MEDITATIE
Gods Zoon aan het Kruis.
En toen zij kwamen op de plaats, genaamd Hoofdschedelplaats, kruisigden zij Hem aldaar. Lukas 23 vers 33a.
Het kruis van Christus staat in het midden der wereldhistorie. Indien het kruis niet geplant ware op den heuvel Golgotha, zou er zelfs van wereldhistorie geen sprake geweest zijn, wijl zij daarmee allen zin en beteekenis zou hebben verloren. Immers slechts door het kruis bestaan wij allen, vromen en goddeloozen, wedergeborenen en onwedergeborenen. Aan het kruis danken wij het, dat onze adem op- en nedergaat; aan het kruis ook, dat ons aardsche leven nog dragelijk en mogelijk is.
Zoo kunnen we nooit met genoeg ernst in onzen geest den heuvel Golgotha beklimmen. Zoo kunnen we nooit met genoeg liefde den blik opslaan naar het Lam, dat geslacht werd. Hij is onze Koning, onze Bloedbruidegom, onze Levensbehouder, onze Zieleredder. Wanneer de wereld ook slechts voor een uur beseffen kon, wat zij aan Christus te danken heeft, ze zoude voor minstens een eeuw haar dwazen koers veranderen. Nooit echter zullen we het kruis verstaan, of we zullen eerst onszelf moeten leeren kennen, onzen diepen val, onze schuld, onze aangeboren en werkelijke zonde. Dat zal Gods Geest als een vrij geschenk des Hemelschen Vaders ons moeten geven; en anders blijven we ronddolen met arren hoogmoed en in blindheid, om straks de oogen op te slaan in het oord der wanhoop, waar geen doorboorde hand meer naar ons zal grijpen; waar geen Godswoord meer roept; waar geen Heilige Geest 't hart verbreekt; waar het onherroepelijk en voor eeuwig te laat zal zijn. Hoe zal daar kwellen 't ontzettende: „Eigen schuld! eigen schuld!" Dat zal een worm zijn, die niet sterft, een vuur in de consciëntie, dat nooit wordt uitgebluscht.
„En toen zij kwamen op de plaats, genaamd Hoofdschedelplaats, kruisigden zij Hem aldaar" lazen we in het woord onzer overdenking. Het was een gemengd gezelschap, dat daar kwam op die Hoofdschedelplaats, waar ook wij in deze dagen met onze gedachten zoo vaak vertoeven. Heidenen en Joden, bidders en vloekers, spotters en bevende zielen, kinderen en grijsaards, eigengerechtige Farizeen en weenenden over zonde en schuld, leden van het Sanhedrin, kenbaar aan hun deftig gewaad, en marktboeven, belust op sensatie, krijtende vrouwen, mogelijk ook blaffende honden, en hoog in de lucht gier en kraai en raven, gereed om, desnoods, in het nog levend vleesch der slachtoffers te pikken, krljschend naar buit. O, de Heiland, hoe is Hij vernederd om onzentwil, mishandeld, gesmaad, gehoond, opdat er voor ons nog genade en eere te verkrijgen zoude zijn om niet, zonder prijs en zonder geld. — O ziel, hebt gij u reeds aan dien Christus toevertrouwd? Bemint gij Hem boven alles, wat beminnenswaardig scheen? Hebt gij de vleugelen des gebeds reeds uitgebreid, om bij Hem te schuilen, gelijk de kirrende duif in de kloven der steenrotsen? Hij is het toch zoo waard. Ook kunt gij zonder Hem niet gelukkig zijn, noch voor den tijd, noch voor de eeuwigheid.
Wanneer wij een groot gezelschap van menschen aanschouwen, dan kunnen we er helaas! meestentijds zeker van zijn, dat 't grootste deel bestaat uit min of meer openbare vijanden van Christus. Somtijds echter steekt de vijandschap ongelooflijk driest den kop omhoog. Satan houdt zich gewoonlijk schuil, loerend, uit verborgen moordspelonken; wanneer hij echter meent te kunnen durven, dan waagt hij zich in geheel zijn afschuwelijke gedaante, zonder zich in eenige omhulling te vermommen. Zoo was het hier; de hel verwachtte over den hemel te zullen triomfeeren. Inderdaad vermocht zij, onder de toelating Gods, veel te bestaan. Haar werd toegelaten, het oude Paradijswoord in vervulling te brengen: „Gij, slangenzaad, zult van het Vrouwenzaad de verzenen (d.z. de hielen) vermorzelen!" De hel had schijnbaar deze pofetie Gods niet wel verstaan of reeds weer vergeten, missend het besef, dat zij het niet verder dan tot een vermorzelen der hielen brengen zou, terwijl zij geheel opzij zette die andere helft der Moederbelofte, dat het Vrouwenzaad van het slangenzaad den kop vermorzelen zoude.
We moeten, aan de hand van onzen tekst, onwillekeurig denken aan de klaagzangen van Psalm 22: „Want honden hebben mij omsingeld, eene vergadering der boosdoeners heeft Mij omgeven; zij hebben Mijne handen em Mijne voeten doorgraven. Al Mijne beenderen, zou Ik kunnen tellen; zij schouwen het aan, zij zien op Mij. Zij deelen Mijne kleederen onder zich en werpen het lot over Mijn gewaad". En wanneer dan door de genade des Heiligen Geestes de liefde in onze harten uitgestort werd, dan kunnen we niet nalaten mee te klagen en mee te steenen over zooveel lijden van den Onschuldigen Borg en Middelaar, die al dat leed wilde torsen; voor wie? voor heilige engelen? neen! voor mij, zondaar, des doods schuldig en der helIe waardig! Desondanks bevond zich onder die razende, tierende, gillende, kermende menigte nog een hoopke van het volk van God. Een klein hoopske. Maar de Koning der Kerk heeft nooit zonder onderdanen willen wezen. En wenschte dat vooral niet te zijn, toen een der hoogtepunten door de Kerkhistorie werd bereikt. Daar waren de Johannessen en de Maria's en de Petrussen en eenige weinige anderen, die, zij het niet met dezelfde woorden, in hun ziel steenden: „Mijne Liefde wordt gekruist!" En Gode lof! ze waren te zwak en ook te bang voor den vijand, om eenige poging te doen, dezen gruwelijksten aller moorden te beletten. Hadden zij het kunmen doen, er zou voor hen geen weg naar den hemel gebaand zijn; immers in het lijden en sterven van Christus ligt ons heil; en dit is een der triomfzangen van Gods Kerk op aarde: „Het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon, reinigt ons van alle zonden!"
Lezers, ook wij staan in onzen geest in deze dagen aan den voet van Golgotha's kruis. Hoe is het? Als vrienden of als vijanden? Ach, dat 't toch als vrienden ware! Dan zullen we weenen over Christus' lijden en sterven, weenen ook over onze zonden; maar zullen zich onder de tranen van droefheid en smart desondanks, ja juist daardoor, tranen mengen van ongekende vreugde en dankbaarheid. Mogen we dat zoeken, bij den aanvang of bij den voortgang! Mocht ons dat gegeven worden! te meer, waar we ons nu nog in het kostelijke, maar korte, heden der genade bevinden. En dan weten we niet, of zich onder de menigte der woeste, tierende vijanden nog niet een uitverkorene Gods bevindt, wiens onweerstaanbare bekeering door God en tot God niet verre meer is. Zoo, toen Stefanus gesteenigd werd, legden de getuigen hun kleederen af aan de voeten van den jongeling Saul. Eenige dagen daarna predikte deze zelfde jongeling den naam van Christus aam de eigenste vijanden des Heeren. Ook Manasse, een der gruwelijkste vijanden van Jehova, in oude tijden, heeft de Almachtige op een ongedacht oord en op onverwachten tijd een plaats gegeven in de liniën Zijner eigene krijgers. Zoo doet de Heere wonderen. Hij alleen!
O onbekeerde reizigers naar de eeuwigheid, die dit leest, mocht ook gij uw knieën lieeren buigen, smeekend: „Heere, bekeer ons tot U! zoo zullen wij bekeerd zijn!" Onder de razende menigte op Golgotha bevond zich ook een moordenaar, die met Jezus zou gekruisigd worden. Naar den mensch gesproken, was hij aan den rand der hel. En toch bevond hij zich, zonder 't te weten, voor de poort des hemels. Over eenige oogenblikken zal hij hooren, na krachtdadig, terwijl hij aan zijn eigen kruis hing, bekeerd te zijn: „Voorwaar zeg Ik u: Heden zult gij met Mij in het Paradijs zijn". Hieruit kunnen we leeren, om ook onder de hardste zondaren slechts met ijver en trouw het Woord te verkondigen. We weten nooit, hoe de wegen Gods zijn met de menschenkinderen. De belhamels in het kwaad worden soms het eerst getroffen. En menigeen, die thans oprecht God vreest, wellicht het evangelie predikt, kan zich over zijn eertijds niet diep genoeg schamen, zuchtend met Paulus: „Ik ben de voornaamste der zondaren, de geringste der apostelen; want ik heb den Zoon van God vervolgd".
Zoo hebben dan de scherpe punten van de doornenkroon Jezus' heilig voorhoofd doorwond. Zoo martelden de nagelen Christus' zegenende handen. En dat voor ons, armen en ellendigen! Wie kan Zijn liefde doorgronden! Wee ons, zoo wij op zulk een zaligheid geen acht geven! Dat kan niet anders dan zwaar worden gestraft. Lezers, hoedt u voor uw zielen! Zoekt den Heere, terwijl Hij te vinden is! Roept Hem aan, terwijl Hij nog nabij ons is!" Maar wèl ons, zoo wij voor dezen Jezus in het stof van ootmoed nederknielen! Dan worden we gelukkig voor tijd en eeuwigheid, door een eenigen troost, beide in het leven en het sterven!
Po e d e r o o ij e n. A. PRINS
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 maart 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 maart 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's