MEDITATIE
De onweders des Heeren / De heerlijkheid van een Godshuis
..... de straf, die ons den vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijne striemen is ons genezing geworden. Jesaja 53 vers 5.,,Toen bedekte de wolk de tent der samenkomst". Exodus 40 vers 34a
II (Slot).
Om ons, zoo stamelt in beschaamde aanbidding de levende Gemeente des Heeren bij den aanblik van Immanuëls lijdenslast.
Het was onze plaats, voor eeuwig in de onweders des Heeren; eindeloos onder den last van Zijn gramschap, zonder deernis en lafenis, zonder tempering en verzachting, onder den verbrijzelenden last van het eeuwige oordeel. Eindeloos, eeuwig! Zonder dat ooit het einde van dien smarteweg gezien, veel minder bereikt kon worden. Want eerst als de straf voldragen, ten einde toe gedragen is, kan vrede, verlossing, bevrijding, uitlating uit den kerker volgen. Maar onze zonde heeft een eeuwige straf verdiend.
Wie er zelf voorstaat, die komt er nooit onder uit; die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem. Straf baart vrede; maar dan eerst als zij voldragen is.
Zelf bereikt een mensch dit punt nooit; zelf komt hij er nooit mee gereed. Na eeuwen, eeuwen zonder tal, is de straf niet geminderd, staat hij nog maar aan het begin en verder komt hij nooit.
Maar hier schittert de waardij der Godheid van onzen Heere Jezus Christus: Hij heeft de eeuwige, oneindige straf der zonde in weinig tijds voldragen, den dood verslonden tot overwinning; Hij, de Eeuwige, heeft het eeuwige verslonden tot triomfen. Voor Hem, God uit God, eindigt het eindeloos straftijden in den triomfroep der overwinning: Het is volbracht! Maar als dan Zijn lijden het straf-dragen voor anderen is, dan is ook de vrucht daarvan voor anderen, wier straf Hij droeg, en de vrucht der straf is vrede.Vrede dien die verre, en dien die nabij zijn.
Vrede! Woord van ongemeten, ongepeilde heerlijkheid! En vrede is de vrucht van de voldragen straf. Als de straftijd om is, gaat de kerkerpoort open, de boeien zijn afgenomen en het strafkleed vervangen door het eerzaam burgergewaad.
Vrijheid, vrede, vreugde! Het onweder is uitgewoed en overgegaan, de dampkring gezuiverd, de benauwende walmen weggestormd en vriendelijkstralend breidt zich de hemel allerwegen uit, welft zich de gunst van den Eeuwige als een koepel van glanzend goud in onvermengd geluk over den verbijsterde:
Zoover het West verwijderd is van 't Oosten
Zoover heeft Hij, om ónze ziel te troosten,
Van ons de schuld en zonden weggedaan!
Straf baart vrede; en die vrede is hecht. Zijn koepel staat onbewogen, wijl rustend op de pijlers van het recht. God is verzoend. Jezus Christus heeft alles volbracht en alle gerechtigheid vervuld. Zijn werk is vol bevonden, daar ontbreekt geen schilfer aan. Hij is de Rotssteen, wiens werk volkomen is. Zijn bloed reinigt ons van alle onze zonden. Er bleef niets te doen over; Hij heeft alles gedaan, wat bij God te doen was om de zonden des volks te verzoenen. Het onweder van Golgotha heeft den dampkring voor eeuwig gezuiverd voor allen, die schuilen in de wonden van Immanuël. De straf, die ons den vrede aanbrengt, was op Hem.
Hier is de vervulling der profetie, die ruischte in het lied der Engelen: Vrede op aarde. Vrede door Recht. Reeds eerder had deze profetie weerklonken; denk slechts aan den Priester. Koning van Salem, Melchizedek, type van den Vredevorst, die de gerechtigheid draagt als een pantsier. Dit is in Christus vervuld.
Nu wordt gena van waarheid blij ontmoet.
De Vrede met een kus van 't recht gegroet.
Vrede met God, die om het genoeg-doen van Christus al mijn zonden, ook mijn zondigen aard, waarmede ik mijn leven lang te strijden heb, nimmermeer wil gedenken.
Vrede met uzelf, als ge onder de vleugelen van Immanuël moogt rusten van het zwoegen onder den last van zonde en schuld.
Vrede met elkander, en wat hieraan nog ontbreken mocht zal voorbij gaan, want wij verwachten nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, waarop gerechtigheid wonen zal. En deze vrede is volkomen, want genezing volgt op den voet. Hierin is iets wonders: straf baart vrede, en striemen brengen genezing. De straf, die Hij droeg, brengt ons vrede aan en de striemen, die Hem verscheurden, werken onze genezing. Striemen, bijtende, schrijnende, bloedende striemen, de vrucht van onze zonden. Ons striemt, ons moet striemen het snerpende zweepkoord der zonde; zonde slaat wonde, zonde is gif, zonde is wreed: zij loont haar knechten met striemende zweepslagen. Ons striemt, ons moet striemen de geesel der wet, die den schuldige geenszins onschuldig houdt. Haar roede rijt diepe wonden in de ziel; zij kent geen pardon, weet van genade niet af. Zonder mededoogen striemt haar geesel den roekelooze, die zich aan haar rechten vergreep. Ons striemt, ons moet striemen de roede van den levensnood. Of heeft niet de mensch een strijd op aarde, of zijn de dagen onzer jaren onzes levens op aarde niet weinig en kwaad. (Jacob). Droefheid en nood, smart en rouw, teleurstelling en tegenspoed zijn de geeselroeden die neersuizelen op den armen mensch, hem overdekkend met striemen en wonden, bijtend diep, bloedend fel.
Maar Hij heeft onze krankheden op Zich genomen, onze smarten heeft Hij gedragen, Hij, Man van smarten. Zooals Hij onze overtredingen en haar straf droeg, zoo heeft Hij ook onze krankheden, onze striemen, onzen nood gedragen. Hij heeft gezegd: Geef Mij uw pijn, neem gij Mijn kracht; geef Mij uw smart, neem gij Mijn vrede; geef Mij uw last, neem gij Mijn lust; geef Mij uw rouw, neem gij Mijn troost. En door Zijn striemen is ons genezing geworden. Hij heeft ze van ons afgeleid, op Zich genomen; Hij heeft ze opgevangen de striemende geeselslagen van zonde, wet, nood en dood; o Hij is zulk een volkomen Verlosser, zulk een algenoegzaam Zaligmaker, zulk een volheerlijke, dierbare, onuitsprekelijk dierbare Heiland. O, al wat aan Hem is, is gansch begeerlijk! Gij zijt veel schooner dan de menschenkinderen. Genade is op Uw lippen uitgestort! Schuld en schande, vloek en vlam, straf en striemen, Hij heeft alles op Zich geladen om ons daarvan te verlossen. Wee en wonden, nood en dood, leed en lasten, alles, alles heeft Hij gedragen.
Loof Hem, die u, al wat gij hebt misdreven,
Hoeveel het zij, genadig wil vergeven.
Uw krankheên kent en liefderijk geneest;
Die van 't verderf uw leven wil verschoonen.
Hij is Israels Heelmeester, met innerlijke ontferming bewogen over allen, die kwalijk gesteld zijn, die het moeilijk hebben en gebogen gaan onder den last van aanvechting en schuld.
Hij heelt gebrokenen van harte,
En Hij verbindt hen in hun smarte.
Die, in hun zonden en ellenden.
Tot Hem zich ter genezing wenden.
Ook uw Helper wil Hij zijn, wie ge ook zijt. Zijn noodiging gaat uit tot alle dorstigen, tot allen die vermoeid en belast zijn. Nog nooit heeft een arm en ellendig zondaar Hem tevergeefs gezocht. Maar die gezond zijn, die hebben Hem niet van noode. In werkelijkheid zijn die er echter niet. Het is inbeelding, bedriegelijke misleidende waan, zelfbedrog, dat u influistert: ge kunt ook wel buiten Hem. O, gij kunt het niet! Al wiescht ge u met salpeter, uwe overtreding blijft voor Hem geteekend. En al prijzen u de menschen, en al verdient ge hun lof, voor den Heere — en Hij zal ons oordeelen — is al deze lof waardeloos en al uw deugd een wegwerpelijk kleed. Zooals Hij u ziet, zoo voeren uwe zonden henenweg als een stormwind. O, leg dien waan af; erken wie gij zijt. Maar dit is vreeselijk: zondaar voor God te zijn! Dat is het ook; maar zoo wordt Christus u dierbaar. Dan, als gij weet: ik ben arm en blind en naakt, luistert ge als vanzelf naar Zijn roepstem: Ik raad u, dat ge van Mij koopt goud, beproefd komende uit het vuur. En al waren dan uwe zonden als scharlaken. Hij zal ze maken wit als de wol. Straf baart vrede, striemen genezing. Zoo gaarne wilde ik me aan Hem toevertrouwen, maar het geloof is zoo moeilijk. Neen, het geloof is Gods gave en Hij, die het werkt, wil het ook versterken. Hij kent u, mocht gij zoo Hem kennen. Hij weet wat van u is te wachten: niets. Mocht gij zoo weten wat van Hem is te wachten: alles.
Al wat u ontbreekt.
Schenk Ik zoo gij 't smeekt,
Mild en overvloedig.
R.
De heerlijkheid van een Godshuis *)
Met het oog op het Godshuis, tot welks ingebruikneming we hier vanavond in bediening des Woords met elkander zijn saam gekomen, ga ik achtereenvolgens tot u spreken: 1°. over de tent; 2°. over de tent der samenkomst; 3°. over de wolk, die de tent der samenkomst bedekte.
Met de tent van onzen tekst is oorspronkelijk de tabernakel bedoeld, dat heiligdom van Israels volk op de woestijnreis van Egypte naar Kanaan. Wat een zorg, door Mozes aan dien tabernakel besteed. Als we de hoofdstukken eens nalezen die aan het laatste hoofdstuk van Exodus voorafgaan, dan zien we dat God Zelf alles tot in de kleinste bijzonderheden had voorgeschreven en dat Mozes alles had moeten maken naar de afbeelding (het voorbeeld) die hem getoond was op den berg.
Neen, aan den bouw van den tabernakel waren geen moeiten en waren geen kosten ontzien. Door het offer, dat het volk vrijwillig had opgebracht, daartoe in staat gesteld, was alles wat Bezaleël en Aholiab gemaakt hadden, van het allerkunstigste werk.
Toch droeg die tent van Israël slechts een tijdelijk karakter. Straks, toen zij in Kanaan tot rust waren gekomen, werd die verstelbare tent door Salomo's tempel vervangen, en later, we weten het allen, is ook die tempel verwoest, en zelfs van den herbouwden tempel van Zerubabel en van den gerestaureerden tempel van Herodes zou, naar het woord van Jezus, dat sinds lang in vervulling ging, niet één steen op den anderen gelaten worden.
Onze Julianakerk is ook een tent. Zeker, daar zijn punten van verschil, maar daar zijn ook punten van overeenkomst tusschen de tent van ons tekstwoord en de tent, waarin wij thans vergaderd zijn.
Punten van verschil. En dan is het groote verschilpunt zeker wel dit, dat de tent van ons tekstwoord een geheel eenige typisch-schaduwachtige beteekenis had, een beteekenis die overeenkwam met de geheel eenige plaats, die Israels volk innam in de bedeeling der schaduwen. Neen, een tent als deze tent met zijn bekende onderscheiding in voorhof, heilige en heilige der heiligen, en met de bekende voorwerpen, die op Gods bevel in die verschillende afdeelingen geplaatst waren, een tent als Israels tabernakel hebben wij niet meer. En gelukkig, dat we die niet meer hebben. Immers wij leven niet meer in de bedeeling der schaduwen, maar in die der vervulling. Het nationaal karakter van Israels volk heeft bij de komst van Christus naar deze wereld plaats moeten maken niet voor het nationaal karakter van eenig ander volk, dus ook niet voor het nationaal karakter van de Hervormde Kerk van Nederland, maar voor het internationaal karakter van de Kerk van Christus, die sinds het eerste Pinksterfeest in beginsel alle volken omvat.
De Kerk van Christus blijkt in de dagen, waarin wij leven, geen volkskerk, maar wereldkerk te zijn. D.w.z. geen kerk, die tot eenig volk, veel minder tot een enkele groep in dat volk, is beperkt, maar die haar grenzen hoe langer hoe verder uitzet en die niet kan rusten voor zij met de kennis des Heeren de gansche aarde heeft vervuld. Maar daarom kan er ook van een nationaal heiligdom, van een bepaalde plaats van Godsvereering geen sprake meer zijn. In dat opzicht is de tent die wij gebouwd hebben principieel onderscheiden van die tent, waar over in ons tekstwoofd gesproken wordt.
Maar naast dit punt van verschil blijken er ook punten van overeenkomst te zijn. En Iaat ik dan dit ééne maar noemen. Ook dit gebouw blijkt een tent te wezen. Neen, in letterlijken zin is het dat natuurlijk niet. In letterlijken zin zou het dan ook eer met een tempel, dan met een tabernakel vergeleken kunnen worden. Maar als we nu een oogenblik denken aan het tijdelijk, aan het voorbijgaand karakter, dat ook dit gebouw draagt, zou dan de naam van ,,tent" ook niet op deze nieuwe, schoon gebouwde Julianakerk van toepassing zijn? Of komt er niet een tijd, dat ook van dit hechte en sterke gebouw niet één steen op den anderen gelaten zal worden? Komt er niet een tijd — neen, gij zult het niet beleven en ik zal het niet beleven, omdat het aardsche huis van onzen tabernakel veeleer verbroken zal wezen — dat de mokerslag der eeuwen ook dit Godshuis vermorzelen zal en dat ook hier bevestigd zal worden:
Als een kleed zal 't al verouden.
Niets kan hier zijn stand behouden;
Wat uit stof is neemt een end
Door den tijd, die alles schendt.
Onze Julianakerk is ook een tent, principieel onderscheiden van de tent van ons tekstwoord, en toch ook weer principieel in overeenstemming met die tent. En weet ge wat vooral het punt, het groote punt van overeenstemming is? Dat het een tent der samenkomst is. Niet waar, het is wel eigenaardig, dat de tabernakel des Heeren hier de tent der samenkomst heet. Gij begrijpt allen wel, wat dat wil zeggen.
Die tent der samenkomst was de plaats waar alle Israëlieten samenkwamen. Het was als 't ware 't vereenigingspunt en als zoodanig het symbool dat alle Israëlieten tezamen behoorden tot één volk, en dat zij tezamen knielden voor één God en dat zij tezamen reisden naar één land.
O zeker, daar bestond onder al die duizende Israëlieten een machtig verschil. We denken alleen maar aan de onderscheiding in 12 stammen, en zelfs tusschen degenen die tot denzelfden stam behoorden bleek groot onderscheid te bestaan. Daar zijn immers geen twee menschen en dus waren er ook geen twee Israëlieten aan elkander gelijk. Maar waarin zij ook verschilden, als zij tot de tent der samenkomst kwamen dan hieven alle verschilpunten zich als vanzelve op. Daar voor die tent der samenkomst stonden zij als één volk. Daar binnen die tent stond in den voorhof maar één altaar waarop aller offer ontstoken werd.
Daar binnen die tent stond in den voorhof maar één waschvat, het zinnebeeld dat de een zoo goed als de ander van de zonde gereinigd moest worden.
Daar binnen die tent stond in het heilige maar één tafel met toonbrooden, ten bewijze dat zij allen moesten eten van hetzelfde brood. Daar binnen die tent stond maar één kandelaar, zij het ook een kandelaar die een zevenvoudig licht van zich wierp. Treffend beeld dat hetzelfde, zij het ook veelvoudige licht van Gods genade voor een ieder hunner noodzakelijk was. Daar binnen die tent stond maar één altaar des reukoffers, en dat ééne altaar was het symbool dat aller gebed als één reukwerk voor het aangezicht des Heeren moest opklimmen.
En dan eindelijk daar binnen die tent stond in het heilige der heilige maar één verbondsark. En die ééne ark herinnerde Israels volk er aan dat er maar één Naam onder den hemel tot zaligheid gegeven zou worden; dat er maar één God was, dat er ook maar één Middelaar Gods en der menschen in deze wereld zou komen, dat er maar één Hoogepriester was die eenmaal met al de namen der Zijnen op Zijn Middelaarshart tot den Vader naderen zou.
Als Israels volk tot de tent der samenkomst kwam dan stond het daar in zijn éénheid, dan stond het daar om af te beelden dat er wel vele leden waren, doch maar één lichaam.
En als wij hier in deze Julianakerk als gemeente des Heeren, als het Israël van den nieuwen dag, telkens weer hopen saam te komen, als ook deze kerk een tent der samenkomst is; dan mogen, we bezield zijn met en dan moeten we gedragen worden door diezelfde gedachte aan de eenheid ook van Gods N. Testamentische Kerk.
O, het is een gelukkig verschijnsel dat de samenkomsten der gemeente hier in eere zijn. Laat ons onze onderlinge bijeenkomsten niet nalaten. De noodzakelijkheid van deze tweede kerk is een bewijs dat men hier, meer dan in zooveel andere plaatsen, met die vermaning des apostels rekening houden. En zonder er ons zelf op te verheffen achten wij het ons als Veenendalers toch een eere dat zelfs iedere vreemdeling hier uit het naarstig opgaan naar de kerk zien kan dat de Zondag de dag des Heeren is.
Maar als we nu ook hier in dit kerkgebouw telkens weer hopen samen te komen, laat ons dan niet vergeten wat dat samenkomen als één gemeente ons zegt. Dat samenkomen immers roept het ons toe:
dat wij allen noodig hebben hetzelfde offer,
dat wij allen gereinigd moeten worden door hetzelfde bloed,
dat wij allen moeten eten van dezelfde geestelijke spijze,
dat wij allen onzen weg moeten bewandelen bij hetzelfde licht,
dat wij allen moeten saamstemmen in hetzelfde gebed,
en dat wij allen behoefte hebben aan denzelfden Priester, die eenmaal niet met vreemd bloed, maar met zijn eigen bloed in het binnenste heiligdom is ingegaan.
En laat die gedachte aan het: één lichaam en één Geest; één Heere, één geloof, één doop, één God en Vader van allen. Die daar is boven allen en door allen en in allen, laat die gedachte aan de eenheid van de gemeente van Christus ons dan hoeden voor alle scheuring, ons bewaren voor scheiding van de Ned. Herv. Kerk die krachtens haar belijdenis voor ons nog altoos een Kerk van Christus en krachtens haar historie voor ons nog altoos de Kerk der Vaderen is.
Een tent. Een tent der samenkomst. Maar die tent der samenkomst werd volgens ons tekstwoord bedekt door een wolk; neen door de wolk. Immers toen, toen alles in den tabernakel gereed was, toen Mozes zijn werk aan dien tabernakel voleindigd had, toen bedekte de wolk de tent der samenkomst.
Met die wolk wordt hier bedoeld die vertikaal opstaande zuil die van de aarde naar den hemel reikte, die overdag het volk Israels beschutte tegen de brandende stralen der Oostersche zon en die des nachts een hemelsch licht wierp in de donkere vlakte van de dorre woestijn. Die wolk was voor Israel het teeken en zegel van Jehova's tegenwoordigheid; die wolk was hun een beeld van de heerlijkheid des Heeren, vreeselijk voor Gods vijanden, maar liefelijk voor allen met wien de Heere in Abraham Zijn heilig verbond had opgericht.
En nu kan het u niet onbekend zijn van wien die Schegina, die wolk-en vuurkolom, dat teeken van Gods majestueuze heerlijkheid het zinnebeeld was. Die schaduw van Gods heerlijkheid bedoelt een beeld te zijn van die heerlijkheid Gods die straks werkelijkheid werd in Christus, zij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als des Eengeboren des Vaders, vol van genade en waarheid. Dat kon Johannes zeggen, omdat hij Christus had gezien en dat kan ieder hem nazeggen die met het oog des geloofs Jezus aanschouwt.
Christus is dus de wolk, die schaduwachtig de tent der samenkomst bedekte; Christus is de heerlijkheid Gods die schaduwachtig den tabernakel vervulde. En nu gevoelt gij wel hoe die wolk ook onze Julianakerk zal moeten bedekken, d.w.z. ook deze kerk moet vervuld worden met de heerlijkheid Gods, zooals die in Jezus Christus tot openbaring gekomen is.
Christus is de wolk, die Zijn volk bedekt tegen de brandende stralen van de Zon van Gods heilig recht, waardoor zij anders verteerd zouden worden. Maar ook Christus is het vuur dat zijn lichtglanzen werpt in de woestijn van dit leven, waar het anders voor Gods kinderen zoo donker, zoo stikdonker zou zijn.
En nu kan in een ure als deze die schoone gedachte door ons niet nader worden uitgewerkt. Maar als wij den wensch uitspreken en de bede opzenden, dat het woord van onzen tekst ook op onze nieuwe kerk van toepassing zal zijn: toen bedekte de wolk de tent der samenkomst, dan beseft gij nu allen wel dat we daar dit mee bedoelen dat Christus hier zal wonen met Zijn Woord en werke met Zijn Geest.
Ja, gemeente, in de bediening des Woords zal het altoos weer Christus moeten zijn; Christus, die als de hoogste Profeet ons leert, die als de eenige Hoogepriester ons lost, die als de eeuwige Koning ons leidt. In de bediening der Sacramenten zal het altoos weer Christus moeten zijn; Christus, door Wiens bloed we gereinigd, door Wiens Geest we geheiligd worden.
En bij alles wat er verder in deze kerk zal geschieden, zal het altoos weer Christus moeten zijn; niets minder, maar ook niets meer dan Chrisius. Christus in Zijn noodzakelijkheid en gepastheid, in Zijn algenoegzaamheid en dierbaarheid, Christus in Zijn volle heerlijkheid, zooals Hij voor heel het leven van Zijn volk en voor hun sterven van de allergrootste en allerrijkste beteekenis is.
Ziet, als zoo de Christus der Schriften in al den rijkdom Zijner deugden hier verkondigd zal worden en Christus Zelf zal dan door Zijn Geest dat Woord schrijven op de tafelen onzer ziel, dan heeft de wolk ook deze tent der samenkomst bedekt.
En dan, gemeente van Veenendaal, dan zullen wij onze Julianakerk niet tevergeefs hebben gebouwd. Immers als dan straks in den dag der eeuwigheid de elementen branden zullen en vergaan, en ook deze kerk met de aarde en al de werken die daarop zijn verbranden zal, dan zullen wij God danken dat Hij deze vergankelijke tent heeft willen gebruiken om ons te brengen in die stad, waar geen tempel meer gevonden zal worden en waar toch geen einde komt aan den tempelzang van Gods verloste Kerk, voor ons vertolkt in het bekende lied van den 84sten Psalm:
Mijn hart roept uit tot God die leeft.
En aan mijn ziel het leven geeft.
V. J.
*) Uitgesproken ter gelegenheid van de ingebruikneming der Julianakerk te Veenendaal op Donderdag 1 Maart 1928, nadat enkele bijzondere toespraken met het oog op de plechtigheid vooraf waren gegaan.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 maart 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 maart 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's