FEUILLETON.
Kleine Luijden
SCHETSEN UIT HET FRIESCHE DORPSLEVEN,
door IDSARDI
4)
Want dat zij geen oogenblik langer hier blijven zou, dan hoogst noodig was, sprak vanzelf. Zij begreep, en het deed haar pijn, dat de menschen zich hier om harentwil herhaaldelijk belangeloos hadden opgeofferd. Waren al de kleeren, die zij en haar kind droegen, haar niet geschonken? Had men niet dag en nacht voor haar gezorgd, zonder dat zij in staat was te vergoeden wat men aan haar ten koste had gelegd? Hoorde zij straks niet door een klant tot vrouw Deelstra zeggen: „wat ben je tegenwoordig bleek, vrouw, en toen deze daarop iets geantwoord had, wat zij niet verstond, klonk de schelle stem voor de toonbank: „'k zou me maar niet al te druk maken met zulk vreemd volk, ondank is des werelds loon. Als je zelf onder de been raakt, heb je het niet gewonnen". Zij was dus het onderwerp van het gesprek, en zóó dacht de wereld over haar, — kon zij dan wel één uur langer blijven in een omgeving, waar zij niet hoorde, die haar niets verplicht was, en waar haar heengaan ongetwijfeld met blijdschap zou worden begroet?
Zeker, men had haar dit zelf nooit gezegd, noch op eenigerlei wijze doen gevoelen. Nog nooit in haar leven had zij zulk een openbaring van waarachtige, Christelijke naastenliefde ondervonden, integendeel de wereld had haar zoo koud en gevoelloos toegeschenen, en ook in kringen waar men dit het allerminst verwachten zou, was haar van die erbarming zoo heel weinig te beurt gevallen, waarvan zij wel eens in den Bijbel gelezen had als eisch voor allen, die tot het Koninkrijk Gods wenschen te behooren.
Juist dat had haar mede zoo verbitterd en tevens gevoelloos gemaakt. Niemand, die zich om haar bekommerde. Geen mensch, die naar haar vroeg. Allen waren haar tegen. Niet éen, die kwam in haar leed. Nu niet en nooit. Nergens. Veeleer scheen het een leedvermaak der meesten hare ellende te vergrooten. Door achter den rug haar tot een onderwerp van het gesprek te maken, of soms spottende blikken op haar te wer pen. Alsof zij een veile straatdeerne was, zij de ..... ..... .
Maar neen, meer mocht de wereld niet weten, en meer kon zij zelfs vrouw Deelstra niet zeggen. Zij was Sien, anders niet dan Sien, of zooals de straatjeugd haar later noemde, „Rooie Sien!" en nóg later: „tante Sien". Zoo was zij aan allen vreemd geworden, zóó was haar eigen hart door de wreede lotgevallen van het leven verkild en schijnbaar onaandoenlijk voor hetgeen rond om haar plaats greep.
Doch hier, in dit huis, bij deze puur vreemde menschen, had zij iets ervaren waarvan het bestaan haar een onmogelijkheid had geschenen. Soms leek het haar alles een droom. O ja, zij herinnerde zich nog als in een vaag beeld dien donkeren avond, toen zij doodelijk vermoeid dit dorp binnen trok zonder eigenlijk te weten waartoe. Maar nu ging het niet langer om hier te blijven. Men zou haar te eeniger tijd vragen, wie zij was, en vanwaar zij kwam, en wat hare toekomstplannen waren. En dan zou men haar zeker zeer ondankbaar vinden, wanneer zij het stilzwijgen bleef bewaren. Neen, het kon zoo niet langer. Zij moest weg. Daar was nog een weinig koper geld met een paar zilverstukjes in haar portemonnaie. En in 'n klein doosje en een kistje, dat door hare weldoeners blijkbaar nimmer geopend was en nog precies zoo ingepakt zat als zij het nu reeds geruimen tijd met zich had rondgedragen, lag o.a. nog een kostbaar kleinood, dat zij desnoods aan den man kon brengen. Doch andermaal kwam dan de vraag weer boven: „waarheen?"
Zoo was ds. Randwijk de kamer binnen gekomen. Een lange, magere gestalte, zeker wel diep in de veertig, met bleek gelaat, maar met een paar vriendelijke, vertrouwelijke oogen. Aanstonds zag zij, dat hij een dominé was. Een gloeiend rood kleur de opeens haar ingezonken wangen en dadelijk maakte zij aanstalten om heen te gaan. Maar vrouw Deelstra had haar te kennen gegeven, dat het juist in de bedoeling van den predikant lag om eens samen te spreken over hare toekomst. Zij behoefde niet bang te zijn; de dominé was een goed man, die graag een verlegen mensch hielp en hier moest immers raad geschaft. Twee wisten meer dan één. Bovendien, zij was nu weer aardig opgeknapt, doch wanneer dit zwervende leven weer opnieuw beginnen zou, lag zij spoedig weer tegen de vlakte, en het zou de vraag zijn, of zij het er dan weer zoo goed afbracht. Zij moest ook om Henkie denken. Die stumperd was niet sterk, en allerminst bestand voor zulk een avontuurlijk leven. Zoo had vrouw Deelstra gesproken, met gevolg, dat Sien zich rustig had neergezet, om af te wachten wat men haar zeggen zou.
Daarop had ds. Randwijk het woord genomen. Als man van ervaring begreep hij, niet te moeten trachten den sluier weg te nemen van een leven, dat, blijkbaar vooralsnog voor anderen verborgen moest blijven. Hij wist, dat nimmer geheimen moeten worden afgebedeld, als deze niet vrijwillig worden medegedeeld. Vandaar, dat hij geheel niet over haar verleden sprak. Hij verheugde zich over hare beterschap, zoowel terwille van haar zelf als van haar kind. 't Was altijd een groote genade Gods als Hij levensverlenging gaf na ernstige krankheid, en inzonderheid wanneer het 't leven van een moeder betrof, die ook nog de zorg heeft voor een kind.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 maart 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 maart 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's