MEDITATIE
De Onweders des Heeren.
Maar Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld; de straf die ons den vrede aanbrengt was op Hem, en door Zijne striemen is ons genezing geworden.Jesaja 53: 5
I.
Golgotha is ontzettend. Het kruis van Christus is van een verbijsterende geweldigheid. Het schepsel beeft en staat verwonderd. Als de God der eere dondert; 't zou wel droevig zijn, als dit alleen maar waar was voor ons, als het betreft de onweders des Heeren in het rijk der natuur. Daar hebben wij 't allen wel ervaren. Wij hoorden de ruwste spotters verstommen; wij zagen de felste goddeloozen verbleeken, als de stem des Heeren dreunde langs de gewelven des hemels, 't Leek ons als kinderen reeds het uiterste der goddeloosheid en der verharding, als zelfs dat geen indruk meer maakte.
Maar van veel ontzaglijker afmetingen zijn de onweders des Heeren, die zich ontlasten boven den kruisberg van Golgotha. Een blik op Golgotha roept ons 't woord van Elihu te binnen: zie, God is geweldig. Het teekent, dat Elihu 't zóó zegt, ingeleid door het zinrijke „zie". Hij zoekt de aandacht te wekken voor de geweldigheid Gods.
't Schijnt, dat niet allen van die aandacht vervuld zijn. 'n Reeds geopende deur openstooten doet de Schrift niet. O, wanneer 't u mangelt aan oog en aandacht voor die ontzaglijke geweldigheid van den eeuwigen God, kom dan naar Golgotha; daar is 't, dat de God der eere dondert.
Daar dreunen de onweders des Heeren. 't Kruis van Christus plaatst een uitroepteeken, dat tot den hemel reikt, achter 't woord van Elihu: zie, God is geweldig! Geweldig in de majesteit van Zijn onkreukbaar Recht, dat geen inbreuk duldt en geen mindering kent'van Zijn eischen, en dat ons met grooten nadruk herinnert aan 't woord, dat de Heere geen man is, dat Hij liegen zou. Eens klonk dreigend Gods stemme door den hof van Eden: de ziel die zondigt, die zal sterven. En nu kan vanwege de gerechtigheid en de waarachtigheid Gods, gelijk onze Catechismus zegt, de Zone Gods niet anders voor onze zondeschuld betalen dan door te sterven aan een kruis; zie, God is geweldig in Zijn richten!
En wie hier, aan deze zijde van het graf, voor deze onweders des Heeren niet gebeefd hebben, die zullen hiernamaals, voor de vierschaar der eeuwigheid van schuld overtuigd, de bergen verbidden om kop en kruin op hen neer te storten en hen te onttrekken aan Gods geweldig richten; edoch tevergeefs, want de ziel, die zondigt, zal sterven, tenzij Christus, de Borg, voor haar gestorven is.
En daarom, „zie, God is geweldig"; niet alleen in Zijn Recht, maar ook in Zijn Liefde. Want boven Golgotha dreunen ook de onweders Zijner onbegrijpelijke zondaarsliefde. Zie den Gefolterde! Hoor Zijn fluisterend klagen! Merk het stempel van duldeloos lijden op Zijn heilig gelaat. Hoe ploegt Hem het kouter der smart door de velden der ziel, als Hij het uitjammert in den nood der verlatenheid: Waarom, o God? Is Hij dan niet meer de Geliefde des Vaders, in Wien al Zijn welbehagen is? Ja, maar alzoo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn Eengeborene overgaf in den dood; God is geweldig, ook in Zijn liefde, niet deinzend voor den duursten prijs. En daarom kan Elihu, als hij herinnerd heeft aan de geweldigheid Gods, ook laten volgen: nochtans versmaadt Hij niet. Het onweder zuivert den dampkring; zoo doen het Gods onweders boven Golgotha; zij stormen den pestwalm der zondeschuld weg uit de wereld van Gods kinderen. Schooner dan ooit glanst het aangezicht des hemels u tegen, als de donder uitgeraasd en de natuur gezuiverd is. Is 't anders, als de onweders des Heeren uitgeraasd zijn op Golgotha; als de laatste rommeling in de verte wegklinkt, welft zich een hemel van stralende gunst over verbijsterde zielen: zoo, alzoo lief heb Ik arme, ellendige, onwaardige zondaren, dat Ik u tot den prijs van het dierbaar bloed van dit onstraffelijk Lam heb gereinigd, vrijgemaakt en van smetten gezuiverd; zóó, alzóó lief!
Zie, God is geweldig, nochtans versmaadt Hij niet; ook u niet, ook mij niet, als wij ootmoedig erkennen: wij hebben U op 't hoogst misdaan. Maar dan neemt onze ziel haar toevlucht in de wonden, onder de vleugels van Immanuël, en bij Hem is een verberging tegen den wind en een schuilplaats tegen den vloed van het eeuwige oordeel. God was in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende, en door de onweders van Golgotha zuivert Hij de wereld Zijns volks.
Daarop doelt bovenstaand Schriftwoord, ontleend aan Jesaja's profetie: „Maar Hij is om onze overtredingen verwond". Als de onschuldige voor den schuldige lijdt, zich als een lam ter slachting laat voeren zonder den mond open te doen, dan meent de omstander, die aanziet wat voor oogen is: de schuld moet wel groot zijn, om zoo stemmeloos de diepste krenking te ondergaan; men moet er dan wel diep van doordrongen zijn niets beter verdiend te hebben.
Daarop doelt, naar ik meen, wat onmiddellijk aan ons tekstwoord voorafgaat: wij achtten Hem, dat Hij geplaagd, van God geslagen en verdrukt was. Daarom was Hij veracht, de onwaardigste onder de menschen, terwijl een ieder z'n best deed het aangezicht voor Hem te verbergen, Hem niet te kennen. Zelfs Petrus kende Hem niet, wilde Hem niet kennen en wendde zich af.
Wat moest dan de wereld niet denken? 't Misdrijf moet wel groot zijn geweest, om zoo verscheurend straflijden stil te dragen. Inderdaad, het misdrijf was groot: de bacil der verwording, het zaad der vernieling, de kiem der verwoesting, der ontluistering, der vergiftiging ingedragen te hebben in den schoonen hof der loutere schepping Gods. En dat is toch de zonde, naar haar misdadig wezen en doel.
Het misdrijf was ontzettend, Den eeuwigen Koning naar de kroon gestoken, van den Troon gestooten te hebben, met driest verzet tegen Hem ingegaan, opgestaan te zijn, tandenknersend den kreet der revolutie opgeheven te hebben: wij willen niet, dat deze Koning over ons zijn zal.
Gij hebt recht, zou ik den omstanders willen zeggen, de schuld is zwaar, de vloek bang, het misdrijf ontzettend, waarvoor zulk bitter straflijden wordt vereischt; maar gij dwaalt, als gij Hem houdt voor den schuldige; want hier lijdt de onschuldige voor de schuldigen, de rechtvaardige voor de zondaren. Gij acht Hem, dat Hij geplaagd, van God geslagen en verdrukt is, maar Hij is om onze overtredingen verwond; het is onze overtreding, de uwe en de mijne, die het onweder des Heeren over Hem ontketend heeft; wij hebben een heilig en rechtvaardig God weerstaan. Wij hebben de vaan van den opstand ontplooid, wij hebben de zijde van Gods vijand gekozen, gemeene zaak gemaakt met Gods weerpartijder.
Zie, God is geweldig in Zijn Recht en in Zijn Liefde. Niet straffeloos tart en tergt gij den Almachtige.
God laat Zijn wereld niet verwoesten en ontwrichten en vergiftigen door onze zonde. Zoo gruwelijk misdrijf wekt de dreunende, stormende, neerwerpende onweders des Heeren. Maar in Zijn onnaspeurlijke, ondoorgrondelijke, onbegrijpelijke liefde heeft de Drieëenige een wondere verplaatsing, verwisseling en ommekeer bewerkt; de onschuldige voor de schuldigen, de Rechtvaardige voor de zondaren, wat Luther in aanbiddende verrukking deed uitroepen: „Heere Jezus, ik ben Uw zonde, en Gij zijt mijn gerechtigheid".
Om onze overtredingen verwond; ik kostte U die wonden, dat kruis, dien doornenkroon. Het geschonden Recht Gods gaat wondend in tegen dien, die de schennis bedreef. Dat doet ge tegen uw leven, als ge u aan de Rechten des Almachtigen vergrijpt. God Iaat zich niet bespotten. Heilig, heilig, heilig is, de Heere der heirscharen! En de heiligheden des Heeren verwonden den vermetele, die zich onderwond tegen God in te gaan, zooals de vuurgloed de roekelooze hand verzengt die grijpt in de laaiende vlam. Verwond, maar om onze overtredingen; het schepsel beve en sta verwonderd, als de God der eere dondert. En dit wonden is breken, brijzelen, verbrijzelen, dat is geheel en al breken en brijzelen, want deze overtreding is ongerechtigheid.
In ons tekstwoord is een dubbele climax op te merken: om onze overtredingen verwond; om onze ongerechtigheden verbrijzeld.
Het tweede is geen matte herhaling van het eerste; de overtreding is verergerd tot ongerechtigheid, het doen is zijn geworden; gij tast de toename, den groei; toename in zonde en schuld; ongerechtigheid is meer, erger, dieper, schuldiger, vreeselijker nog dan overtreding; zij teekent den mensch als verworden, innerlijk verworden, en tot iets anders dan overtreden onbekwaam; toename van schuld eischt toename in straf: het verbrijzelen is banger nog dan het verwonden. Het doelt hierop, dat de raderen van het wrekende Recht over den getroffene heengaan, dat er niets geheels overblijft. Het oordeel is volkomen. De straf algeheel.
O wij kennen dat niet, zooals Christus 't onderging. In het toornen over ons, gedenkt de Eeuwige Zijns ontfermens; voor ons is in het lijden verhooring van de bede: Ai matig Uw kastijden, straf mij met medelijden, gelijk een vader doet.
Voor Christus was er geen tempering, noch verzachting.
Hij heeft al het geweld, den vollen stoot van het verbolgen Recht, van de onweders des Heeren opgevangen; verwond, verbroken, verbrijzeld werd Hij, geheel en al. En dat om ons!
De eerbiedige overdenking van het lijden van den Man van Smarten roept een mengeling van droefenis en vreugde, een heilige ontroering op in het hart; droefenis, omdat wij door onze zonde oorzaak zijn van dit nameloos lijden; vreugde, omdat Hij het wou dragen voor ons. De eerste gedachte is: Heere, neem de moeite niet, ik ben niet waardig, dat ge één druppel van Uw dierbaar bloed voor mij vergiet; Heere, ik ben een zondig mensch. Straks leert het harte in eerbied stamelend danken en dankend erkennen: ziet, hoe groote liefde ons de Vader gegeven heeft! Zij dat ook in ons hart de dubbele weerklank op het Smarten-Evangelie van den Borg.
R.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 maart 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 maart 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's