GEESTELIJKE OPBOUW
DE GEREFORMEERDE KERKORDE of HOE 't IN DE KERK DES HEEREN MOET TOEGAAN. (7)
Er waren dus nog geen Classes, in het jaar 1568 toen de Wezelsche Artikelen werden opgesteld, maar de gedachte aan die Classes was er wel aanstonds. (Zie b.v. Hoofdst. Il, § 19, slot „welke in de toekomst in de vergadering der Classen zal geschieden"). De plaatselijke Kerken zouden, zoodra mogelijk, C l a s s i c a a l met elkaar moeten vergaderen en daar zouden onderscheidene dingen, rakende het welzijn der Kerken, moeten worden besproken en geregeld.
Dat was de natuurlijke band, die de Kerken bond, wat tot heil van de Kerken plaatselijk en tot heil van de Kerk als geheel moest worden gebruikt en benut.
Wel kwamen de gemeenten dus, sinds 1563, in Synoden saam, maar Classes kende men toen nog niet. Maar te Wezel 1568 wenschte men elke Nederlandsohe provincie in classes of ,,paroeciae" (parochies) te verdeelen. (Acta F. L. Rutgers blz. 10, art. 5). Op de Synode te Emden 1571 heeft men eene groot opgezette, algemeene verdeeling gemaakt voor alle gereformeerde gemeenten in de protestantsche landen; in 1572 valt dan de stichting der Gereformeerde Kerk in de Noordelijke Nederlanden.
Als we dit weten begrijpen we wat in art. 10 van de Wezelsche Artikelen van 1568 (Hoofdstuk II) staat in betrekking tot het beroepingswerk. Daar lezen we: „Dit alles nu zal later (wanneer het aldus door een Synode zal vastgesteld zijn) na de verdeeling der Classen in de samenkomst der Classe of parochie afgehandeld worden." Later. Nu (1568) kon het nog niet, omdat er nog geen Classen waren.
„Vóór dien tijd echter", staat er dan ook, ,,kunnen deze dingen niet anders dan in den Kerkeraad van iedere Kerk geschieden. Nochtans zullen allen, wien dit schikken zal, degenen die zij tot hunne Dienaren begeeren aan te nemen, eerst naar buitenlandsche gereformeerde Kerken zenden, opdat zij te veiliger kunnen afgaan op het onpartijdig oordeel en onverdacht onderzoek der Kerken."
Aan het beroepingswerk moest dus véél zorg besteed worden, met vasten en bidden van Kerkeraad en gemeente. Ook moesten de genabuurde Kerken bij dat beroepingswerk bijstaan. Dan moest de beroepene eerst naar buitenlandsche Kerken gaan („wien dit schikte"), opdat men een des te betrouwbaarder getuigenis aangaande den beroepene zou verkrijgen. Want er was veel kaf onder 't koren; er waren velen die niet in alles te vertrouwen waren; dwaalgeesten of dweepzuchtigen enz., en daarom moesten wel alle maatregelen getroffen worden, die mogelijk waren om den weg veilig te stellen.
En dan kwam de bevestiging in het ambt!
,,Alsdan", zoo zegt art. 11, „de Dienaren aldus onderzocht en door de stemming van het volk mede goedgekeurd zijn, oordeelen wij, dat zij óf alleen met plechtige gebeden óf ook met oplegging der handen (wat wij vrij laten) in de tegenwoordigheid der geheele Kerk (gemeente), naar de gewoonte der Apostelen, zullen bevestigd worden. Deze bevestiging zal zelf geschieden door den Dienaar dier zelfde Kerk (zoo er een is) óf anders (indien daar niemand is overgebleven) door den Dienaar der naburige Kerk, wier gezag bij de verkiezing en onderzoeking mede gegolden zal hebben".
,,Dit zal echter", zoo lezen we verder in § 12, „niet geschieden dan nadat hij in tegenwoordigheid der geheele Kerk (gemeente) tegenover dengene, wiens handen hem zullen worden opgelegd, zich heilig verbonden heeft, dat hij zich alleen zal toeleggen op de verbreiding van Gods eer, de zuivere bediening van Gods Woord en de opbouwing der Kerk; dat hij ook niet de uitspraken van den H. Geest naar zijn bijzondere genegenheden zal verdraaien en van de waarheid, hetzij uit gunst, hetzij om geld, hetzij uit vrees geen haarbreed zal afwijken; desgelijks dat hij nauwgezet zal onderhouden de aangenomen verordeningen der Kerk, die op de orde en rust der Kerken doelen; en eindelijk dat hij met al zijn kracht zijn ambt zal waarnemen in het vermanen, bestraffen, vertroosten en onderwijzen, overal waar dit noodig zal zijn, daarbij verre van zich doende alle gunst of aanzien van personen".
Voor ,,geestelijke draaierijen", wonderlijke uitleggingen van het Woord, onder een schijn van heel geestelijk te zijn, waren onze Vaderen dus bang en de man, die als Bedienaar des Goddelijken Woords stond bevestigd te worden, moest nog eens heilig en plechtig beloven, dat hij er zich niet aan schuldig zou maken. Eenvoudige, degelijke, godvreezende uitlegging van het Woord begeerden zij, maar geen extra ordinaire overgeestelijke zotteklap; vooral niet, waar die z.g.n. geestelijke secten en geestdrijvers in grooten getale (denk aan de Anabaptisten of Wederdoopers) zich voordeden en als paddestoelen uit den grond oprezen.
Men moest beloven, dat men geen „haarbreed" van het Woord, van de Schriftuurlijke waarheid zou afwijken; voor geen geld, maar ook niet om ,,in de gunst" te komen bij de menschen. (Zie § 12 waar dit woordelijk staat).
Daarbij moest men zich rustig en ordelijk en stipt houden aan de voorschriften en regels der Kerk (geen woelgeesten, die alles maar op eigen houtje willen doen). En ten derde of ten laatste moest men beloven, trouw z'n werk te zullen doen, zonder aanzien des persoons en ook geenszins om „in de gunst" van menschen te komen. (Zie § 12 ten tweeden male, in den slotzin nu).
„Want het is buiten kijf", zoo gaat § 13 voort, „dat het ambt der Dienaren, welke de Schrift Herders en Opzieners en somtijds ook Oudsten of Ouderlingen noemt, voornamelijk bestaat in het verkondigen van het Woord Gods, dat Woord recht te snijden en toe te passen, zoowel in het openbaar als aan de huizen tot leering, vermaning en vertroosting, naar de omstandigheden dit medebrengen, en in de bediening der Sacramenten en de onderhouding der tucht".
De verkondiging van Gods Woord, de bediening der Sacramenten en de onderhouding der tucht — zietdaar de drievoudige ambtsplicht voor den predikant! In de Wezelsche Artikelen van 1568 volgen dan 8 artikelen over een bizonder ambt en wel „de Profeten". (§ 14—20(21)). Die kwestie slaan we maar over, niet omdat het niet belangrijk is om hierover eens te schrijven, maar voor het oogenblik hebben we er niets aan, omdat wij nu alleen de lijnen van de oudste Kerkorde willen nagaan, om die te gebruiken voor onzen tijd en zoo mogelijk voor onze Ned. Herv. (Geref.) Kerk.
En dan kunnen we met die aangelegenheden van het ambt van „profeet", alsook rakende het „doktoren ambt" toch niets beginnen nu en daarom lezen we verder en beginnen weer bij § 22. Daar gaat het over de wijze van prediken.
(Wordt voortgezet).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 maart 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 maart 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's