De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

Jezus voor Herodes / Geen Godshuis meer

21 minuten leestijd

En hij vraagde hem met vele woorden, doch Hij antwoordde hem niets. En Herodes met zijne krijgslieden Hem veracht en bespot hebbende, deed Hem een blinkend kleed aan en zond Hem weder tot Pilatus. Lukas 23 vers 9 en II.,,Toen bedekte de wolk de tent der samenkomst". Exodus 40 vers 34a

Heel de rechtshandel tegen den Heere Jezus Christus is terecht genoemd een monument van menschelijk onrecht en satanische boosheid voor alle eeuwen. Ieder moment van dien gruwelijken rechtshandel is vol van ongerechtigheid.
Toch zijn er enkele momenten, die ons bijzonder ontroeren.
Zulk een oogenblik is het ook, waarop wij den Heere Jezus door Herodes en zijn krijgslieden veracht en bespot zien.
Uit vrees, dat de Joden hem zouden beschuldigen bij den Romeinschen keizer, had Pilatus den Heere Jezus naar Herodes gezonden. Nauwelijks toch had Pilatus gehoord, dat Jezus ook in Galilea had geleerd, of daar was een straal van hoop opgegaan in zijn hart, dat hij zich nog zou kunnen ontslaan van een verdere rechtspraak tegen Hem, Wiens onschuld hem zonneklaar was gebleken.
Immers, als de Heere Jezus ook in Galilea hetzelfde had geleerd en gedaan als in Judea, dan kon hij rustig de verdere afwikkeling van het proces in handen van Herodes, den viervorst van Galilea, stellen, en tevens dien viervorst nog eene bijzondere beleefdheid bewijzen. Zoo zond dan Pilatus Jezus henen naar Herodes.
Daar wordt van Herodes gezegd, dat hij zeer verblijd was, als hij Jezus zag, want hij was overlang begeerig geweest Hem te zien, omdat hij veel van Hem hoorde en hoopte eenig teeken te zien, dat van Hem gedaan zou worden.
Herodes was zeer verblijd, als hij Jezus zag! Wij zouden geneigd zijn om te denken, dat dit nog niet zulk een slecht teeken was.
Doch helaas, de blijdschap van Herodes had niets uitstaande met die blijdschap des geloofs, die er in het hart van den zondaar is, die den Heere Jezus na het ontdekkend werk van Gods Heiligen Geest mag zien als den eenigen Zaligmaker.
Neen, de blijdschap van Herodes stoelde op een verkeerden wortel. Herodes had steeds gevreesd, sinds het gerucht van Jezus' optreden tot hem was doorgedrongen, dat Johannes de Dooper, dien hij onschuldig had laten onthoofden, uit de dooden was opgestaan en niemand anders was dan deze Jezus.
In bangen gewetens-angst had hij uitgeroepen: „Johannes heb ik onthoofd; wie is nu deze, van welken ik zulke dingen hoor?"
„En Herodes zocht Hem te zien", zoo zegt ons de Schrift. Daarom was hij verblijd hem zoo machteloos en gebonden voor zich te zien.
Want nu wist Herodes, dat die schijnbaar machtelooze en gebonden gevangene is geen geval de schim was van Johannes den Dooper.  Verstaat ge, dat er blijdschap was bij Herodes, als hij zoo den Heere zag?
Maar hoe komt dan toch Herodés tot dien spot en hoon, waarvan het boven afgedrukte tekstwoord gewaagt? Omdat Herodes, nu hij van zijn bijgeloovige vrees was verlost, hoopte zich met Jezus te zullen kunnen vermaken.
Herodes toch had gehoord, dat niemand sprak als deze koning der Joden. Hij had ook hooren spreken van de wonderen, door Christus gedaan. En nu was zijn verwachting heel hoog gespannen. Hij wilde dien redenaar ook wel eens hooren, maar hij wilde bovenal wel eens van die wonderteekenen zien, waarvan men hem had verhaald.
Herodes heeft niet anders verwacht of de Heere Jezus zou hem ter wille zijn en op zijn verzoek allerlei wonderen verrichten. Hij had immers als viervorst en rechter het leven van den Heere Jezus in handen, naar hij meende. Wat zou dan Christus niet doen om toch maar het veege leven te redden.
Lukas teekent ons dan ook het verhoor door Herodes met deze omschrijving: ,,En hij vroeg Hem met vele woorden".
Lukas zegt ons niet, welke vragen hij aan den Heere Jezus heeft gedaan. Maar dit kunnen wij toch wel zeggen, dat het vragen zijn geweest, die al de lichtzinnigheid van Herodes deden uitkomen.
Helaas, het ééne noodige — daarnaar heeft Herodes niet gevraagd.  Had hij daarnaar gevraagd, dan zou hij wonderen hebben gezien — de wonderen van Christus' genade.
Maar daarnaar vroeg hij niet. Het is zoo waar, wat een bekend schrijver van dezen Herodes zegt, dat namelijk de heiligheden des Heeren beuzelingen waren geworden voor den lichtzinnigen spotter. Hij had zich heengezet over de ernstige waarschuwingen van den grooten Dooper. De zonde der wellust had alle indrukken bij dezen viervorst langzaam maar zeker verstikt. Zoo was hij de spotter geworden, die het heiligste niet meer ontzag. Zoo begeerde en hoopte hij ook, om zich te kunnen vermaken, „eenig teeken van Jezus te zien, dat van Hem gedaan zoude worden".
Daar stond dan de Heere Jezus voor Herodes als de lijdende Borg voor Zijn arm en ellendig volk, door Herodes nog bedroefd in Zijn ontzaglijk lijden, door allerlei beuzelachtige vragen van Herodes gekweld. Wij zouden verwachten, dat de Heere Jezus Herodes de teekenen Zijner macht zou hebben betoond. Had de Heere Jezus niet de macht om hem neer te doen storten ter aarde, zooals Hij Zijn vijanden in het stof had doen bukken in den hof van Gethsémané? Zeker, Christus had die macht. Hij had Herodes levend kunnen doen verzwelgen door de aarde! Hij had vuur van den hemel kunnen doen nederdalen! Maar de Heere Jezus doet niet eenig teeken, want Hij ziet achter dezen Herodes den Satan staan, die Hem verzoekt om zoo mogelijk Hem tot ongehoorzaamheid aan Zijn hemelschen Vader te bewegen. Christus weet, dat de eere Gods en de zaligheid van Zijn volk worden bedreigd. Daarom zweeg de Heere Jezus met een absoluut, met een volstrekt zwijgen.
Dat zwijgen van den Christus zegt hier zoo onnoemelijk veel. Dat zwijgen sloot ook de deur der hope voor Herodes toe. Dat zwijgen van Christus is ook hetzelfde zwijgen, dat God in den hemel nog altijd doet op het Herodiaansche vragen ook van onzen dag. Hoevelen zoeken in onze dagen, evenals Herodes, alleen hun nieuwsgierigheid te bevredigen en grijpen daarom allerlei verborgene machten aan om antwoord te vinden op de onbeschaamde vragen van hun hart.
Ik denk aan de velerlei occultische stroomingen van onzen tijd.
Herodes deed hetzelfde als meermalen de Joden hadden gedaan, die telkens tot den Heere Jezus waren gekomen met de vraag, of zij een teeken van Hem mochten zien.
Zoo ook willen velen nog, dat God Zijn bestaan zou moeten bewijzen voor elken dwaas, die dit eischen zou. Maar op al zulk vragen antwoordt God niet.
Doch waar God wèl op antwoordt, dat is — op het noodgeschrei van Zijn volk. Op dat noodgeschrei doet Hij groote wonderen. Op dat noodgeschrei heeft Hij Zijn volk met een sterken arm uit het diensthuis in Egypte uitgeleid. Op dat noodgeschrei verandert Hij ook nu nog de woestenij in vruchtbare dreven en doet Hij het water vloeien uit de rots. Op dat noodgeschrei toont Hij de waarheid van Zijn woord, in ouden dag reeds gesproken: „Roep Mij aan in den dag der benauwdheid; Ik zal er u uithelpen en gij zult Mij eeren".
Op dat vragen eener ijdele nieuwsgierigheid van Herodes geeft de Heere Jezus geen antwoord. Wat zal Herodes nu doen, nu hij in zijn ijdele verwachting is teleurgesteld? Herodes grijpt naar het wapen van den spot. De man, die eens nog naar den kerker sloop om Johannes den Dooper te hooren, en die op zijn woord nog zelfs vele dingen deed, wist thans niet beter meer te doen dan met den Heere Jezus te spotten.
Herodes grijpt naar een der meest laaghartige wapens. Lukas verhaalt toch: „En Herodes met zijn krijgslieden Hem veracht en bespot hebbende, deed Hem een blinkend kleed aan en zond Hem weder tot Pilatus".
Lukas zwijgt over den aard der verachting en bespotting, welke Jezus eerst werd aangedaan en laat allen nadruk vallen op het blinkend kleed, dat Hem om de schouderen werd gehangen. Een blinkend kleed! Een wit kleed!
Herodes had vernomen uit den mond der overpriesters, die mede waren gegaan, toen Pilatus Christus naar Herodes zond, dat de Heere Jezus Zich een Koning had genoemd.
Die zwijgende, duldende Jezus een Koning! Dat is al te bespottelijk, al te belachelijk voor Herodes! Herodes heeft geen oog meer voor waarachtige konings-heerlijkheid. Herodes meet Christus af naar zichzelven. En zoo laat hij den Heere Jezus een witten mantel om de schouders werpen.
Dat witte kleed moest de toga candida voorstellen, de witte mantel, welke in dien tijd in Rome werd gedragen door allen, die naar een of ander aanzienlijk ambt streefden.
De Heere Jezus, die gebonden Christus, dingend naar den konings-troon! En Herodes bewaart zijn spot niet voor binnen de muren van zijn paleis, maar als hij genoeg heeft van dit luguber vermaak, dan zendt hij den zwijgenden Jezus met dat fladderend witte kleed om de schouders, te midden van een hoonende menigte, door de straten van Jeruzalem naar Pilatus terug.
Zoo verachtte Herodes den Heere Jezus. Welk een hellevaart van smart moet dat alles voor den Heere Jezus zijn geweest! Hij was de volkomen reine, heilige, onnoozele, onbesmette. Die afgescheiden was van de zondaren.  Hij leefde niet anders dan in gerechtigheid en heiligheid. Zijn oor had het lied der Engelen gehoord, de aanbidding der verlosten, de hulde der Ouderlingen en der dieren in den hemel. Zijn oog had de gehoorzaamheid der heilige Engelen aanschouwd en een volk, dat voor Hem knielde.
En zie Hem dan nu staan in den goddeloozen kring van een Herodes, waar de pestwalm der zonde Hem in het heilig aangezicht slaat.
Wanneer het hart van Gods ware kinderen hier op aarde liever aan den dorpel van het Huis des Heeren wenscht te vertoeven dan lang te wonen in de tenten der goddeloosheid — wat moet het dan niet voor Christus zijn geweest om daar in dien kring allen spot en laster te hooren!
Toch zweeg Hij stil. Hij zweeg stil, ook met 't blinkend spotkleed om de schouderen, terwijl dat blanke kleed, al werd het door Herodes en zijn krijgslieden niet verstaan, profetisch heenwees naar het blinkend kleed der heerlijkheid, dat Hij eenmaal zal dragen in de ure des gerichts, als Hij zal wederkomen op de wolken des hemels.
Terwijl Hij hier in dit spotkleed voor Herodes staat, roemt nog de barmhartigheid tegen het oordeel, doch eens zal het oordeel worden voltrokken over allen, die met Herodes dien Christus verwerpen.
Herodes zag in dat witte kleed niet anders dan een spotmantel, maar voor 't oog des geloofs wordt dat witte kleed een symbool van Jezus' onschuld en heiligheid. Maar voor het oog des geloofs wordt dat witte kleed niet minder een symbool van het blinkend kleed van Christus' verdien­sten, waardoor al Gods volk eens zal dragen de witte kleederen, waarin de grijze Johannes op Patmos de verloste gemeente in den hemel gekleed zag.
Ja, voor een iegelijk, die gelooft, wordt juist Christus in dien blinkenden spotmantel zoo dierbaar, want uit het zwijgend dulden van dien bitteren spot wordt bevestigd aan hun ziel het woord van den Apostel Johannes: „alzoo Hij de Zijnen, die in de wereld waren, liefgehad had, zoo heeft Hij hen liefgehad tot het einde" en het blinkende spotkleed wordt hun het onderpand van het reine, wiyte kleed, waarmede zij straks zelf in den hemel bekleed zullen zijn, als zij eeuwig zullen toeven bij Hem, Die hen vrijkocht met Zijn bloed.
Z.                                                        B. N. B. B.

Geen Godshuis meer *)
Wanneer Mozes den tabernakel gemaakt heeft naar het voorbeeld, hem op den berg getoond — in alle bijzonderheden getrouw, gelijk de Heere hem geboden had — dan schenkt God Zijn zegen op het werk zijner handen en terwijl de wolk de tent der samenkomst bedekt, vervult de heerlijkheid des Heeren den tabernakel.
Héérlijk was die tabernakel om te aanschouwen, Gemeente; een oogenlust vanwege de kostelijkheid der grondstoffen, die bij den bouw waren gebruikt, maar wat bij uitstek hem dierbaar deed zijn in de oogen des volks, het was die vertegenwoordiging der heerlijkheid des onzienlijken Gods, zoodat in den tabernakel de plaats was bereid waar God zich wilde nederbuigen tot den mensch en de mensch met den psalmist mocht betuigen:
'k Hef mijn ziel, o God der goden!
Tot U op. Gij zijt mijn God.
Geen wonder, dat de naar heil dorstende ziel van den geloovigen Israëliet van den ouden dag in hooggestemde lofzangen losbrak:
Een dag is in Uw huis mij meer
Dan duizend daar ik U ontbeer.
Hoe klopte het hart van lederen waren vrome, wanneer tegen de hooge feesten ze zich opmaakten om maar Jeruzalem te reizen, de stad waarheen de tabernakel door Koning David was opgevoerd om daar te rusten in de plaats, door hem bereid. Met welk een vreugde gaven ze gehoor aan de noodiging der pelgrims, die van verre al zongen:
Zie wij staan gereed om naar Gods huis te gaan;
Kom ga met ons en doe als wij.
Al was de weg lang en vermoeiend, al moesten ze over bergen en door woestijnen, blijmoedig trokken ze voort totdat het doel bereikt en de wensch verkregen was en luidop bruiste de psalmtoon:
Jeruzalem, dat ik bemin,
Wij treden uwe poorten in;
Daar staan, o Godsstad! onze voeten.
En toch, hoe heerlijk de tabernakel ook wezen mocht voor het oude Israël, hoe veel schitterender nog de pracht van den Salomonischen tempel, die er voor in de plaats was gekomen.
Wat uit stof is, neemt een end
Door den tijd, die alles schendt.
Dat woord, het is in vervulling gegaan toen van den aardschen tempel in Jeruzalem geen steen op den anderen gelaten werd, naar de voorspelling van Jezus, die de Mond der Goddelijke Waarheid is, de hoogste Profeet, op Wien de Heilige Geest zonder mate rustte. —
Maar ook wij, Gemeente, doen goed in deze blijde ure elkander te herinneren aan wat de apostel Johannes gezegd heeft van het nieuwe Jeruzalem, zooals hij het zag, nederdalend van God uit den hemel, toebereid als een bruid, die voor haar bruidegom versierd is. Het allerbeste wat de aarde heeft moet dienen om eenigszins een denkbeeld te geven van de wijze, waarop het licht der heerlijkheid Gods in die stad zal weerschijnen, dat heilige Jeruzalem, waaronder we te verstaan hebben: de nieuwe levenssfeer, waarin God de van zonde verloste menschheid zal doen verkeeren. Geen enkele hindernis zal daar meer zijn voor het grootmaken van den naam des Heeren, maar eeuwiglijk zullen ze God aanbidden in storelooze zaligheid en den luister Zijner deugden verheffen.
En nu wordt van dien toestand van volmaaktheid door den apostel gezegd: en ik zag geen tempel in haar. Vergeefs heeft zijn oog gezocht naar wat hem het meest onmisbaar scheen: de plaats waar de Heere wordt gediend en waar Hij woont in het midden des volks.
Onuitroeibaar is in het hart van ieder mensch de drang naar God, die de eeuw in het hart heeft gelegd, en in den godsdienst regelt de mensch zijn verhouding tot God. Wie in de zaken van den godsdienst met ons overeenstemt, is het met ons eens in de diepste, de heiligste en alles beheerschende overtuigingen. Want — in den godsdienst staat, naar ieders overtuiging, des menschen ziel en zaligheid op het spel. De natuurlijke mensch is echter naar het woord van de H. Schrift als een blinde, die tast langs den wand of hij Dien ook vinden mocht in Wiens gemeenschap hij het hoogste goed, het duurzame geluk zal smaken.
De zonde, die den mensch heeft verdorven in zijn gansche wezen, is er de oorzaak van dat de apostel Paulus het neerschrijven moet: er is niemand, die God zoekt. De mensch zoekt een verloren paradijs. Onvermoeid jaagt hij naar het wondere geluk, maar hij zoekt niet waar het te vinden is, hij verwart oorzaak met gevolg, het doel met de middelen.
,,Er is niemand, die vraagt naar God, zijn Maker", klaagde Job, de groote lijder des Ouden Verbonds al, en Jezus Christus, — die van God in de wereld gezonden is om te zoeken en te behouden wat verloren was — Hij neemt de klacht over als Hij, weenend over Jeruzalem, het uitroept: „Hoe dikwijls heb ik uwe kinderkens willen bijeen vergaderen en gij hebt niet gewild".
Is dit niet de ellende van het menschelijk geslacht, dat ze gegeten hebben van den boom der kennis des goeds en des kwaads; hun onschuld verloren hebben; uit het paradijs van Gods gemeenschap verdreven zijn en nu ronddolen over de aarde, zoekende zonder te vinden, jagende zonder te bereiken, strevende zonder te verwerven datgene waarvan diep in het innerlijk wezen van ieder mensch door zijn consciëntie het besef wordt levendig gehouden: vrede met God, de Bron van alle zijn. 
Verdwaalde Godzoekers — allemaal! ,,Mijn volk heeft twee boosheden gedaan", zoo hooren we God spreken door den mond van Zijn profeet: „Mij, den springader des levens hebben ze verlaten en zichzelf bakken uitgehouwen, gebroken bakken, die geen water houden".
Maar: God is getrouw. Die niet laat varen de werken Zijner handen. Hij, Wiens Wezen is Liefde en Wiens Naam is Ontfermer, ,,Hij heeft alzoo lief de wereld gehad, dat Hij Zijn eengeboren Zoon heeft gegeven, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven beerve". Uit de wereld, die in het booze ligt, vergadert God zich, krachtens het vrijmachtig welbehagen, dat eeuwig Hem bewoog, een gemeente, die zalig wordt, zooals de apostel Paulus het zegt: uit genade, door het geloof, om der verdienste van Christus.
En die gemeente, uit alle geslacht en taal en natie en tong, van alle einden der aarde bijeenvergaderd en toegebracht tot de ééne, heilige, algemeene. Christelijke Kerk, — ze wordt tot het levende geloof, in het geloofsleven zich openbarend, gebracht door het gehoor van het Woord van God.
Alom dus, waar het Woord van God bediend wordt naar de meening des Geestes door Zijn gaarne getrouwe dienaren, is de kweekbodem voorhanden, vanwaar de hemelsche Landman zich Zijn schoven zal inzamelen ten dage des oogstes, wanneer het onkruid zal worden verzameld en in het vuur geworpen, maar het goede koren zal worden ingedragen met gejuich in de schuren des hemels. En telkens, wanneer ergens op aarde een gebouw gesticht wordt waar het Woord recht gesneden wordt en de Sacramenten bediend naar de instelling van Christus, is er reden zich te verblijden in den Heere, Die heeft gedacht aan Zijn genade.
Wat in de dagen van de oude bedeeling onder Israël was gelocaliseerd, de dienst van den alleen waren God, gecentraliseerd in den tabernakel, die door menschenhanden was gemaakt, het is onder de nieuwe bedeeling, die door Jezus Christus is geworden, universeel gemaakt. „Alle den Volcke" moet naar het Goddelijk Zendingsbevel de blijde boodschap worden verkondigd dat God in Christus de wereld met Zichzelven verzoenende is. —
Zoo hebt ook gij, Gemeente van Veenendaal, alleszins stof om het optochtslied aan te heffen, dat in de dagen der oude bedeeling gezongen werd door de pelgrims op reis naar het aardsch Jeruzalem: „Als de Heere de gevangenen Zions wederbracht, waren wij gelijk degenen, die droomen. Toen werd onze mond vervuld met lachen en onze tong met gejuich; toen zeide men onder de Heidenen: de Heere heeft groote dingen aan dezen gedaan. De Heere heeft groote dingen bij ons gedaan; ,,dies zijn wjj verblijd". 
Wat door velen voor onmogelijk werd gehouden, door anderen in kleingeloof betwijfeld, het is door eendrachtige samenwerking onder Gods zegen mogen gelukken. 't Doelmatig gebouw, waarin we thans voor 't eerst zijn saamgekomen onder het geklank van het Woord, het getuigt op gelukkige wijze van het artistieke kunnen van den architect, van de trouw van den opzichter, van den ijver der aannemers met de werklieden — maar zeker ook van de schoone offervaardigheid der gemeente, die niet het minst zich openbaarde bij hen, die naar de wereld tot de eenvoudigen worden gerekend. En bovenal is dit bouwwerk, dat door zijn opwaarts strevenden toren zich hoog verheft boven zijn omgeving, een voortdurend getuigenis van de goede gunste Gods, die onze gestadig in zielental toenemende gemeente weer ruimte heeft gemaakt. —
Toch mag al deze stof tot blijdschap ons niet doen vergeten, dat ook van dit kerkgebouw eens geen steen op den anderen zal overblijven. De uiterlijke heerlijkheid ook van dezen tabernakel is bestemd te ver­dwijnen. Dat we dan om het uiterlijke het innerlijke niet voorbijzien. Gemeente! Niet de getrouwe plichtsbetrachting op zichzelf maakt zalig en nooit mag het middel geschat worden boven het doel. Was het niet de zonde van het Oude Bondsvolk dat ze in eigengerechtigheid uitriepen: „Des Heeren tempel, des Heeren tempel, des Heeren tempel zijn deze", terwijl ze nalieten te doen hetgeen God van den mensch eischt: „Zijn wegen en handelingen goed maken"?
En was niet de oorzaak van de Christusverwerping in de dagen der nieuwe bedeeling, toen de belofte in vervulling ging: „Snellijk zal tot zijnen tempel komen die Heere, dien gij zoekt", dat men meer streed over de plaats waar, dan dat men eensgezind was omtrent de vraag: hoe God gediend wil worden?
Is het niet een woord, zwaar van beteekenisvolle gedachten. Gemeente, die ook in onze dagen, waarin de pluriformiteit der zichtbare Kerk hoe langer hoe meer Kerkformaties doen ontstaan, telkens weer moeten worden uitgesproken, het woord door Jezus gezegd tegen de Samaritaansche vrouw: „De ure komt, wanneer gijlieden noch op dezen berg, noch te Jeruzalem den Vader zult aanbidden, maar wanneer de ware aanbidders den Vader zullen aanbidden in geest en waarheid". 
De Heilige Geest is de eigenlijke bidder in de ware aanbidders. Hij is het, die de geloovigen drijft, zoodat hun lippen niet alleen woorden spreken die als een gebed klinken, maar heel hun leven een offer wordt in de aanbidding des Vaders.
Wanneer de Heilige Geest door hartveranderende genadekracht bidders verwekt, hen levend bidden en biddend leven leert, dan weet men: alle godsdienst is onwaarachtig, wanneer men niet in Jezus' spoor tot God nadert, wanneer niet de ziel een tempel Gods is geworden.
En dit is de heerlijke bestemming van iederen tabernakel, van ieder kerkgebouw op aarde: een plaats te zijn waar door de. bediening des Woords en der gebeden en der Sacramenten, onder de medewerking des Heiligen Geestes, waarachtig geloof wordt gewekt bij den aanvang en versterkt bij den voortgang.
Maar eens — dan zal het geloof overgaan in aanschouwen; dan zal niet een deel van het leven vervuld zijn van de tegenwoordigheid des Heeren — wat in deze bedeeling altijd weer de verzuchting blijft van alle oprecht geloovigen: dat door de inwonende en aanklevende zonde het volle genot van het leven met God niet wordt gesmaakt, — neen, eens, dan zal het vrome volk hun wensch-verkrijgen, wanneer ze van vreugde zullen opspringen voor Gods aangezicht en van blijdschap vroolijk zijn. Dan, in die nieuwe levenssfeer, zal het gansche leven vervuld zijn met de tegenwoordigheid des Heeren en zóó alleen kon ook Johannes dat wonderlijke verstaan dat hij in het nieuw Jeruzalem aanschouwde: en ik zag geen tempel in haar. Want, zoo laat hij er ter verklaring op volgen, de Heere, de Almachtige God, is heur tempel, en het Lam.
Wat een gemis scheen, dat blijkt een rijker bezit. Hier op aarde wijst het bestaan van een tempel, hoe heerlijk bezit ook, de heilbegeerigen op een grooter gemis, zoodat ze zich zoo in kunnen denken in de zielsgesteldheid van den psalmist, toen hij zong: „Eén ding heb ik van den Heere begeerd, dat zal ik zoeken; dat ik al de dagen mijns levens mocht wonen in het huis des Heeren" ; maar naarmate ze opwassen in de genade en toenemen in de kennisse Gods en van Jezus Christus, Dien Hij gezonden heeft, waarin het eeuwige Leven bestaat, zullen ze niet in uitwendigen vormendienst en Farizeesch Kerkisme wandelen, maar de gemeenschap der heiligen zoeken, voortdurend bekommerd omtrent heel het leven, onrustig over alle daden, omdat de liefde Gods ons dringt om vóór alles, wat het ook koste, de heerlijkheid Gods te zoeken.
De Heere verheffe Zijn aangezicht ook over dit gebouw, dat naar Zijn Naam genoemd en aan Zijn dienst geheiligd is, en Hij zegene en behoede allen die in oprechtheid hier zullen verkeeren, dorstende naar het Water des Levens; de Heere doe Zijn aangezicht over u lichten in de verkondiging des Evangelies en Hij verheerlijke Zijne genade door ook hier te schenken een voorsmaak van dien vrede, die alle verstand te boven gaat, en die door Jezus Christus in den nacht, in welken Hij verraden werd, beloofd is geworden aan al de Zijnen, toen Hij sprak: „Vrede laat Ik u. Mijnen vrede geef Ik u; niet gelijkerwijs de wereld hem geeft, geef Ik hem u".
V.                                            Amen                           W.                                                                               
*) Uitgesproken door ds. Van Wijngaarden bij de ingebruikneming der Julianakerk te Veenendaal op Donderdag 1 Maart 1928.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 maart 1928

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 maart 1928

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's