laat den weg vrij om door middel van de Classicale Vergaderingen en de Besturen te doen wat kan strekken om de Kerk vrij te maken. („De Vrijmaking der Hervormde Kerk een Nationaal belang"). Wij zullen aan dergelijke pogingen, van wien zij ook mogen uitgaan, thans evenmin als vroeger onze medewerking onthouden. Maar het is o.i. in meer dan één belang, zéér noodig dat de eigenlijke rechthebbenden— de gemeenten zich laten hooren". (blz. 68). Het komt hier niet op het aantal aan, maar op de zaak.
De zaak staat zóó: De plaatselijke Kerkgemeenten kunnen bij de Synode aandringen op herstel van recht en eene verklaring afleggen in den geest waarin zij van Nyland is uitgegaan. Zoolang alle uitzicht niet verdwenen is, dat de Synode op de vroeger aangegeven wijze optrede, meenen wij dat dit voldoende is. Het doel is thans slechts eene bloote kennisgeving aan de Synode te doen uitgaan. We laten nu nog in het midden of de Regeering hierin moet worden gekend. Wat men ook bazele van eene vrijmaking der Kerk in 1852, de Overheid heeft o.i. een plicht ten aanzien van de Hervormde Gemeenten te vervullen, waaraan in 1866, toen zij het beheer aan hen overdroeg, niet is voldaan", (blz. 68—69).
„Het is nu vóór alle dingen noodig, dat de gemeenten de overtuiging erlangen, dat het Kerkverband hen belet en niet mag blijven beletten: hunne door God gegeven roeping te vervullen. Deze bewustheid alleen geeft kracht tot handelen". Het moet een strijd worden om en met het Woord en om de eere Gods. We moeten opkomen voor de Belijdenis van den Naam des Heeren. (blz. 69).
In dien toon en in dien geest was dan ook het schrijven van den Kerkeraad van Nyland (Fr.), gedateerd 16 Juli 1888. Het was gericht „Aan de Synode der Ned. Hervormde Kerk".
Het luidt dan als volgt: „De ondergeteekenden, opzieners der Hervormde Kerk te Nyland, die in 1816 in en met de geheele Ned. Hervormde Kerk onder eene Organisatie is gebracht, waardoor zij hare regeering aan nagenoeg zelfstandige, in rang opklimmende Besturen zag toevertrouwd, achten zich verplicht, ambtshalve, de volgende verklaring af te leggen
»Aangezien bij hetzelfde Kon. Besl.. waardoor de wettige Kerkorde werd terzijde gesteld, óók de vergaderingen zijn opgeheven, waarin de Kerk, als collectieve éénheid gedacht, zich placht uit te spreken, is deze (n.l. de Kerk) niet langer bij machte, voor haar goed recht op te komen. Daarom gevoelen zij zich gerechtigd en geroepen, als opzieners van eene plaatselijke Kerk, die langs dezen weg mede in hare rechten werd gekrenkt, openlijk tegen dezen staat van zaken te protesteeren.
Ofschoon zij vastelijk overtuigd zijn, dat de Synodale Organisatie, waarvan hier sprake is, niet rust op een deugdelijken rechtsgrond; omdat handelingen, die oorspronkelijk onwettig waren, niet gewettigd worden door de medewerking van hen, die gedwongen waren zich daar aan te onderwerpen; hebben zij bezwaar langer de zedelijke verantwoordelijkheid mede te dragen voor den toestanden de inrichting onzer Kerk, die voortvloeit uit stilzwijgende berusting in hetgeen in 1816 én in 1852 heeft plaats gevonden. Van nu aan willen zij bijgevolg geacht worden, zich niet anders dan onder protest, door den nood gedrongen, ter wille van de belangen, die hun zijn toevertrouwd en de rechten, die zij als leden en opzieners der Kerk bezitten, aan bovengenoemde Organisatie te onderwerpen in zoover óók met haar mede te werken. Zij stellen dus, bij dezen, tegenover het feitelijk recht, het zedelijk recht, zich beroepende op dien God, die zich op Zijn tijd wenden zal tot het gebed dergenen, die gansch ontbloot zijn en zijne knechten een welgevallen zal doen hebben aan de steenen van Sion«.
Ps. 102 : 13—-21.
(Wordt voortgezet).
De Overgang van Ds. Barth.
Eigenlijk hebben wij er niets mee te maken, dat ds. J.D. Barth, Christ. Geref. predikant te Alphen a.d. Rijn, is overgegaan naar de Geref. Gemeenten (de Kerkgemeenschap van ds. Kersten e.a.). Maar toch is het zóó merkwaardig, dat we er niet geheel van kunnen zwijgen.
Pas is ds. Wisse, van de Geref. Kerken overgegaan naar de Chr. Geref. Kerk met de verklaring, dat de Geref. Kerken voor hem niet meer zijn die Kerkgemeenschap, waarin hij zien kan de ware Kerk. Ze zijn van de Waarheid afgeweken en de Chr. Geref. Kerk is voor hem de ware Kerk en als het maar even kan — zooals b.v. te Vianen — treedt hij op, om ook Hervormde menschen te lokken naar de ware Kerk, zijnde de Chr. Geref. Kerk.
En daar gaat nu ds. Barth van de Chr. Geref. Kerk naar de Geref. Gemeenten, om zich bij de Kerkgemeenschap van ds. Kersten e.a. te voegen, met de verklaring, dat de Chr. Geref. Kerk niet de ware Kerk is. Hij werd gedrongen daaruit te vertrekken en hij staat nu gereed om zich bij de Geref. Gemeenten aan te sluiten.
In de „Saambinder" komt een afschrift voor van den brief, dien ds. Barth aan ds. J.L. de Vries, van Rijnsburg, als consulent der Chr. Geref. Kerk van Alphen a.d. Rijn, gezonden heeft in betrekking tot den stap, dien hij heeft gedaan. Daarin verklaart ds. Barth dat geen persoonlijke invloeden, verhoudingen of feiten hem tot zijn besluit brachten. „De stap, die ik doe" — aldus schrijft hij — „is louter op eigen overtuiging gegrond. De richting, waarheen de Chr. Geref. Kerk in Nederland zich beweegt, strookt hoe langer hoe minder met mijn beginsel. Ik hoop steeds te blijven bij en te strijden voor de aloude, beproefde, bevindelijke Waarheid Gods. Zij is mijn leven, en ik hoop er ook in te sterven. Met al mijn gebrek, mij welbewust, heb ik nooit anders getracht dan die aloude, bevindelijke Waarheid in de Gemeenten, die ik heb mogen dienen, zooveel mogelijk uit te dragen. We zijn ons bewust, dat we nog onderscheidene boezemvrienden hebben in de Chr. Geref. Kerk, wien het innig leed zal doen als ze vernemen den stap, waartoe wij zijn overgegaan, maar die met mij evenzeer diep betreuren en met ziele-droefheid gadeslaan de richting, waarheen de Chr. Geref. Kerk zich beweegt als meer en meer afglijdend van de aloude, bevindelijke Waarheid. Ik heb geen behoefte thans hierop verder in te gaan".
Dat hij voornemens is zich bij de Geref. Gemeenten te voegen, heeft ds. Barth in zijn schrijven aan ds. De Vries niet meegedeeld. Maar ds. G.H. Kersten deelt in de „Saambinder" mee, dat ds. Barth voornemens was voor opname in het verband der Geref. Gemeenten in Nederland zich tot de Classis Amsterdam te wenden.
En dus weten we nu, waar 't heen gaat. Dat men op deze wijze heengaat, is zéér bedenkelijk. Geen enkel beroep op Gods Woord. Geen enkele poging om kerkelijk in deze iets te doen in den kring, waar men thuis hoort krachtens belijdenis en ambt. Men schrijft eenvoudig: 't Gaat er niet, zooals ik het gaarne heb; en daarom ga ik heen! „De richting, waarheen de Chr. Geref. Kerk in Nederland zich beweegt, strookt hoe langer hoe minder met mijn beginsel". Dat is alles wat gezegd wordt. Met deze omschrijvende verklaring dan nog: „Ik hoop steeds te blijven bij en te strijden voor de aloude, beproefde, bevindelijke Waarheid Gods". Daarmee is alles beslist. Waarbij ons treft, dat ds. Barth al geruimen tijd met ds. Kersten en ds. Zandt rondgaat om te spreken en te werken in het belang van de Gereform. Staatkundige Partij, soms met z'n drieën op één avond in één vergadering optredend. En ds. Kersten heeft al lang verkondigd, dat er ook b.v. in de Nederl. Hervormde Kerk, ja, misschien nog wel „waarheid" is, maar niet die aloude, beproefde, bevindelijke Waarheid Gods. Bij de opening van de Theologische School te Rotterdam is dat in het kerkgebouw aan den Boezemsingel nog weer eens met kracht verkondigd.
En nu ook in de Chr. Geref. Kerk niet meer. We vinden deze dingen verschrikkelijk. Ook als we hooren dat alom in den lande b.v. ds. Zandt de eene week ergens spreekt en acht of veertien daag daarna ds. Kersten. Zoo gaat de weg door stad en dorp om af te trekken van de Hervormde Kerk, van de Geref. Kerken, van de Chr. Geref. Kerk naar de Geref. Gemeenten! En dan met zulke argumenten!
Verschrikkelijke toestanden.
Ook daarmee hebben we eigenlijk niets te maken. Toch willen we, ter waarschuwing, er iets van zeggen. In de Chr. Geref. Kerk te Woerden zou 16 December j.I. een ledenvergadering gehouden worden, onder leiding van den consulent, tot verkiezing van kerkeraadsleden. Maar het werk kon niet voortgaan. De consulent weigerde het verkiezingswerk aan de orde te stellen. Omdat bij al de gemeenteleden een geschrift was bezorgd, waarin de niet gewilde candidaten beschuldigd werden van handelwijzen, die niet door den beugel konden; en omdat hij meende, dat door deze dingen de Gemeente niet in de stemming was om het verkiezingswerk naar behooren te verrichten. 14 leden van de Gemeente hebben nu den consulent bij de Classis aangeklaagd. Maar de Classis, lezen we nu, ging volkomen accoord met het doen van den consulent en wees de protesteerenden op het afkeurenswaardige van hun handelwijze. Wat droeve toestanden in zoo'n kleine, miniatuur gemeente. En wij meenen te weten, dat het niet de eerste keer is dat dergelijke zaken van broedertwist en krakeel daar aan de orde zijn!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 maart 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 maart 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's