FEUILLETON
Kleine Luijden
SCHETSEN UIT HET FRIESCHE DORPSLEVEN,
door IDSARDI.
5)
Bovendien was het geen kleinigheid de eeuwigheid in te gaan, waar de mensch zal maaien wat in het leven op aarde werd gezaaid, en hij kon zich voorstellen hoe dankbaar zij wezen zou, van dit krankbed te zijn opgericht waar zij langen tijd onbewust gezweefd had als tusschen leven en dood. 't Was dan ook uit warme belangstelling voor haar dat hij hier kwam en bij voorbaat zeide hij dat zij niets behoefde te zeggen dat zij liever verzweeg. D'r kwamen in elk menschenleven wel van die dingen voor, die men nu eenmaal geen ander zeggen kon en alleen in orde konden gemaakt worden of uitgesproken voor God die de harten kent en zelfs de nieren proeft. Echter moesten er middelen beraamd worden met het oog op haar toekomst. God had haar weg hier heen geleid, en de familie Deelstra had getoond hierin Gods hand te zien door barmhartigheid te bewijzen aan haar die als voor de voeten was neergelegd, doch nu diende er verder gezorgd.
Hoe het haar lijken zou, als zij, althans voorloopig, hier in het dorp wonen bleef.
Onder 't spreken dezer gevoelvolle woorden, die blijkbaar uit een oprecht hart kwamen, was de vreemdelinge langzamerhand kalmer geworden. Deze man boezemde haar vertrouwen in. Daar lag iets in zijn heele voorkomen en optreden, dat haar goed deed. Sinds wanneer had iemand aldus met haar gesproken? Herinnerde dit woord haar niet aan lang vervlogen dagen, en meende zij niet telkens de stem van een ander te hooren, iemand die haar zoo dierbaar was geweest? Herinnerde die gestalte haar niet aan een gebeurtenis uit het verleden?
Hier schenen menschen te wonen die haar vertrouwden, ook al wist men niets van haar en scheen veel tegen haar te getuigen.
Hier leek beleefd te worden, wat zij altijd beschouwd had als te zijn de groote inhoud van het Evangelie, door zoovelen beleden, door zoo weinigen in daden omgezet, omdat het zoo ingaat tegen de natuur van den mensch en zooveel zelfver loochening eischt.
Hier werd onder dit dak, in al het doen en laten, in heel den omgang met elkaar, iets gevonden, dat zoo geheel verschilde van de gewone openbaring van het natuurleven, en alleen kon worden toegeschreven aan de heiligende kracht, die er uitgaat van het Woord des Heeren, als dit zeggenschap over de levens krijgt.
Een groote traan vulde het oog en baande zich een weg over het gelaat, dat nog al de sporen droeg van diepgaand leed.
't Was haar niet mogelijk in zulk een kort oogenblik dóór te denken wat hier gezegd was. Inzonderheid over die levensverlenging als gunst van God en dat door Hem geleid worden naar dit huis. Zou 't waar zijn! Zij had, zich immers reeds lang van God en menschen verlaten geacht, met de heele wereld tegen zich!
En wat dat weer beter worden betrof? Maar had zij niet meermalen naar den dood verlangd? Erger nog — naar hem gezocht? Zonder er bij na te denken wat ds. Randwijk zei, dat het geen kleinigheid was — de eeuwigheid in te gaan, omdat de mensch daar maait, wat hij hier heeft gezaaid? Waren er geen oogenblikken in haar leven geweest, waarin een hevige strijd in haar binnenste woedde en zij door geheimzinnige machten scheen te worden aangedreven om er een einde aan te maken? Had zij niet kort geleden een avond doorworsteld, waarin het haar schier te bang was en zij ergens op een eenzame plaats op het punt gestaan had zich te werpen in den donkeren stroom, die haar zoo verleidelijk toelachte, terwijl het ritselend oeverriet zoo melancholisch gezongen had en niemand weten zou wat zij in het watergraf meenam?
O, als zij eens niet dat kind had gehad, dat zich toen juist op dat oogenblik zoo vertrouwelijk tegen haar aanvleide, en haar wangen streelde, wat zou er dan van haar geworden zijn?
Doch zij had geen tijd daar thans over na te denken. Zij was hier onverwacht en ongedacht onder een vriendelijk dak gekomen bij menschen, die zij nooit zal kunnen vergoeden wat men aan haar heeft ten koste gelegd, en nu was haar een vraag gedaan. Hoe het haar lijken zou hier op het dorp te gaan wonen. Bedeesd heeft zij het oog opgeslagen en ds. Randwijk gevraagd of hiertoe dan gelegenheid bestond.
En toen bleek het, hoe men nog meer voor haar gedaan had, dan zij vermoeden kon. Dominé is naar boer Rijpkema gegaan, die op „Olga-State" woont, even buiten de kom van het dorp. Deze heeft een woning bij den zoogenaamden „Viersprong", verscholen achter een haag, en bij zomerdag begroeid met wilden wingerd en kamperfoelie.
Vroeger woonde hier een der arbeiders, maar sinds de kinderen in het bedrijf zijn gekomen, kon vreemde hulp gemist worden en zoo kwam het dat deze woning sinds lang voor bergplaats, dienst deed.
Of hij niet genegen was eene ongelukkige vrouw, aan lager wal geraakt, te helpen door haar tijdelijk dit huisje af te staan — had dominé gevraagd. Men kon dan later altijd verder zien.
In den beginne had de boer veel bezwaar. Het huis was feitelijk onbewoonbaar. De ramen waren stuk en de vloer verrot, het behangsel van de muren en de schoorsteen lekte. Bovendien kon men de ruimte moeilijk missen voor het gerief. Hier werden de landbouwgereedschappen geborgen en in het voorjaar de poters klaar gemaakt voor den zaai. En wat nog wel het grootste bezwaar was, men wist niets van die vreemde vrouw af.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 maart 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 maart 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's