De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

GEESTELIJKE OPBOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

GEESTELIJKE OPBOUW

6 minuten leestijd

DE GEREFORMEERDE KERKORDE of HOE 't IN DE KERK DES HEEREN MOET TOEGAAN. (11)
Over het „kerkelijk gezang" mocht waarlijk wel eens ernstig gehandeld worden onder ons. Wie geeft eens een naarstig onderzoek naar den oorsprong en den inhoud van de tegenwoordige Psalmberijming? Men zou wellicht tot wondere ontdekkingen komen! Interessant zou 't wezen, om te weten of 't waar is, dat we de afschuwelijke woorden „HEER, ai! maak mij uwe wegen" (Ps. 25 vers 2) alleen hieraan te danken hebben, dat verboden was HEERE te zeggen. En omdat men geen HEERE mocht schrijven, dichtte (!) men maar: HEER, ai!
Tekst en melodie, woorden en zangwijzen van de Psalmen — is een geweldig belangrijk onderwerp. Wie wil zich er eens voorzetten om 't historisch te onderzoeken en 't Schriftuurlijk toe te lichten?
Ja — ons kerkgezang valt waarlijk nog wel te verbeteren Ook moesten er niet zooveel „verwaarloosde Psalmen" zijn! Hoofdstuk III van de Wezelsche Artikelen van 1568 gaat dan over tot de behandeling van het onderwerp: De Catechismus.
,,Met 't ambt van den Dienst des Woords en der profetie verbinden wij niet zonder reden de gewoonte van te catechiseeren, welke van de Apostelen en hunne leerlingen ons is overgeleverd en daarom, naar ons oordeel, door alle Kerken stellig te onderhouden". (Art. 1).
Onze Gereformeerde Vaderen hebben aanstonds de belangrijkheid van de catechisatie ingezien. Het opkomend geslacht moet door de Kerk onderwezen worden. Aquila en Priscilla onderwijzen Apollos (Hand. 18), om hem in te leiden in de rechte kennis der waarheid, opdat hij een plaats kan innemen in de Kerk. Zóó wilden onze Vaderen ook: onderwijs geven naar de Schriften aan de jongeren en aan degenen, die nog niet voldoende onderricht waren in de waarheid, 't welk èn voor de Kerk zelve èn voor de leden der Kerk allernoodzakelijkst was.
Uit den kinderdoop, die wel niet in het N. Testament wordt bevolen, maar waarvan het uitgangspunt toch in het N. Testament ligt, en, die reeds vroeg in de Christelijke Kerk gebruikelijk was, volgt de plicht tot onderwijzing en christelijke opvoeding van het gedoopte kind. (Zie o.a. Dankgebed na de bediening van het SacranieHt van den H. Doop: „christelijk en godzalig opgevoed worden").
Heel vroeger was de doop het doel van het onderwijs; door het onderwijs werden de proselieten tot den doop voorbereid; de vorming volgde dan op den doop en bij de vorming werd het H. Avondmaal uitgereikt. Maar bij den kinderdoop (1 Cor. 7 vers 14) werd de doop het uitgangspunt van het onderwijs en de toegang tot het H. Avondmaal het doel. Tot op den tijd van Karel de Groote werd aan de „kindercatechisatie" niet gedaan. Men liet doop en „confirmatio" of vormsel samenvallen, totdat de Synode van Lyon (1274) en die van Florence (1439) bepaalden, dat de "confirmatio" of vormsel niet vóór het 7e jaar mocht plaats hebben. Algemeen was toen ook in gebruik de kindercommunie, welke echter door het Concilie van Trente (1563) is afgeschaft.
De Roomsche Kerk kent eigenlijk geen doel voor het onderwijs van de „onmondigen", want de jaarlijks verplichte oorbiecht houdt de leeken onmondig en in alles afhankelijk van den priester.
Door de Reformatie is het kerkelijk onderricht in nauw verband gebracht met Doop en Avondmaal: de Doop is het be­gin, waaruit de plicht tot onderwijzing en christelijke opvoeding volgt, terwijl de deel neming aan het Heilig Avondmaal het doel daarvan is. „Aan, den heiligen Disch gaan", „tot het Heilig Nachtmaal te worden toegelaten" zijn staande uitdrukkingen in de Kerkorden van de 16de eeuw.
Vooral de Gereformeerden hebben het gewicht van het catechiseeren gevoeld. Sedert 1527 werd in Duitsch-Zwitserland aan de kinderen van 7— 14 jaar elken Zondag door den predikant Catechismusonderwijs gegeven. In Frankrijk werd van 1563 tot 1670 op alle Synodes over het kerkelijk onderricht aan de jeugd gehandeld. Tot 1644 geschiedde het onderwijzen in den vorm van leergesprekken tusschen predikant en kinderen, na dien tijd ook in de Catechismusprediking voor volwassenen. (Synodes van 1644, 1645).
In Engeland werd het sedert 1552 den predikanten tot taak gesteld iederen Zondagnamiddag een uur den Catechismus openbaar te onderwijzen.
In de Palz interesseerde zich Frederik III bizonder voor het catechetisch onderwijs, evenzoo in Oost-Friesland a Lasco.
En nu lezen we in de Wezelsche Artikelen van 1568: „Hoofdstuk III, art. 2. Wat het formulier van den Catechismus aangaat, houden wij het daarvoor, dat men in de WaaIsche Kerken het Geneefsche, maar in de Nederlandsche Kerken het Heidelbergsche het liefste volgen moet. Doch wij laten het tot de volgende Synode vrij".
Voor de Nederlandsch-sprekende Kerken werd dus de Heidelbergsche Catechismus, uit het Duitsch vertaald door Petrus Datheen, aanbevolen, sinds in dezen lande voor goed ingeburgerd. Op de Dordtsche Synode werd den 1sten Mei 1619 de bespreking van den Heidelb. Catechismus aan de orde gesteld. Damman las deze geheel voor. De Britsche Godgeleerden zeiden o.a. „dat noch hunne Kerken, noch de Fransche Kerken zulk een voortreffelijken Catechismus hadden; dat de opstellers op bizondere wijze door den H. Geest waren aangedaan geworden en zich zelf overtroffen hadden bij dezen arbeid".
De Paltzische Godgeleerden zeiden o.a. „dat de aanvallen van de Remonstranten hun den Catechismus nog dierbaarder hadden gemaakt, omdat hun daardoor gebleken was dat de Catechismus niet met de Schrift, maar wel met Socinus in strijd was."
Bogerman, de voorzitter, kon dan ook 6 Mei met vrijmoedigheid de verklaring afleggen: „dat de leer in de Belijdenis en den Catechismus vervat, in de Synode was herlezen en onderzocht, en dat deze leer naar het eenparig oordeel van alle leden der Synode, zoowel der buitenlandsche als der inheemsche Theologen, als orthodox en met den Woorde Gods overeenstemmende, was goedgekeurd."
Geen wonder, dat de Dordtsche Synode dan ook een bepaling in de Kerkorde opnam (art. 68), dat de Catechismusprediking overal geschieden moest. „De Dienaars zullen alom des Zondags, gewoonlijk in de namiddag-prediking, de hoofdsom der christelijke leer, zooals die in den Catechismus, die tegenwoordig in de Nederlandsche Kerken is aangenomen, vervat is, kortelijk uitleggen; alzóó, dat dezelve jaarlijks mag geëindigd worden, volgens de afdeeling van den Catechismus zelf daarop gemaakt". Naast de prediking des Woords dus de prediking van den Catechismus. Zooals onze Gereform. Vaderen naast het Woord ook de formulieren van Doop en Avondmaal voor kerkelijk gebruik invoerden.
Gelijk zooveel dingen, die niet in den Bijlbel staan, maar naar uitwijzen van de H. Schrift en in overeenstemming met den Bijbel voor het kerkelijk leven noodzakelijk waren. De natuur van de Kerk brengt dat mee. 
(Wordt voortgezet).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 maart 1928

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

GEESTELIJKE OPBOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 maart 1928

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's