FINANCIËN
P o s t g i r o 138421.
„'t Jonge Dominé, wat een goeije week heb je gehad. 'k Mot zeggen, dat het mij tot hiertoe niet tegen-, maar wel mee is gevallen".
Zoo sprak Vrijdag de profeet, die mij voorspelde dat ik van mijn penningmeesterschap niet veel pleizier zou beleven. 'k Zei: Ja man, een goeije week, dat ben ik met je eens, maar anderdeels ook weer een heele, heele slechte week, want wat denk je dat ik tegenover mijn ruim zes honderd gulden die ik ontving, deze week heb uitgegeven?
Dat kan, zei hij, misschien de helft wel wezen en misschien is de heele zes honderd er wel aangegaan.
Kan je begrijpen, zei ik, mijn uitgaven waren geen zes honderd, maar bijna zes duizend gulden. Je moet n.l. weten dat ik deze week een groot deel van de alumni van het Studiefonds, die meerendeels per half jaar hun geld ontvangen, heb uitbetaald en als ik je nu zeg dat deze „broekjes" — er zijn heele lange broeken ook onder hoor! — ons op 't oogenblik ruim ƒ 12000.— per jaar kosten, dan kan je zelf wel uitrekenen wat ik noodig heb gehad en dat ik haast geen raad wist om het bij elkaar te krijgen.
Mijn profeet keek er beduusd van, en misschien dat er onder de lezers van „De Waarheidsvriend" wel meer zijn, die er beduusd van kijken en die zeggen: dat had ik niet gedacht.
Neen, ik had ook altijd gedacht, dat als onze vorige Penningmeester bij zulke gelegenheden wel eens een bedenkelijk gezicht zette, hij dit dan wel eens een klein beetje deed om ons bang te maken. Maar nu heb ik begrepen dat het werkelijk altijd volle ernst bij hem was. Ik heb het, nu ja, met krammen en lijmen wel bij mekaar gekregen, maar de bodem van mijn schatkist is nu toch heel goed te zien en 't is altijd leelijk hout als je daartegen aan moet kijken. 'k Hoop dus, dat de vrienden van onzen Bond mij dat leelijke gezicht spoedig benemen zullen en dat zij zorgen zullen dat hij spoedig weer met een laagje blauwe en groene briefjes, of hoe ze er anders uitzien, bedekt zal zijn.
'k Moet zeggen, dat het allerleelijkste al weer weg is, want, eerlijk gezegd, is mij ook deze week weer niet heelemaal tegengevallen, 'k Dacht de vorige week zoo: ja, 't is nu wel heel vet, maar nu kon het den volgenden keer wel eens heel mager zijn, maar 'k ben in mijn ongeloof alweer beschaamd geworden.
Zie maar eens wat er deze week alweer is binnengekomen. Eerst uit
L e i d e n ƒ 5.—, afgezonden door C. van 't Riet, verzameld door de kinderen van de kinderkerk van ds. Beekenkamp. 't Zal onzen kranken, wat herstellenden broeder ongetwijfeld goed doen dat zijn „kinderen" een steentje aangedragen hebben voor een werk, waaraan hij zelf zoo vaak zijn beste krachten gegeven heeft, en ongetwijfeld stemmen alle lezers van „De Waarheidsvriend" in met den wensch, dat die krachten alsnog vernieuwd zullen worden en dat hij nog vele jaren ook nog voor anderen dan voor zijn „kinderen" tot rijken zegen zal mogen zijn. Verder uit
D i n t e l o o r d ƒ 2.70. van H. van Nieuwenhuijzen uit diens busje voor het Studiefonds. Dan uit
R ij s w ij k (Z.-H.) ƒ 35.37, afgezonden door P. Voskamp, zijnde de collecte (met nagift van ƒ 1.— van een spreekbeurt, vervuld door ds. Pott te Bodegraven.
Verder is ds. Rappard te Barneveld een Zondag op het eiland Flakkeé geweest en heeft daar toen tweemaal voor onze Fondsen gesproken, wat ten gevolge had dat mij vanuit
O u d e T o n g e door ds. Bax aldaar werd toegezonden een collecte van
HONDERD EN EEN GULDEN EN 26 CENT (ƒ 101.26) en uit
O o l t g e n s p l a a t door ouderling D. Bax aldaar een collecte van ƒ 42.68. Zijn er soms meer predikant-leden van onzen Bond die eens zoo'n reisje naar een van onze eilanden ondernemen willen? Ds. Bax gaat nu, meen ik, naar Puttershoek, maar zijn warme hart en zijn vurigen ijver voor de dingen van Gods Koninkrijk, waaronder hij ook onzen Bond rekent, neemt hij mee. Zij blijven daar nu anders op Flakkeé leelijk zitten. Hoeveel vacaturen zijn of komen er nu wel niet? Meer dominé's, broeders! Denkt er maar veel aan: „de zegenende ziel zal vetgemaakt worden".
Ook werd nog een spreekbeurt gehouden te
W a p e n v e l d door ds. Luteijn van Genemuiden, waarvan de collecte mij werd toegezonden door den pastor loci ds. R. Steenbeek, zijnde een bedrag van ƒ 56.89. Nog werd ƒ 1.— nagezonden, gecollecteerd gevonden in de collecte op 18 Maart. Deze ƒ 1.— is zeker als nagift bedoeld. Dan kwam uit
H a r d e r w ij k een gift van ƒ 20.— binnen uit het Kerkeraadsfonds aldaar, afgezonden door ds. L. van Mastrigt; terwijl uit
A m e i d e en T i e n h o v e n nog inkwam een collecte, Afgezonden door ds. Van der Graaf, en gehouden bij twee spreek beurten in die beide gemeenten door ds. Goslinga van Utrecht, zijnde een bedrag van
HONDERD EN ZEVEN GULDEN EN VIJF EN VEERTIG CENT (ƒ 107.45).
Ook zond ds. Van der Graaf mij nog een collecte uit
G o u d a van een door hem vervulde spreekbeurt aldaar, zijnde een bedrag van ƒ 20.55. Die Goudsche afdeeling is langen tijd in ruste geweest, maar is nu ineens weer actief geworden. We willen hopen dat de rust, die ieder mensch, en dus ook iedere Bondsafdeeling op tijd noodig heeft, voortaan niet meer van zoo langen duur zal wezen en dat onze Goudsche vrienden maar veel gedachtig zullen zijn aan het oude spreekwoord „rust roest". Verder kreeg ik vanmorgen uit
P u t t e n nog een girobiljet van ds. Van Amstel aldaar, met een toedrag van ƒ 2.50, gevonden in de collecte uit dankbaarheid voor het bedanken van ds. v. A. voor het beroep naar Garderen. Zulke dankbaarheidsgaven mag ik wel. Ik vind als een mensch dankbaar is, moet hij het ook toonen. Zoo dacht blijkbaar ook zeker iemand, die zijn naam en zijn woonplaats niet genoemd wilde zien, en die mij vanmorgen een aangeteekenden brief zond met ƒ 10.— er in. Dat was ook een dankbaarheidsgift en wel om een reden, dien ik dezen vriend zelf maar zal laten weergeven. Hij schrijft: „Wij hadden 4 jongens en een meisje. Toen werden wij weder verblijd met de geboorte van een dochter, waarmee wij zeer verheugd waren en die door 's Heeren goedheid tot op heden zeer gezond opgroeit". Kijk, dat vind ik nu aardig. Ik heb al tegen mijn vrouw gezegd, als wij onze tweede dochter krijgen, doen we dat dadelijk na, en zij was het er volkomen mee eens. Misschien dat er nog wel meer zulke naapers zijn en als het soms bij de geboorte van de tweede niet is, bij de geboorte van de eerste of van de derde of van de vierde, of van de hoeveelste, mag het ook wel. Ik beloof op mijn woord dat ik desgewenscht ook dan naam en plaatsnaam stipt geheim zal houden.
Maar hiermede zijn we nu voor deze week ook aan het eind gekomen. Nu, het kan nu ook wel weer. Ik denk dat we aardig op de vierhonderd gulden aanscharrelen. Even tellen — — — Ja, het gaat er net even over. Alles samen hebben we een bedrag van
f 405.40
Laten we dus ook maar weer dankbaar zijn.
Veenendaal.
De Penningmeester,
Ds. M. JONGEBREUR
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 maart 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 maart 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's