De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

INGEZONDEN.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

INGEZONDEN.

8 minuten leestijd

LEERRIJK.
Niet geheel zonder leering is het stukje, dat wij lazen in de „Saambinder", IXe jaargang, no. 8, betreffende de „uittreding" van ds. Barth uit de Chr. Geref. Kerk en den overgang naar de Oud-Gereform. Gemeente. • Reden van den „min of meer ontstellenden" stap is gelegen in het feit, dat de Chr. Geref. Kerk „in een richting al meer afglijdend van de aloude, bevindelijke Waarheid" is, waarvan ds. B. zegt geweest te zijn de tolk en waarvoor hij heeft „gestreden".
Ik denk, dat mijn vriend, ds. Jansen, predikant der Chr. Geref. Kerk alhier, dit lezend, wel zeer „ontstellen" zal. Zoo iets, als van „afglijden van de aloude Waarheid", heb ik van die zijde nog nooit gehoord; wel het tegendeel.
Wie wel eens preeken van ds. B. las, zooals ondergeteekende, heeft opgemerkt, dat deze een zuivere reproductie zijn van „de 18de eeuwsche oude-schrijvers-prediking" (die overigens meer om den vorm dan om den inhoud Herv. Geref., A-B-Gereform., Chr. Gereform. en Oud-Geref. menschen nog wel met eenige stichting kunnen lezen) en begrijpt niet, dat in de prediking aldaar de oorzaak gelegen kan zijn van den overgang van Z..Eerw.
Wel wijst het geheel van zijn schrijven van nu, zijn preeken-uitgave van vroeger, zijn overgang van straks op een feit, waarvoor elke Gereformeerde huiverig moet zijn, n.l. van het loslaten van het Woord bij de prediking voor de gemeente, en het stellen van een subjectieve meening en ervaring, boven de objectieve openbaring van Gods eeuwige Waarheid.
„Bevindelijk preeken" wil toch alleen maar zeggen, dat wij bij eigen zielservaring „bevinden" mogen, dat Gods Woord zekere en zalige waarheid is en bevat. (Zie Referaat ds. Woelderink, Onder Eigen Vaandel, 3de jaargang, aflev. I), en hoe dat ter wereld een reden kan zijn om „uit te treden" uit een Kerkverband als de Chr. Geref. Kerk, kan niemand inzien.
Als ik prof. Eekobf weer eens spreek, zal ik Z. Hoog Gel. vragen om ons gereformeerde volk in 't algemeen een lesje te willen geven in de Schotsche Kerkgeschiedenis, met haar afscheidingen om kerkrechtelijke redenen. Dat zou zeker leerrijk zijn voor alle „uitgetredenen" uit het ééne kerkje naar het andere in ons lieve vaderland.
Ik geloof althans, dat het bij ds. Barth minder zit in het „bevindelijke" preeken (wat deze en andere predikers ook in Oudshoorn, van Reedestraat, kunnen en mogen doen) dan wel, dat we hier weer te doen hebben met een kerkelijk ziektesymptoom van die altijd-wat-anders-zoekende onrust, die het kerkelijk leven onzer dagen helaas al te veel kenmerkt. Heel graag zou ik met ds. B. eens publiekelijk willen handelen over deze dingen, maar hij moet ons eerst eens iets anders en wat meer vertellen van het waarom zijner „ontstellende uittreding".
Het wil mij voorkomen, dat dit heele geval ons wel iets leeren kan, n.l. hoe wij, Hervormd Gereformeerden, het niet moeten doen.
Leiden, 24 Febr. 1928.
G.H. BEEKENKAMP, Ned. Herv. pred.

RAAMSDONKSVEER, 27 Febr. 1928.
Mijnheer de Redacteur, Mag ik u beleefd verzoeken opname van het volgende? Bij voorbaat mijn welgemeenden dank.
Door vriendenhand ontving ik „De Waarheidsvriend" van 17 dezer. Naar aanleiding van het bericht uit Raamsdonksveer wil ik, wat betreft de mededeeling omtrent „geen toestemming kunnen verkrijgen" of „niet gegeven toestemming" tot het houden eener collecte voor „Leerstoelfonds" en Gereform. Zendingsbond, voorlopig alleen diit zeggen: Die mededeeling is op zijn zachtst uitgedrukt, ver bezijden de waarheid". Laat de schrijver zijn naam noemen en ik zal aantoonen dat die mededeeling een Ieugen is. Tevens zal ik dan ook een weinig licht doen vallen op deze zinsnede: Het kan niet anders dan tot groote blijdschap strekken, dat de gemeente beide malen zoo prachtig heeft meegewerkt om deze zoo nuttige en noodige collecten zoo uitnemend te doen slagen. Hoogachtend, Uw dw.,
C. SNEEP, Ouderling.

HET VLOEKVERBOD.
In een onzer grootste steden komt binnenkort in den Raad wellicht in behandeling de invoering van het zoogenaamde "vloekverbod ". Wie de voorstellers zijn, is mij onbekend. Dit is m.i. ook van minder belang. Van meer belang is: welke houding hebben de Antirevolutionairen hiertegenover aan te nemen?
Dit te bepalen, verdient ernstige overweging. Het geldt hier Gods gebod: „Gij zult den Naam des Heeren uws Gods niet ijdelijk gebruiken, want de Heere zal niet onschuldig houden, die Zijnen Naam ijdelijk gebruikt". (Exodus 20: 7). Volgens Leviticus 19 vers 12 heeft dit gebod betrekking op valschelijk zweren, en den eed breken volgens Mattheus 5 vers 33, welke beide gevallen door den aardschen rechter reeds gestraft worden.
In 1922 werd door het Centraal Comité van A.R. Kiesvereenigingen op eene uitspraak over de taak van de Overheid ten opzichte van de openlijke Godslastering en het vloeken aangedrongen. Volgens Leviticus 24 vers 16 moet Godslastering met den dood gestraft worden. Wat beteekent lasteren? Het is schandelijke dingen van iemand, strijdig met de waarheid, uitstrooien. Godslastering is dus Godonteering en hiertegen dient naar mijne meening de Overheid te waken. Wat verstaat de taalkundige onder vloeken? Verwenschen, den vloek uitspreken, Godslasterlijke woorden spreken; onder „vloek" verstaat men dan verwensching, iedere heiligschennende uitdrukking en als zoodanig zijn de woorden „Godslastering" en „vloek" dan ook vrijwel synoniem. De kantteekenaar verstaat onder vloeken ,, tot ijdelheid opnemen", hetwelk gelijkgesteld kan worden met lichtvaardig, doelloos en nutteloos gebruiken, dus misbruiken van Gods Naam. Hieronder vallen dus zoowel de zoogenaamde „gewoonte-vloekers" als zij, die het in drift enz. doen.
Moeten nu hiervoor door den burgerlijken wetgever strafbepalingen worden gemaakt om de nationale zonde te trachten zooveel mogelijk te beteugelen? De Antirevolutionair kan hierop, al onderschat hij de daarmede gepaard gaande moeilijkheden niet, naar mijne meening slechts met „ja" antwoorden, ook al geeft Gods Woord blijkbaar geen bijzondere opdracht aan de Overheid om het vloeken in dezen zin te straffen.
Immers de Overheid, hetzij dan van het Rijk, de Provincie of de Gemeente, is Gods dienaresse, en waar de Meester met autoriteit en beslistheid zegt dat Hij het ijdel gebruiken van Zijn Naam zal straffen, daar heeft de dienaresse, i.e. dus het bestuur der Gemeente, zich niet afzijdig te houden, doch is gehouden het voetspoor van den Meester te volgen, onverschillig wie of wat zich daartegen zou verzetten. Het standpunt, destijds door dr. Kuyper ten dezen ingenomen, wordt geheel gedeeld. Alles wat kan dienen tot beteugeling ook van dit kwaad, dient te worden gedaan. Uit den aard der zaak zijn de Antirevolutionairen ook in den Gemeenteraad niet aan eene bepaalde opdracht van de kiezers gebonden, maar wèl aan Gods Woord en aan de Antirevolutionaire beginselen.  Dat zij, vóór het uitbrengen van hun advies en hunne stem, de belangrijke zaak mogen bezien óók in het licht van de bovenvermelde beschouwingen, is het doel van dit betoog. Met dank voor de plaatsing.
H. te H.

Geachte Redactie!
Het zij mij vergund een enkele opmerking te mogen maken naar aanleiding van het stuk „Kerkeraad en Kerkvoogdij" in het nummer van 17 Februari. Niet, dat de inhoud van dit schrijven mijn goedkeuring niet zou kunnen wegdragen; volkomen kan ik mij met de zienswijze vereenigen, dat het in strijd is met de beginselen van Gereformeerd Kerkrecht, wanneer Kerkeraad en Kerkvoogdij los van elkander, ja, laat men het maar eerlijk bekennen, menigmaal zelfs vijandig naast elkander staan. En ook de Commissie van Beheer, haar samenstelling en werkwijze, onder controle van den Kerkeraad, zooals u dat in korte trekken hebt uitgestippeld, welk medelevend, belijdend of dooplid, wien het welzijn van die Kerk nog ter harte gaat, zou zulks niet verkiezen boven den onschriftuurlijken toestand der tegenwoordige samenstelling?
Maar — en dit is het punt, waar in de aandacht op wilde vestigen — dan moet hiermede gepaard gaan een, medezeggenschap, of laat ik liever zeggen een mede invloed uitoefenen van de belijdende lidmaten der Kerk, op de samenstelling van den Kerkeraad, in dien zin, zooals dat in de Gereformeerde Kerken gebruikelijk is, n.l dat eerst een groslijst worde opgemaakt en de Kerkeraad hieruit dubbeltallen voorstelt en de gemeente (belijdende leden) hieruit kiest, om dan vervolgens deze aan den Kerkeraad ter benoeming voor te dragen, in wier handen dan toch de eindbeslissing ligt; en dan, om alle mogelijke willekeur en misbruiken tegen te gaan, dezen bij hun periodieke aftreding niet meer direct herkiesbaar zijn.
Want hoe menigmaal blijkt niet, dat soms groote verwachtingen worden gekoesterd van iemand, die, eenmaal in 't ambt bevestigd zijnde, blijkt geheel onbekwaam daartoe te zijn; en hoe kleiner de groep is aan wie deze hoogst gewichtige verkiezing is opgedragen, hoe grooter de kans, dat deze zaken niet met de hiervoor onmisbare orde en eerlijkheid geschieden.
Hoe menigmaal ziet men niet in kleinere gemeenten, waar alleen de Kerkeraad benoemt, dat daar door enkele personen de lakens worden uitgedeeld en zulks geheel in strijd met een gezond Gereformeerd kerkelijk leven, en er dan, om toch maar zeker te zijn niet te zullen worden uitgeworpen, vriendjes of ja-broers worden genomen, om zoodoende verzekerd te zijn van een vaste plaats in de kerkeraadsbank; er zich niet om bekommerend of door een zoodanige handelwijze de belangen der gemeente worden geschaad of ten gronde gericht; wetende, dat de lidmaten der Kerk tegenover zoodanige praktijken toch geheel machteloos staan!
En indien dan van een Kerkeraad van zoodanige samenstelling (wat volstrekt geen pessimistische visioenen zijn, maar helaas! menigmaal treurige werkelijkheid is) als dan aan een zoodanigen Kerkeraad nog méér macht in handen werd gegeven, dan zou de ellende in zulk een gemeente nog grooter worden en zou het goed bedoelde geneesmiddel de kwaal nog doen verergeren.
Met dank voor de plaatsing.
Achtend, v. D.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 maart 1928

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

INGEZONDEN.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 maart 1928

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's