Art. 36 Ned. Geloofsbelijdenis.
VI. (Slot).
En dan letten we op art. 64 (het tweede artikel, dat ik bedoelde). Wat stond daar?
De avondgodsdienst mag, indien deze bestaat, niet weggenomen worden zonder het hooren van de classis, maar ook van de Overheid, indien deze althans de Gereformeerde Religie toegedaan is. U ziet, de mogelijkheid, dat dit niet het geval is, leidt tot een andere gedragslijn. Zoo valt hier duidelijk het licht op dit kardinale punt:
Niet van de Overheid an sich, wordt die in alle opzichten bevordering van den heiligen Kerkedienst geëischt, maar van de Christelijke Overheid wordt niet anders verwacht, dan dat ze in deze Kirchenfreundlich zal zijn. En zoo is in wezen de gezaghebbende groote Dordtsche Synode in haar eigen opvatting der dingen, dat is haar Kerkenordening, ten opzichte van Artikel 36 ver af van de letterlijke bewoording, zooals Guido de Bray ze neerschreef. Of ook, de Groote Synode laat het bewuste artikel ten volle gelden voor het neergeschreven doel, d.i. tegen de Wederdoopers. Wat zou de Kerkenordening er toch anders hebben uit moeten zien, als de Overheid had te zorgen voor het doen prediken van het zuivere Evangelie, voor het uitroeien en weren van alle afgoderij en valschen godsdienst, voor het nederwerpen van het Rijk des Antichrists,
Immers Artikel 80 van de Kerken-orde zegt: Voorts onder de grove zonden zijn deze de voornaamste: ketterij, scheurmakerij, godslastering, symonie, echtbreuk, hoererij, enz. Kortelijk alle zonden en grove feiten, die den autheur voor de wereld eerloos maken.
En de straf? Schorsing en straks afsnijding. De Overheid wordt er niet bijgehaald om in te grijpen. De zuivere Roomsche zuurdeesem, die dat wel deed en tot de Inquisitie-invoering kwam, werd uitgebannen.
Nog sterker: in het voorgaande artikel staat in 't algemeen: Wanneer de dienaren en ambtsdragers een openbare grove zonde bedrijven, die der Kerke schandelijk is of ook bij de Overheid strafwaardig.
Voelt ge, dat hier Overheid en Kerk niet op één lijn gesteld worden?
Artikel 36 zou geëischt hebben dat er moest staan:
Een openbare zonde (dus ketterij, enz.) die der Kerk schandelijk is, en dus bij de Overheid strafwaardig.
Ik hoop, dat het duidelijk is, hoe in de Kerkenordening een geheel andere verhouding tusschen Overheid en Kerk wordt verondersteld dan de letter van Artikel 36 aangeeft. In geen enkel artikel der Kerkenordening wordt het machtsmiddel der Overheid opgeroepen, slechts is telkens sprake van een goede correspondentie met de Overheid, van een lichte affiniteit (zooals in Artikel 37) van approbatie, het burgerlijk attest van zedelijk gedrag.
En verder: Het Avondmaalsformulier, dat door de Synode van 18/19 ongewijzigd genomen is uit de Liturgie van Datheen, spreekt een zelfde taal. Ook daar worden in lange lijst genoemd alle ondeugden. „En wij vermanen allen, die zich met deze navolgende ondeugden besmet weten, zich van de Tafel des Heeren te onthouden, als daar zijn: alle afgoden-dienaars, allen die verstorven heiligen, Engelen en andere creaturen aanroepen, allen die de beelden eer aandoen, alle toovenaars en waarzeggers, enz, , alle godslasteraars, enz. enz. Zoo ligt daar de erkentenis, dat in de uitwendige Kerk ook al die ondeugden voor kunnen komen.
En voor deze allen de vermaning, om zich van de Tafel des Heeren te onthouden, het uitgetrokken zwaard des Geestes, der goddelijke tucht, de verkondiging dat ze geen deel aan het Rijk van Christus hebben, maar niet: de oproep tot de Overheid om met het zwaard der Justitie in te grijpen, en het huis zelf te zuiveren. Dat zou toch de voor de hand liggende consequentie zijn van een zoo toegepast Artikel 36.
Wij weten, hoe op kerkelijk terrein Art. 36 is geweest en nog is een Schibboleth.
Wie Artikel 36 zonder eenig voorbehoud aanvaardt, is Gereformeerd. Wie de bewuste passus (het gewraakte 14) niet accepteert, is het niet. Die is independent, aanhanger van Vinet, volgeling van Schleiermacher, op zijn allerbest Ethisch. Daarover zullen we niet handelen. Maar nu is ook op politiek terrein Artikel 36 tot schibboleth uitgeroepen en thans dus nog ten slotte even stilgestaan bij deze vraag: Was Artikel 36 ook in de jaren rond de geboorte in den eersten opbouw der Reformatie zulk een schibboleth?
Datheen en de andere predikanten van Antwerpen waren wel wijzer en zeiden: Andere goede leeraars meenen dat alleen 't zwaard des Geestes mag remediëeren, maar wij stellen ons tevreden om er een andere beschouwing op na te houden. Zoo ongeveer spreken ze zich uit. En hun standpunt is er een van utiliteit, niet van beginsel, want ketterij is verstoring van de samenleving, zeggen ze, en dus om die verstoring tegen te gaan dient opgetreden te worden tegen de ketterij.
Een beroep op onze Vaderen is een nuttig en goed werk, maar het moeten de echte Vaderen zijn, zonder een Toovertuinbol er naast, die een carricatuur maakt van onze Vaderen.
Ik keer nog even terug naar de Kerkenordening om te doen zien, dat Artikel 36 geen schibboleth was. In Artikel 54 staat: Insgelijks zullen ook de schoolmeesters gehouden zijn de Belijdenis des geloofs of in de plaats van die den Catechismus te onderteekenen.
Zoo golden dus de schoolmeesters voor zuiver in de leer, al onderteekenden zij niet de artikelen; dus ook niet Artikel 36. Zelfs was bij besluit van de Synode van Zeeland in 1591 bepaald, dat men ook de predikanten vrij liet om, evenals de schoolmeesters, alleen den Catechismus te onderteekenen. Holland heeft in 1591 zelf een Kerkenordening ontworpen, door acht politieke en acht kerkelijke dienaren vervaardigd, waarin heelemaal geen melding was gemaakt van de geloofsbelijdenis. Immers ten aanzien van de Kerkedienaren was bepaald, dat ze moesten verklaren zich te houden aan en op te volgen de leer der H. Profeten en Apostelen, gelijk die in den Heidelb. Catechismus vervat is. Eerst in 1618 deed de Synode van Delft de beslissende uitspraak, dat beide. Geloofsbelijdenis èn Catechismus, formulieren van eenigheid waren.
En zoo is het Nederlandsche Gereformeerde volk opgevoed in zijn geloofsleer door den Catechismus, niet door de Geloofsbelijdenis. Wel werden vóór het Heilig Avondmaal belijdenis-predikaties gehouden, een tijd lang ten minste, maar ook dan wordt het befaamde Artikel 36, getuige het „schatboek" van Ursinus, waarin zulke belijdenis-predikaties opgenomen zijn, niet gebruikt tegen Rome als afgodische kettersche leer. Het is veeleer de anti-Calvinistische strooming, het zijn de Remonstrantsche regenten, die ons bezorgd hebben het eigenaardig Roomsche coördinaat van Over heid en Kerk. Zij hebben getoond, dat men met het scheermes van Artikel 36 ook desnoods wel een appel kan schillen en de historie heeft bewezen, dat men, getuige onze Kerkhistorie in de 17de en 18de eeuw, met zulk bedrijf zich allerpijnlijkst in den vinger kan snijden.
Resumeerende kunnen we met deze historische toelichting volkomen gerust onderschrijven het Anti-Revolutionair Program, dat in Artikel III aldus spreekt:
»Ook op staatkundig terrein belijdt de Anti Revolutionaire Partij de eeuwige beginselen, die ons in Gods Woord geopenbaard zijn; zoo evenwel, dat het Staatsgezag ten onzent noch rechtstreeks, (gelijk in Israël), noch door de uitspraak van eenige Kerk, maar in de consciëntie, beide van Overheid en onderdaan, aan de ordinantiën Gods gebonden zij«.
P.A. v. S.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 maart 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 maart 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's