GEESTELIJKE OPBOUW
DE GEREFORMEERDE KERKORDE of HOE 't IN DE KERK DES HEEREN MOET TOEGAAN. (8)
De wijze van prediken. „Wat voorts de wijze van prediken aangaat", zoo lezen we in § 22 „kan niemand iets bizonders worden voorgeschreven, dan alleen dat ieder, naar de mate van de ontvangene gaven des H. Geestes zal trachten de Schrift zoo duidelijk mogelijk uit te leggen en dat met een wijze van spreken, die zoo gepast mogelijk is voor de bevatting der hoorders. Daarentegen zal hij vermijden alle hatelijke en stinkende hoogdravendheid, waarin velen niet zelden vervallen, doordat zij over vele dingen ijdele bespiegelingen houden; buiten het oogmerk, dat de Schrift voorstelt, omdwalen, een spel drijven met allerlei spitsvondige allegoriën", dikwijls zelfs „profane en fabelachtige geschiedenissen tot een pralende vertooning te voorschijn brengen, getuigenissen van de vaderen, ijveriger dan te pas komt, bijeenzoeken en aanhalen, jachtmaken op duisterheid enz."
Zoo schreven onze Geref. Vaderen in den jare 1568.
Zouden zij in 1928 ook nog zoo waarschuwend, bestraffend, vermanend hun stem onder ons verheffen, als zij dominé's, oefenaars, godsdienstonderwijzers en wie al niet hoorden preeken en spreken in dezen lande, heind en ver?
Teekenend is, wat onze stoere Gereformeerde Voortrekkers onmiddellijk na hun bestraffing en vermaning doen hooren, want we lezen: „Maar hij (de prediker n.l.) zal alles terugbrengen tot deze twee voornaamste stukken van het Evangelie n.l. het geloof en de bekeering. Bij het eene stelle hij zich als eenigst doel de kennisse van Christus voor oogen, bij het andere de ware dooding des levens en de levendmaking".
Dat is gezonde taal. Vóór alles: „de Heilige Schrift zoo d u i d e l ij k m o g e l ij k u i t l e g g e n". En dan: „alles terugbrengen tot die twee voornaamste stukken van het Evangelie", zijnde: ,,g e l o o f en b e k e e r i n g".
Waarbij dan de kennis van Christus als het eenigst doel van de prediking des geloofs voor oogen moet worden gesteld; en als er over bekeering werd gehandeld, dan moest het om de ware dooding des levens gaan, met de levendmaking door den Geest. Het vleesch gedood, Christus levend en de goddelooze om niet gerechtvaardigd door het geloof in Christus, zonder de werken der wet!
En dat onze Geref. Vaderen zich bewust waren, dat bij de prediking van die twee voornaamste stukken van het Evangelie: de kennis van Christus door het geloof en de levendmaking des Geestes met de dooding des vleesches, de lengte en de breedte, de diepte en de hoogte der prediking was aangegeven, bewijzen ze, als ze de prediking van geloof en bekeering aldus omschrijven:
„Hij (n.l. de prediker) zal trachten, zooveel dit in z'n vermogen zal staan, alle schuilhoeken en verborgen omhulsels van het menschelijke hart bloot te leggen, zoowel door de verkeerde meeningen en ketterijen als door de slechte zeden te bestraffen. Ook zal hij niet alleen de grove schelmstukken en openbare schanddaden vervolgen, maar evenzoo trachten de verborgen geveinsdheid der zielen uit te kleeden en het broeinest van goddeloosheid, hoovaardigheid en ondankbaarheid, dat zelfs bij de allerbesten schuilt, in het licht te stellen en op de geschiktst mogelijke wijze uit te roeien".
Zoo moest Wet en Evangelie gepredikt worden; geloof en bekeering; zonde en genade, verlorenheid en verzoening. Omdat de Heere in Christus zondaren wil roepen tot bekeering. Van hun ongerechtigheid en eigengerechtigheid wil Hij hen bekeeren tot Zijn borggerechtigheid. En Hij heeft beloofd, dat Hij Zelf het Evangelie in de harten der Zijnen zal brengen, dat ze „Amen" leeren zeggen op het goddelijk Evangelie, dat dengenen die behouden worden een reuke des levens ten leven is en dengenen die verloren gaan een reuke des doods ten doode.
Zóó moeten zondaren aan hun zonde-en doodsstaat ontdekt worden en ze moeten worden bewogen met de prediking: laat u met God verzoenen in Hem, die zegt: Komt allen tot Mij, die vermoeid en belast zijt en Ik zal u ruste geven. Dat moet met ernst en getrouwheid, maar ook met soberheid en schriftuurlijk, zonder „spitsvondige allegoriën" en zonder „jachtmaken op ijdele geschiedenissen en profane voorbeelden en duisterheden."
Daarbij kort en krachtig. Want zoo volgt direct: Hij zal zich er óók voor wachten, dat hij niet door al te wijdloopige predikatiën èn het geheugen van den hoorder bezware èn diens ijver verstompe en (als 't ware) zijn maag tot walging verwekke".
Hier zetten we weer even een ruststreep — — — en we lezen, na even te hebben gepauseerd, verder: „Daarom zal hij zich beijveren, zijne rede tot den duur van één uur te beperken (§ 24) Hier zetten we nogmaals een streep — — —!
In § 26 gaat het dan weer over andere dingen.
Daar staat: „Eén dag ten minste in de week zal men, naar de gelegenheid van iedere Kerk" (de plaatselijke gemeente wordt hier bedoeld) „afzonderen voor plechtige gebeden, waarop men vóór of na de predikatie eene openbare en plechtige schuldbelijdenis en ootmoedige bede om vergiffenis voor 't volk doen zal; welk gebed een ieder Dienaar zal uitspreken óf naar de ingeving des Geestes óf indien hij wil, door het formulier van de Kerk van Geneve of van eenige andere Kerk, zich voor te stellen".
Hier zou aanleiding zijn om iets over onze Liturgie, over de orde der liturgie en den inhoud der liturgie te zeggen en eenige opmerkingen te maken over onzen Eere-dienst, of hoe het bij onze godsdienstoefeningen moet toegaan — maar we willen eerst nog even de Wezelsche Artikelen verder lezen, dan krijgen we nog enkele dingen, door onze Gereform. Vaderen genoemd, die we dan straks tegelijk behandelen kunnen bij het onderwerp: Liturgie.
In § 28 lezen we hoe „de gewone gebeden" bij den dienst des Woords moeten worden ingericht, die „zoo geschikt mogelijk in verband moeten worden gebracht met het onderwerp, dat in de predikatie is voorgesteld"; en „zoo mogelijk zullen alle voornaamste stukken, die in de predikatie verklaard zijn, daarbij aangeroerd worden, opdat langs dezen weg de zaak zelve te dieper in de gemoederen der hoorders beklijven moge en tegelijk door de minder ervarenen verstaan worde, welk gebruik bij het bidden van de Schriften te maken is".
Hier dreigt natuurlijk het gevaar, het g r o o t e gevaar — natuurlijk niet door onze Vaderen bedoeld, maar nochtans in werkelijkheid bestaand — dat het gebed, vooral 't nagebed een tweede preek wordt, een herhaling van de leerrede met allerlei teksten enz. Van „den nood der Christenheid" is hier nog geen sprake. Maar dat is later door onze Gereform. Vaderen nader en beter geregeld in hun Liturgie.
Ook over het voorlezen vóór den aanvang van de godsdienstoefening handelen de Wezelsche Artikelen.
Over dat voorlezen van de H. Schrift vóór den dienst en dus buiten de eigenlijke godsdienstoefening omgaande, lezen we in art. 29: ,,Opdat niet in den tusschentijd, terwijl men tot de predikatie saam komt, door ijdele gesprekken zoowel de gemoederen worden afgeleid als de bediening van Gods Woord smaadheid worde aangedaan, zoo zal het niet ondienstig zijn, dat vooreerst door één van de Ouderlingen of Diakenen of kortom door eenige ander persoon tot dat werk aangewezen, het een of andere hoofdstuk uit de Schrift voor het volk gelezen worde en vervolgens als naar gewoonte psalmen worden gezongen". „De Voorlezers zullen echter indachtig zijn, dat het niet hun ambt is de Schrift te verklaren"; „opdat zij vooreerst niet den sikkel slaan in eens anders oogst en voorts door ontijdige verklaringen het gewone gebruik der Kerk niet verstoren".
Men voelt, het gaat hier niet over het voorlezen van de H. Schrift in den dienst des Woords. Dan is de prediker aan het woord; hij leidt den dienst en dus leest hij ook uit de H. Schrift.
Maar het gaat hier om dat kwartier of half uur, dat de menschén vóór den aanvang van den dienst „bezig gehouden" moeten worden. Dan moet een ouderling, of een diaken, of een lid der gemeente (men ziet, onze Vaderen beseften, dat het hier werk was, dat buiten den dienst des Woords stond) gedeelten uit de Schrift voorlezen en telkens maar een versje laten zingen!
Gelukkig, dat zulk onstichtelijk gedoe „om de menschen bezig te houden" of liever „zoet te houden en stil te houden", overal is afgeschaft. Overal? — — —
(Wordt voortgezet).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 maart 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 maart 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's