FEUILLETON
Kleine Luijden
SCHETSEN UIT HET FRIESCHE DORPSLEVEN,
door IDSARDI.
7)
Zoo was men naar de „Viersprong" gereden, waar vrouw Rijpkema de nieuwe bewoonster opwachtte. Vol verbazing had Sien hier rondgekeken. Was dit alles voor haar bestemd? Een verschovene, die vóór weinige weken bijna de wanhoop ten prooi was?
En voor de ramen hingen gordijnen, om de nieuwsgierige blikken der voorbijgangers te beletten naar binnen te dringen. En een nette kachel verwarmde het vertrek. En op de tafel dampte de koffie. En voor den schoorsteen hing een spiegel. En over den vloer lag een gekleurd karpet En aan den wand hing een schilderij van den goeden Herder met een afgedwaald schaap op den schouder, om maar niet meer te noemen.
Toen was het haar te krap geworden. Spreken kon zij niet, maar in de wijze waarop zij vrouw Rijpkema de hand drukte, werd meer gezegd dan woorden konden uitdrukken.
Daarop hadden de vrouwen haar den inhoud van zolder en kelder laten zien. Het bleek wel waar te zijn, wat dominé gezegd had: „als boer Rijpkema iets deed, dan deed hij het goed". Hier was voorloopig geen gebrek. Bovendien kon zij elken dag van „Olga-State" de noodige melk halen voor haar en het kind. Die wurm zag zoo bleek. Zeker last van de Engelsche ziekte gehad. Als straks het voorjaar kwam, kon hij hier mooi spelen in het zand. Dat was de beste remedie voor die kwaal. Zeewater drinken was ook probatum. Vrouw Rijpkema had zelf ook eens een kleintje gehad dat zoo krom op de beenen stond, maar alles was terecht gekomen. 't Jongetje moest maar eens goed op het voer, — wie wist welk een kerel het dan misschien nog werd.
Zoo hadden de vrouwen gesproken en getroost, om Sien op dreef te brengen, die maar stil rondkeek, nu en dan een traan wegpinkend en blijkbaar verlangend om eindelijk alleen gelaten te worden.
Bij het afscheid nemen had men haar nog gezegd, altijd met raad en daad haar te willen bijstaan als het noodig was, en dat zij gerust mocht aankomen, wanneer zij zorgen had. Bovenal had men haar aanbevolen ds. Randwijk als haar herder en leeraar te beschouwen, want zoo eene vond men in het geheele land niet meer. Een man, die voor elk klaar stond, en daarbij het waarachtig zieleheil zijner kudde zoo zocht. Hij was het immers ook geweest, die in deze heele zaak die hand had en waardoor de „Viersprong" haar thuis werd. Toen was men heengegaan.
Het laatste woord dat Sien tot hare weldoensters gesproken had, was: „ik hoop nooit te vergeten, wat men hier aan mij gedaan heeft, en zal mij gelukkig achten, nog eenmaal u allen mijn dank in daden te toonen". —
Daarop sloot zij de deur. Maar wat geen mensch gezien heeft, is toen geschied. Toen heeft Sien allereerst lang stilgestaan voor die beeltenis van den goeden Herder niet dat verloren schaap op Zijn schouder. O, zij begreep aanstonds wel, waarom men juist deze schilderij voor haar had opgehangen. Natuurlijk beschouwde men haar met het kind als zulk eene, die ver afgedwaald, in diepten van zonden verzonken, als een lichtekooi hare omgeving was ontvlucht om na veel zwervenis hier een wijkplaats te vinden. Zij had de publieke opinie tegen zich, en wat het ergste was, zij kon geen opheldering geven over het verleden. Wanneer men haar zoo wilde blijven beschouwen, dan zou zij niet in staat zijn de smet op haar leven uit te wisschen, terwille van anderen, en — dat deed pijn.
Aan den anderen kant was het echter volkomen waar, en ook op haar van toepassing, wat die plaat voorstelde. Zij was een verloorne geweest, door elk verstooten en verlaten, maar door den Heere aangenomen. Dit had zij in deze dagen kennelijk ondervonden, en daarom vloeide haar hart over van lof en dank. Maar vandaar dat zij na 't heengaan van vrouw Deelstra en vrouw Rijpkema met haar kleinen Henk is neergeknield om in een dankgebed, zooals alleen uit het diepst van een door liefdegloed verteederd hart kan opkomen, Hem groot te maken, die door een nacht van zorg en lijden haar had heen gevoerd, om het eindelijlk te doen lichten. Doch om tevens een gelofte te doen. 't Was deze, dat voortaan haar leven zou zijn een leven van overgave en dienende liefde, overal waar de Heere haar riep. En dat zij voorts al de moeilijkheden en zorgen die zij had, die door geen mensch konden worden meegedragen, die zij ook aan geen mensch wilde klagen, overgaf aan Hem, die het zóó wèl met haar maakte, overeenkomstig het lied, in vroeger jaren door haar zoo graag gezongen;
Roem Christen; aan mijn slinke
En rechterzijde is God.
Waar 'k macht'loos nederzinke.
Of bitter lijd' is God.
Waar trouwe vriendenhanden
Niet redden, daar is God.
In dood en doodsche banden.
Ja, overal is God!
Hoofdstuk II.
SYKE FLODDER.
Die het dorpsleven kent, begrijpt, dat de komst van Sien in Zorgvliet een gebeurtenis is geweest.
Als een loopend vuurtje ging het nieuws door het dorp dat bij bakker Deelstra een vrouw met een kind was aangekomen, dat die vrouw van honger en gebrek flauw gevallen daar was opgenomen, dat men toen een dokter heeft gehaald, en dat die alle vervoer van de patiënt verboden had, zoodat men daar met de zaak zat opgescheept.
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 maart 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 maart 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's