De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

STAAT EN  MAATSCHAPPIJ

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

14 minuten leestijd

Onjuiste voorlichting.
(Slot).
De gewichtigste kwestie, welke dr. Van Gheel Gildemeester in zijn „Gemeentebelangen" in de „'s-Gravenhaagsche Kerkbode" behandelt, vinden wij in dat gedeelte, waarin hij het heeft over de tractementen zelve, die uit 's Rijks kas aan de predikanten van de Ned. Hervormde Kerk worden uitgekeerd. De doctor laat dienaangaande twee klachten hooren.
De eerste klacht is, dat de Ned. Hervormde Kerk op vele plaatsen „bespottelijk kleine landstractementjes" krijgt. In dit verband herinnert hij er aan — en wij citeeren nogmaals een stukje uit het artikel van den Haagschen predikant (zie ook ons nummer van 9 Maart):
dat de Staat indertijd veile eigendommen der Ned. Hervormde Kerk eenvoudig heeft „genaast". Dat heeft eerst Napoleon gedaan, roofzuchtiger gedachtenisse. En in 1813 en in 1816 was onze pas weer ontdekte schatkist op geen voeten of vamen na in staat om dien roof terug te geven, en beloofde toen de renten van die gelden te bestemmen voor de Kerk. U moet er dr. De Visser maar eens op nalezen. Daar kan blijken, dat de Staat nu wel een zeer lage rente van de kerkgoederen vergoedt; dat naar tegenwoordigen maatstaf en twintigeeuwsche koopkracht de landstractementen driemaal zoo hoog mochten zijn.
De tweede klacht betreft: het niet uitbetalen van tractementen ten behoeve van nieuwe predikantsplaatsen, vooral in de groote gemeenten van ons land. Daarover schrijft dr. Van Gheel Gildemeester in zijn Kroniek:
Onze groote steden breiden zich uit. Heele „roode" buurten zijn er aan den buitenkant van onze groote steden. Zou het niet zeer wenschelijk zijn, daar een aantal ijverige predikanten te hebben, talrijk genoeg om de wijken althans bewerkbaar te maken? En schoten we niet een goed eind in de richting, wanneer een landstractement van ƒ 2080.— (zooals een twaalftal predikanten in 's-Gravenhage genieten) ook voor de nieuwe plaatsen beschikbaar was?
Over beide klachten willen we iets zeggen. Het zal daaruit den lezer duidelijk worden, hoe ook ten aanzien van deze zaken dr. Van Gheel Gildemeester onjuiste voorlichting geeft. Een enkele opmerking moge aan onze beschouwingen voorafgaan.
Op de Staatsbegrooting wordt voor de Protestantsche Kerkgenootschappen ten dienste van de tractementen der predikanten uitgetrokken een som van ƒ 1.249.544.30 (zie de laatst verschenen rekening der rijksuitgaven, die van het jaar 1925), waaronder voor de tractementen van Hervormde predikanteni een bedrag voorkomt van ƒ 1.170.426.30. 
Maar op die zelfde Staatsbegrooting vinden we ook de kosten geplaatst voor het Roomsch Katholiek Kerkgenootschap tot een totaal bedrag aan tractementen voor plaatselijk dienstdoende kerkleeraren van ƒ 534.019.771/2
Nu is het voor een ieder, die van de kerkelijke dingen iets afweet, van algemeene bekendheid, dat bij het toekennen van nieuwe tractementen aan de Ned. Hervormde en de Roomsch Katholieke Kerk, deze gelijk opgaan. Men moge dit afkeuren en er bezwaar tegen maken, maar regel is het, dat wanneer eerstgenoemde Kerk ten behoeve van nieuwe predikantsplaatsen rijkstractementen ontvangt, ook laatstgenoemde Kerk voor haar priesters gelijke uitkeeringen ziet toegestaan. Tegen dit beginsel heeft zich nog nooit eenige politieke partij met ernst verzet. Nog op de laatste begrooting van Financiën werden voor nieuwe predlkantsplaatsen bij de Ned. Hervormde Kerk twee rijkstractementen uitgetrokken en gaf Minister De Geer zelfs aan drie priesterplaatsen in de Roomsch Katholieke Kerk de rijksuitkeering.
Wanneer nu dr. Van Gheel Gildemeester zijn lezers objectief had willen voorlichten, dan had hij niet mogen verzuimen, bij het wijzen op het wenschelijke, dat gelegen is in het hebben van een aantal ijverige predikanten, talrijk genoeg om de wijken aan den buitenkant der groote gemeenten te bewerken en voor wie landstractementen noodig zijn, er ook gewag van te maken, dat hij bij zijn aandringen op een hoogere rijksuitkeering aan de Ned. Hervormde Gemeente van 's-Gravenhage, daarmede ook tegelijkertijd propaganda maakte voor steun van den Staat aan de nieuwe Roomsche Kerken, die in de buitenbuurten van de Residentie verrijzen. Of in dat geval het betoog van den doctor ten gunste van de Ned. Hervormde Kerk zoo klemmend zou zijn geweest, durven wij te betwijfelen.
De zaak, waarom het hier gaat, is nog niet zoo eenvoudig als men wel denkt.
Het standpunt, dat de Antirevolutionaire Partij inneemt ten aanzien van het vraagstuk van de uitkeering der landstractementen aan de Kerken, is bekend. Dat standpunt is nimmer geweest om het Rijksgeld, dat de Kerken rechtmatig toekomt, te schrappen. Elke ontkenning van dit feit is absoluut onwaar. Wat de Antirevolutionaire Partij op dit punt voorstaat, is de losmaking van den financieelen band tusschen den Staat en de Kerk, doch niet eerder dan na uitkeering aan de Kerken van het gekapitaliseerde bedrag der tegenwoordige tractementen, benevens van de verdere Rijksbijdragen, welke de Kerken ontvangen.
Dit laatste is de uitdrukkelijke voorwaarde, waaraan moet worden voldaan voor en aleer tot losmaking van de zilveren koorde wordt overgegaan.
Eertijds bezaten de Kerken eigen goederen, waaruit zij leefden, maar deze goederen heeft de Staat tot zich getrokken, doch natuurlijk onder de verplichting om er de rente van aan de Kerken te betalen. Wat thans wordt uitgekeerd, is naar veler gevoelen iets meer dan die rente, doch hier staat tegenover, dat de landprijs in den loop der jaren steeg en de Kerken, waren zij nog in het bezit van haar goed, er thans veel hooger rente uit zouden trekken dan vroeger het geval was.
Met de herinnering aan deze feiten komen wij aan de opmerkingen, die dr. Van Gheel Gildemeester in zijn pleidooi voor de uitkeeringen van grootere tractementen aan de predikanten van de Ned. Hervormde Kerk maakt. Immers hij spreekt over de „bespottelijk kleine landstractementjes", welke „de groote Kerk", de Ned. Hervormde Kerk, op vele plaatsen krijgt; en ook gewaagt de Haagsche predikant er van, dat de Staat eene zeer lage rente van de kerkgoederen vergoedt.
Nu is de eerste vraag, welke zich voordoet, deze: bij wie ligt de schuld van dit alles?
Dr. Van Gheel Gildemeester is onmiddellijk met zijn antwoord gereed. Naar diens meening is de Rijksoverheid hier de eenige schuldige. Zij geeft de Ned. Hervormde Kerk niet, wat haar rechtens toekomt.
Maar met de Overheid als schuldige aan te wijzen, gaat de doctor ten eenenmale mis. De oorzaak, dat de Ned. Hervormde Kerk met de „bespottelijk kleine landstractementjes" zich moet tevreden stellen en te weinig uit 's Rijks kas ontvangt aan renten, ligt niet bij de Landsoverheid, maar is de schuld van de Kerk zelve, van dr. Van Gheel Gildemeester en van zijne vrienden, die nimmer iets hebben willen weten van wat de Antirevolutionairen in het belang der Kerken voorstonden, n.l. dat de Kerken in het onvervreemdbare bezit zouden komen van de gekapitaliseerde som, waarvan zij op dit oogenblik de rente genieten.
Het is opmerkelijk, wat in dit verband op blz. 389 van Ons Program te lezen staat:
Een Kerk is in den regel verplicht, hare bezittingen in vast goed te beleggen, teneinde met de rijzing of daling van den geldstandaard ook den gang van haar inkomsten gelijken tred te laten houden. Nu daarentegen ontvangt ze van den Staat hoogstens 4%, terwijl het kapitaal blijft wat het is, d.w.z. dat de Kerk, wannéér over vijftig jaar nogmaals de helft naar beneden zal zijn gegaan, weer de helft armer zal zijn geworden. Terwijl ze, omgekeerd, indien ze deze gelden in handen kreeg en dus beleggen kon in vastgoed, ze een halve eeuw later, bij klimming der geldswaarde met 50%, dan ook zelve vijftig ten honderd rijker zou zijn.
Wat nu hier zoo merkwaardig is, dat is, dat dr. Kuyper, de schrijver van „O n s  P r o g r a m", deze woorden neerschreef, juist 50 jaar geleden, in het jaar 1878. Was toen de Ned. Hervormde Kerk op haar hoede geweest en op den voorslag van den leider der Antirevolutionaire Partij ingegaan, dan was de Kerk, nu de laatste halve eeuw de geldstandaard in belangrijke mate daalde en de waarde van het vastgoed ten plattenlande niet weinig steeg, heel wat rijker geweest dan op het oogenblik het geval is.  Maar de Ned. Hervormde Kerk heeft dit niet gewild en dr. Van Gheel Gildemeester en zijne vrienden hebben er geen voet voor verzet.
Laten de kerkvoogden van de Haagsche gemeente daarover met den doctor maar eens ernstig gaan praten.
De Ned. Hervormde Kerk heeft, tengevolge van gebrek aan doorzicht, zichzelf groote financieele schade toegebracht, waar van de gemeenten, ook de gemeente 's-Gravenhage, thans de dupe zijn geworden. Had men maar geluisterd naar den raad der Antirevolutionairen, dan zouden de zaken, ook wat betreft de nieuwe predikantsplaatsen, er vrij wat beter voorstaan. Want beschikte de Kerk over de grootere kapitalen, dan zou er geld beschikbaar zijn om in de behoefte der nieuwe plaatsen te voorzien.
Zoo aanstonds kan de tijd komen, dat zelfs tot schrapping van de rente, die de Kerk nu nog ontvangt, wordt overgegaan. Van sociaal democraten en communisten is voor de Kerk niet veel heil te verwachten, evenmin van de honderdduizenden onder ons volk, die de Kerk den rug hebben toegekeerd.
Nu ongeveer tien jaar geleden, toen ons land door de gunste Gods aan de revolutie was ontkomen, werd in onderscheidene kringen in de Ned. Hervormde Kerk de noodzakelijkheid overwogen en ook gevoeld van de losmaking van de zilveren koorde; ook de vrienden van dr. Van Gheel Gildemeester namen destijds aan het overleg deel. Maar sindsdien zijn ze allen weer rustig ingeslapen.
En zoo zal de Kerk de schuld dragen, dat, wanneer zij zich tegen losmaking van den financieelen band tusschen den Staat en de Kerken blijft verzetten, zij op den duur alles kwijt raakt of wanneer de toestanden zich niet mochten wijzigen en de rente blijft uitgekeerd, ze over een halve eeuw weer de helft armer is dan in het jaar 1928.
Laat ook dr. Van Gheel Gildemeester, die ten onrechte de oorzaak van de „bespottelijk kleine landstractementjes" bij de Rijksoverheid zoekt, dit gezegd zijn, en overwege hij eens, of de Antirevolutionaire Partij niet de politieke organisatie is, die met uitsluiting van alle andere staatkundige partijen, het best voor de belangen van de Ned. Hervormde Kerk waakt. Het resultaat van zijn overdenkingen zal ongetwijfeld een geheel andere zijn, als de meening, welke hij de vorige maand in de „'s-Gravenhaagsche Kerkbode" zijn lezers kenbaar maakte. Hij zal moeten zeggen: „ik heb gedwaald". Zal de Ned. Hervormde Kerk verstandiger gaan worden, en zullen de predikanten en de gemeenten zich rekenschap leeren geven van den toestand, die hen verplichten om ook voor de stoffelijke belangen der Kerk, die zoo nauw samenhangen met haar geestelijken opbloei, op de bres te gaan staan, dan heeft het schrijven van dr. Van Gheel Gildemeester in de „'s-Gravenhaagsche Kerkbode" nog wat goeds uitgewerkt. De Ned. Hervormde Kerk moet haar eigen heer en meester worden, doch dat kan zij niet zijn, zoolang nog een deel van de inkomsten uit de Staatskas verkregen wordt.
De Kerk moet onafhankelijk zijn van den Staat. Laat er daarom een krachtige actie komen tot losmaking van de zilveren koorde. Onze Kerk zal daanbij wèl varen.

De Antirevolutionaire politiek is Christelijke politiek. (4)
Over alle Overheden, over alle landen laat de Antirevolutionaire Staatspartij haar oog gaan, omdat in beginsel overal 't zelfde geldt.
Met dr. Kuyper zegt zij: „Zoodra er van recht sprake is, moet ge partij kiezen vóór of tegen den levenden God. Want dit spreekt van zelf: leeft die God en zijn wij, en is ons volk, en zijn alle natiën der aarde Hem onderworpen, dan komt de vaststelling van wat recht of onrecht is, ook aan Hem alleen toe."
Of ook: „Is God werkelijk God, dan gaat van Hem ook alle rechtsbepaling uit en blijft ons niet anders, dan met heiligen eerbied naar den weg te vragen, die ons tot de meest zuivere kennis leiden kan van wat God Almachtig, krachtens den aard van Zijn hoogheerlijk Wezen, tot recht voor héél Zijn schepping, tot eeuwig recht voor alle creatuur gestempeld heeft." (Zie blz. 48 van Toelichting enz.)
De Antirevolutionaire Staatspartij spreekt dus niet van één land, van één Overheid — maar van alle Machten en alle Overheden en alle landen en alle werelddeelen, omdat God werkelijk God is en alle natiën en alle vorsten Hem onderworpen zijn. En als dan alle Overheden en Machten naar Zijn recht, naar Zijn wil en Zijn wet moeten vragen en leven en handelen en wandelen, dan kan hier „de natuurlijke Godskennis ons niet helpen."
Hoe nu ds. Lingbeek met name, ook weer in zijn „groote" rede van 20 April '27 (blz. 1) kan zeggen: ,,dat de tegenwoordige Antirevolutionaire politiek ervan uitgaat, dat de Overheid, rechtstreeks of als zoodanig, alleen heeft te maken met het licht der natuur of de rede en niet met het licht, dat opgaat uit Gods Woord" is ons een raadsel.
Alleen een fanatiekeling kan zoo spreken en schrijven!
Want in 1878 — waarlijk niet van vandaag of gisteren en lang vóór dat ds. Lingbeek aan politiek deed! — schreef dr. Kuyper in één adem met 't geen we boven hebben aangehaald: „ hier kan de natuurlijke Godskennis ons niet helpen" — Maar „zie, nu is het juist onze belijdenis als christenen, dat God Almachtig op bizondere wijs en in velerlei tijden aan ons geopenbaard heeft en dat er alzoo een „Woord Gods" aanwezig en onder ons bereik is. En nu zijn er, die dat Woord Gods wèl aanvaarden in zijn hoogheilige beteekenis, maar die desniettemin landsbestuur en wetgeving en rechtspleging buiten de in dat Woord Gods geopenbaarde ordinantiën wil laten omgaan, (blz. 49 onderaan). Maar dat is erger dan inconsequentie. Wij, Antirevolutionairen, wenschen aan zoo halfslachtig bedrijf niet medeplichtig te worden en stellen er deswege een eere in, tegenover de heerschende begrippen, onze overtuiging steeds scherper in de richting van deze stellingen te ontwikkelen:
1. Alle recht, dat op aarde gelden zal, moet getoetst aan het recht;
2. Het recht bepaalt God alléén, naar den aard van Zijn heilig Wezen;
3. Voor zooveel het menschelijk leven betreft, is de zuivere kennis en vastheid dezer ordinantiën door de zonde te loor gegaan;
4. De natuurlijke Godskennis en het natuurlijk rechtsbesef, hoe hoog ook te waardeeren, zijn dientengevolge onvoldoende om ons de eeuwige beginselen te doen kennen;
5. Door de bizondere bovennatuurlijke openbaring van Gods Woord is op belangrijke wijze licht over de beginselen verspreid, óók wat het burgerlijk leven aangaat en deswege is het onze roeping om óók op staatkundig terrein de eeuwige beginselen van dat Godswoord te belijden", (blz. 50).
Dit schreef dr. Kuyper 8 Mei 1878 — en we zouden zeggen, dit is zóó duidelijk en zóó sprekend, dat blinden het kunnen zien en dooven het kunnen verstaan. Toch zijn er helaas! menschen — met name ds. Lingbeek en de zijnen, en de Staatkundig Gereformeerden van de partij van ds. Kersten en ds. Zandt zijn er somtijds ook niet afkeerig van — die blijven zeggen: dat de A. R. Staatspartij een neutrale staatkunde wil, scheiding van staatkunde en godsdienst, en dat de Overheid niet met Gods Woord van doen heeft, maar aan de natuurlijke Godskennis genoeg heeft en dan doen kan wat zij wil!
Thorbecke, de grootmeester der liberale politiek, zei: verknoei de staatkunde niet met bijbelteksten. Die was van meening, dat politiek en godsdienst niets met elkaar te maken hadden. In de liberale politiek is de mensch grootmeester en is des menschen verstand met autoriteit bekleed. Daar is scheiding van Staat en Godsdienst.
Maar als men daar — soms héél vroom doende — zeide: Gods verborgen omgang voor de zielen is voor de binnenkamer en de godsdienst moet niet ontwijd worden op het publiek terrein — dan is het altijd de Antirevolutionaire Staatspartij geweest, die zei: „landsbestuur en wetgeving en rechtspleging mogen niet buiten de in Gods Woord geopenbaarde ordinantiën omgaan. Dat is erger dan inconsequentie. Wij, Antirevolutionairen wenschen aan zoo halfslachtig bedrijf niet medeplichtig te worden". (Toelichting „Ons Program" blz. 49, 50). De Antirevolutionaire Staatspartij wil geen „neutrale Staat", niet „scheiding van Staat en godsdienst". Ook wil zij niet „dat de Overheid slechts rekening zal houden met de natuurlijke Godskennis". Voor de Antirevolutionaire Staatspartij staat principieel vast en wordt practisch vastgehouden, dat de Overheid als Gods dienaresse, waar ook, aan Gods Woord, Gods Wet, Gods wil als hoogste autoriteit gebonden is en het volk, om Gods wil, de Overheden en de Machten heeft te eeren en te gehoorzamen.
(Wordt voortgezet).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 maart 1928

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

STAAT EN  MAATSCHAPPIJ

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 maart 1928

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's