MEDITATIE
Schatdragers
Maar wij hebben dezen schat in aarden vaten, opdat de uitnemendheid der kracht zij van God, en niet van ons. 2 Cor. 4 vers 7.
Psalm 68 vers 10.
Voorlezen: 1 Cor. 1 vers 12 tot einde.
Psalm 138 vers 2 en 3.
Psalm 84 vers 3.
Psalm 72 vers 11.
Het is, Gemeente, voor u een zeer belangrijke dag. Voor mij ook wel! Maar 'k geloof voor u toch nog wel het meest. Gij ontvangt een derden leeraar er bij. Is het niet om er klein onder te worden? Is het niet eene zaak om God daarvoor met hart en mond te danken? Voortaan hopen drie leeraren u het Evangelie der genade te verkondigen, om ook in uw midden te arbeiden, uw kranken en bedroefden te vertroosten, uw jeugdigen te onderwijzen! Acht dit geen geringe zaak! Er zijn weinig dorpsgemeenten, die dezen zegen genieten. Integendeel, daar zijn vele gemeenten, die aldoor maar beroepen en aldoor bedankjes krijgen en niet eens één leeraar kunnen bekomen. En gij hebt er drie! Wel, dan diendet gij toch te vragen: Wat onderscheidt ons? Wij zijn toch niet beter dan anderen? Wij hebben toch ook als gemeente elken zegen verbeurd en wij ontvangen een drievoudigen!
'k Heb dan ook met alle vrijmoedigheid u een loflied op de lippen gelegd, opdat gij deze eerste samenkomst met uwen derden leeraar mocht beginnen met een: Gelooft zij God met diepst ontzag, Hij overlaadt ons dag aan dag, met Zijne gunstbewijzen
'k Dacht, Gemeente, hierbij aan u!
Maar als ik aan mij zelf denk, zou ik liever een smeekbede in ons lied hebben vertolkt. Immers, die bijzondere zegen, waarin gij u moogt verheugen, verpersoonlijkt zich in mij! De zegen, dien de Heere u geeft, is zoo buitengewoon, maar dat buitengewone maakt mij bezorgd en doet mij vragen: als er dan maar niet iets buitengewoons van mij verwacht wordt? .... Immers 'k ben maar een heel gewone dominee, die in eenvoud 't Woord wil verkondigen en mijn werk wil doen. Daarom heb ik wel de hulp van 's Heeren Geest noodig om in dat eenvoudige te volharden en niet méér te willen zijn dan ik kan, onder de gunst des Heeren Bovendien, gij Veenendaalsche gemeente, hebt al zoovele jaren het Evangelie der genade uit den mond der Evangelie-dienaars mogen beluisteren, terwijl uwe beide leeraars, die gij tot den huldigen dag bezat, de een in de kracht zijner jaren, de ander in de jeugd zijns leeftijds, u den vollen raad der verlossing naar 's Heeren Woord prediken, zoodat ik wel eens het gevoel had, dat ik water ging dragen naar de zee.
Begrijpt gij dat uwe blijdschap mij schuchter en dat uwe lofverheffing om den zegen Gods op dezen dag mij klein maakt? Begrijpt gij dat het noodig is dat gij ook uwen derden leeraar in uwe gebeden mocht willen gedenken, opdat de Heere der Gemeente ook hem kracht en genade schenke, en ook zijn prediking en arbeid u tot geestelijken en eeuwigen zegen gedije?
De keuze van mijn tekst zal u nu wel duidelijk zijn, wijl ik u over een schat, een aarden vat en over de kracht Gods wil spreken. ,,Maar wij hebben dezen schat in aarden vaten, opdat de uitnemendheid der kracht zij van God en niet van ons". 'k Wil u hieruit achtereenvolgens wijzen: ten eerste op 't heerlike; ten tweede op 't moeilijke; tenslotte op het zegenrijke werk van den Evangeliedienaar.
1. Paulus noemt zich en allen die het Evangelie des Kruises prediken schatdragers. „Wij dragen deze schat in aarden vaten". Let er wel op, hij spreekt in meervoudigen zin van de dragers en hun vaten, maar den schat neemt hij in het enkelvoud. Daar is maar één schat, dien hij op 't oog heeft, die in zijn éénheid altijd dezelfde blijft, en zijn onveranderlijke waarde houdt, ook al wordt hij door velen gedragen. En al is het onvermijdelijk zeker dat elke prediker zijn eigen stempel op z'n prediking zet, toch is er slechts één Evangelie. Niet lang geleden predikte ik des avonds in een gemeente, waar haar eigen leeraar des morgens precies denzelfden tekst behandeld had als ik des avonds deed. Toen ik m'n spijt daarover uitdrukte, was het eenstemmig antwoord van de broeders van den kerkeraad: „O neen! dat hinderde niets, maar 't was toch heel anders, en het was beide goed". Niet, dat ik om zulk eene goedkeuring verlegen was, maar zij gaf er weer eene bevestiging van dat er maar één schat is, één Evangelie, al wordt dit in rijke verscheidenheid, uit de gansche H. Schrift gepredikt, door predikers, die in hun leiding en aanleg, in hun gaven en talenten, veel van elkander verschillen.
Reeds hebt gij verstaan wat met dezen schat is bedoeld, n.l. de bediening van het Woord Gods. Dus niet de schat der genade, dien Gods kind door het geloof bezit. Zeker, het geloof maakt een ieder die arm en schuldig voor God is geworden, onnoembaar rijk. Die rijkdom is niet te tellen en te meten, 't Is immers de eeuwige liefde Gods, die het deel is van een mensch, die 's Heeren eeuwige gramschap zich waardig maakt. Zouden wij dit geen schat mogen noemen? Hij is onmeetbaar groot! Maar hier is hij niet bedoeld, 't Gansche hoofdstuk duidt aan dat het werk, het ambt van den Evangeliedienaar deze schat is, of zooals het in de voorafgaande woorden staat: de „verlichting der kennis der heerlijkheid Gods in het aangezicht van Jezus Christus".
Natuurlijk heeft elke prediker die verlichting ook voor eigen hart noodig. Het is alsof de apostel dit allereerst veronderstelt. Hij zegt immers dat God, die het licht geschapen heeft, „Degene is die in onze barten geschenen heeft". Hij denkt hierbij niet slechts aan zichzelf, zooals hij het licht der genade ontving, maar hij heeft hen allen op het oog die hetzelfde werk met de liefde des harten doen. 't Is alsof hij er niet van weten wil dat er leeraars kunnen zijn, die zelf totaal in het donker wandelen en toch voor anderen tot een licht willen en kunnen zijn ! Hij denkt ér zelfs niet aan! Hij noemt het geval met geen woord! Dit moest elken leeraar wel tot zichzelf brengen, om nauwkeurig op z'n eigen innerlijk leven toe te zien, opdat hij weet geen uitzondering te maken en hij zich oók door genade mag scharen onder dit „ons" van den apostel. Immers het is van zoo groot belang voor hem zelf en voor de gemeente, die hij dient, dat, waar hij anderen predikt, zelf niet verwerpelijk bevonden worde. Zoo toch is hij mede een rechte voorbidder voor de gemeente, voor de Kerk des Heeren, voor Gods Koninkrijk, voor land en volk; zoo wordt hij zelf vertroost door de vertroosting, die hij anderen biedt; zoo kan hij met innerlijke verheuging het allerbeste anderen aanprijzen. Daarom spreek ik bij mijn intrede in uw midden den wensch uit, en vraag uwe voorbede daartoe, dat de God van alle genade ook mijn hart meer en meer verlichte, opdat ook ik een rechte Evangeliedienaar in uw midden mag zijn.
Toch is de schat, waarvan onze tekst spreekt, niet dit noodzakelijke geloofsleven van den prediker, maar de bediening, hem toevertrouwd. Daardoor verspreidt hij het heerlijkste licht in de wereld der menschheid. Zonder dat licht is er volslagen duisternis. De zonde, de breuk tusschen God en den mensch, is de duisternis, het ontbreken van alle licht. Zoomin eenvoudige vonkjes, die daar nog smeulen voor onzen voet, ons ooit den weg kunnen verlichten in den stikdonkeren nacht, zoomin vermag al wat de menschen kennen en kunnen ons tot God te leiden. De kennis des Heeren wordt gemist en is door alle mogelijke krachtsinspanning van den denkenden geest des menschen niet te verkrijgen. Maar nu draagt de bediening van het Woord Gods de ware verlichting in de duisternis, 't Is eene verlichting, waardoor er kennis komt van de heerlijkheid Gods in het aangezicht van Jezus Christus. Op dit laatste valle de nadruk. Immers de heerlijkheid Gods wordt ons ook gepredikt door het rijk der natuur, zoo zeker als de hemelen Gods eer vertellen. Maar de prediking van het Evangelie wijst op den persoon van Christus, Die gestorven is om onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardigmaking. In Hem toch treedt de heerlijkheid Gods het allermeest naar voren, in Hem, Die het uitgedrukte beeld is van Gods zelfstandigheid, in Hem, in Wien de rechtvaardigheid en de heiligheid des Heeren zich als eeuwige en onwankelbare deugden openbaarden, maar in Wien evenzeer een gadelooze ontferming van een getrouwen Vader Zich aan Zijn kinderen bekend maakt. Dit is eene zaak, die in de heerlijkste tijden des geloofs Gods kind zóó groot is, dat hij vol aanbidding z'n Heiland aanschouwt, zeggende: „O, hoe schoon spreekt Gij van de heerlijkheid Gods; hoe straalt Uw aangezicht al Zijne deugden uit; geene daarvan zou ik in U, gezegende Verlosser, willen missen". Wat dunkt u, gemeente? Is de prediking dan geen schat te noemen, als zij ons zulk eenen Zaligmaker verkondigt, als zij ons in Hem de heerlijkheid Gods bekend maakt? Ja, waarlijk een schat! En ook ik word verwaardigd om in het midden van u als een schatdrager te komen. Immers ik draag met alle predikers van het Evangelie het middel bij mij, waardoor arme, schuldige zondaren voor eeuwig rijk kunnen worden. Ik kom onder de leiding Gods tot u met de bekendmaking van de overbrugde klove, van de scheiding tusschen God en mensch, die ongedaan gemaakt is door onzen Heere Jezus Christus voor allen die in Hem gelooven. Niemand zie in mij minder dan een schatdrager! Let er nu op dat de prediking in de eerste plaats kennis-verlichting is. 't Gaat om kennis; niet om gevoelige aandoeningen, om vrome gewaarwordingen. De prediking moet dan ook gedragen worden door een nauwkeurig onderzoek der Heilige Schrift, van elk gedeelte afzonderlijk. Wij komen niet op den kansel met een godsdienstig praatje, waarin de ordelijke leiding van den Heiligen Geest ontbreekt, maar 't moet zijn een graven in de goudmijn. En graven is een moeilijk werk. Maar zoo draagt de prediker dan ook den schat naar buiten uit, op den kansel, in het catechisatie-lokaal, in de ziekekamer en in het huisgezin. Zoo is hij een schatdrager, doordat hij het Woord Gods toepasselijk stelt tot de meest ernstige vermaning, maar ook tot de rijkste vertroosting.
Welnu, gemeente, ook mij ontvangt gij als zulk een schatdrager. Mij is dus wel een heerlijk werk in üw midden toevertrouwd, maar ook een moeilijk werk.
(Slot volgt).
*) Intreêpreek van ds. Van der Snoek te Veenendaal, met weglating der toespraken.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 maart 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 maart 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's