MEDITATIE
Paschen / Schatdragers
»En als zij heengingen, om Zijnen discipelen te boodschappen, ziet, Jezus is haar ontmoet, zeggende: Weest gegroet! En zij tot Hem komende, grepen Zijne voeten en aanbaden Hem«. Matth. XXVIII : 9.
Jezus ontmoet, door den levenden Christus toegesproken, in aanbidding voor Zijn voeten, dat was de rijke Paaschzegen der vrouwen op den morgen der Opstanding. Dien zegen hebben ook wij noodig, om waarlijk Paaschfeest te vieren. Hoe ver is ons geloofsleven op het Paaschfeest dikwijls van dien zegen verwijderd!
Maar tot die zieleweelde kan de Heere het geloofsleven wekken en toebereiden door het Evangelie, gelijk Hij het bij die vrouwen deed. Van het leven in het licht van 's Heeren aangezicht, waren die vrouwen ver verwijderd, toen zij 's morgens vroeg naar het graf gingen in Jozefs hof. Toen waren zij met specerijen beladen, om een dooden Jezus te zalven en haar hart was der wanhoop nabij. Maar dat wanhopend hart werd getrokken naar de plaats, waar zij Jezus als verloren hadden. Haar ziel was aan Hem gebonden en zij wilden naar Zijn graf, waar het licht haars geloofs was ondergegaan. Daar zien zij, dat de steen van het graf is afgewenteld. Dan wordt het nog donkerder daarbinnen. Maria Magdalena kan niet verder en gaat terug, als zij beseft: „Zij hebben mijnen Heere weggenomen en ik weet niet, waar zij Hem gelegd hebben". En ook het geloof der andere vrouwen krijgt een nieuwen schok. De wortel des geloofs was nog aanwezig. Anders kon de Heere Jezus niet tot Petrus gezegd hebben vóór Zijn lijden: „Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoude". Echter het geloof der discipelen en der discipelinnen was na de kruisiging en den dood van Jezus als een struik, die tot den wortel is afgehouwen.
Maar zulk een afgehouwen struik kan immers weer uitspruiten bij regen en zonneschijn. Voor dien regen en zonneschijn zorgde de Heere ook bij het graf op dien Opstandingsmorgen. Een engel, zittende op den afgewentelden steen, spreekt de vrouwen toe. Zijn gedaante is als een bliksem en zijn kleeding wit gelijk sneeuw. Die vrouwen zijn ontzet en gansch ontroerd als aan den grond genageld, maar die engel spreekt haar vriendelijk toe: „Vreest gijlieden niet; want ik weet, dat gij zoekt Jezus, die gekruisigd was. Hij is hier niet, want Hij is opgestaan, gelijk Hij gezegd heeft. Komt herwaarts, ziet, de plaats, waar de Heere gelegen heeft".
Deze hemelbode is een boodschapper Gods, gezonden om de blijde tijding der Opstanding te brengen en alzoo het geloof weer op te wekken en te versterken bij die vrouwen. Die engel weet blijkbaar, waar het hart der vrouwen naar uitgaat: „zij zoeken Jezus", den gekruisigde. Zij zoeken Hem niet, als de Joden gedaan hadden, in doodelijken haat, maar met al de liefde van haar hart. Daarom behoefden zij niet als de wachters kort te voren, te vreezen, maar konden verblijd zijn: Jezus is niet meer in het graf! Hij is opgestaan! Volgens Marcus, zeide de engel: „Wat zoekt gij den levende bij de dooden?" En dan herinnert hij aan Jezus' eigen woorden, hoe Hij gezegd had, dat Hij ten derden dage zou opstaan. Die woorden hadden zij vroeger gehoord en vergeten. Maar nu ze in herinnering gebracht worden, wekken ze heerlijk licht in haar hart. Het is een verblijdend en vertroostend Evangelie, dat klinkt in haar oor en het geloof doet opwaken in haar hart. Zij moeten het graf dan ingaan, om de ledige plaats te zien, waar Hij gelegen had, maar waar nu engelen de wacht houden, die het dezen vrouwen ook toeroepen, dat haar Heiland leeft.
Zoo ontluikt het geloof in den opgestanen Heiland met groote kracht: licht van troost, hoop en geloof vervangen in het hart de vroegere droefheid en hopeloosheid. En het wordt haar een aangename opdracht, als de engel zegt: „En gaat haastelijk heen, en zegt Zijnen discipelen, dat Hij opgestaan is van de dooden; en ziet Hij gaat u voor naar Galilea, daar zult gij Hem zien. Ziet, ik heb het ulieden gezegd". Zoo wordt het geloof werkzaam gemaakt. Zij gaan haastelijk het graf uit en loopen heen, om de discipelen deelgenoot te maken van deze blijde tijding.
Lezer of lezeres, is uw zieletoestand misschien gelijk aan dien der vrouwen, toen zij naar het graf gingen? Dat het Paaschfeest voor u aanbreekt, maar dat het in uw hart, evenals bij die vrouwen, leeg en donker is? De Heere weg, het geloof weg, alleen over de vijandige machten der hel en der wereld, met twijfel en ongeloof in het hart en bergen van schuld en zonde rondom u. Dan laat God u het Paaschfeest nog beleven en het Paaschevangelie hooren, misschien personen en omstandigheden u ontmoeten, die alle boodschappers zijn, om u het blijde Evangelie toe te roepen: Jezus leeft! Uw Heiland leeft, die machtiger is dan alle geweld der hel, die machtig en gewillig is het donker van uw twijfel en ongeloof weg te vagen en uw geloof weer te doen ontluiken, die ook u doet ervaren: des avonds vernacht het geween, maar des morgens is er gejuich.
Vreemd echter, blijkens vers 8 gingen die vrouwen haastelijk uit het graf met vreeze en groote blijdschap, terwijl zij voortliepen, om Zijn discipelen de blijde tijding der Opstanding te boodschappen. Zij geloofden het Evangelie, door engelen-mond gesproken, en nu tegelijk vreeze en groote blijdschap in het hart! Wonderlijke tegenstelling in dat hart: vreeze en blijdschap.
Dat is echter geen vreemde zaak voor degenen, die zelf wel eens in aanraking kwamen met een boodschap uit den hemel, dat het woord der Schrift, door de werking des Heiligen Geestes, ons waarlijk werd het woord, de boodschap van den levenden God. Dan is er vreeze, heilige ontroering des harten, gelijk Jacob weleer te Bethel na het spreken des Heeren in den droom, of gelijk de herders in Ephrata's velden, toen de Engel des Heeren hun ook zulk een blijde tijding van de geboorte des Zaligmakers bracht. Dan is er vreeze, heilige ontroering, omdat men zichzelf als een verdorven zondaar kent, en nu in aanraking met een engel, een van Gods heilige troongeesten. Ook de boodschap uit den hemel is heilig en bovenal God, die zich met ons bemoeit, is heilig. Daarom vreeze, maar ook groote biijdschap, want men heeft het Evangelie gehoord, in den waren zin des woords een blijde tijding van God ontvangen.
Nog rijker zegen echter was dien vrouwen toebedacht. In vers 9 staat: „En als zij henengingen om Zijnen discipelen te boodschappen, ziet, Jezus is haar ontmoet, zeggende: Weest gegroet!
Wij kunnen het ons zoo voorstellen, hoe die vrouwen zich voortspoedden op den weg naar Jeruzalem; en daar plotseling, misschien wel bij een kromming van den weg, daar staat plotseling Jezus zelf, levend, voor haar en spreekt haar vriendelijk toe. Welke nederbuigende goedheid des Heeren en wat groote onderscheiding voor deze eenvoudige vrouwen! Jezus, de Levensvorst, nu de Overwinnaar van dood, hel en graf, treedt haar tegen en spreekt troostrijk tot haar hart.
Ik las ergens, dat een stoutmoedig diplomaat eens aan een vroegeren Czaar van Rusland vroeg, wie de meest gedistingeerde onderdaan van Zijne Majesteit was. En het antwoord luidde: Dien de Czaar de eer heeft aangedaan om met hem te spreken. Hoe sprak hier vorstelijke ijdelheid. Maar het zijn woorden van waarheid en gezond verstand, als wij zeggen: Dit is de hoogste onderscheiding voor een zondig menschenkind, als de Heere in genade troostrijk tot hem wil spreken. En dat wedervoer dezen vrouwen.
Wij lezen, dat de Heere tot haar zeide: „Weest gegroet!"
De gewone groet in die dagen luidde: Vrede zij ulieden!
De Heere gebruikte hier den Griekschen groet, die letterlijk beteekende: „verheugt u!" In Griekschen mond beteekende die groet: verheugt u in het schoone der aarde! Maar 't schoone der aarde is vergankelijk en leidt, als we niet anders kennen, tenslotte tot vertwijfeling. In Jezus' mond had dat woord: „Verheugt u!" echter rijker, ja eeuwige beteekenis. Hij wilde zeggen: al uw droefheid heeft geen grond meer, nu Ik opgestaan ben en leef, om u voor tijd en eeuwigheid gelukkig te maken; u genade en zaligheid bereid heb. Lezer, lezeres, hebt ook gij reeds den Heere ontmoet, dat gij ervaren hebt, dat de Heere waarlijk is opgestaan en leeft ook voor u? Ik bedoel niet, of gij Hem lichamelijk ontmoet en gezien hebt, want dat kan niet: de Heere is naar het lichaam nu in den hemel, maar met Zijn godheid, Geest en genade is Hij nog op aarde en spreekt door het Woord des Evangelies nog tot behoeftige zondaarsharten: Verheugt u! U zij heil! U zij genade en zaligheid! Die groet en wensch is dan een daad. Dan wordt heil, genade, zaligheid gesmaakt en zingt het hart met den Psalmist:
Gods vriend'lijk aangezicht
Heeft vroolijkheid en licht
Voor all' oprechte harten.
Ten troost verspreid in smarten.
Juicht, vromen, om uw lot;
Verblijdt u steeds in God;
Roemt, roemt Zijn heiligheid.
Zoo word' Zijn lof verbreid
Voor al dit heilgenot. (Ps. 97: 7)
Wie Jezus ontmoet, wie door den levenden Opgestanen Heiland wordt toegesproken, zal leven des geloofs openbaren, want van den levenden Christus gaat kracht uit. Dat leven des geloofs uitte zich bij de vrouwen in ootmoedige en verrukte aanbidding: „En zij tot Hem komende, grepen Zijne voeten en aanbaden Hem" (vs. 9b).
De zielsontroering bij de ontmoeting van Jezus was bij deze vrouwen anders dan bij Maria Magdalena in den hof. Zij wisten reeds uit het woord, door engelen gesproken, dat hun Heiland opgestaan was en leefde. Nu zij Hem ontmoetten, vielen zij in aanbidding neder voor den Christus, gelijk later Thomas in geloofsaanbidding zou uitspreken: „Mijn Heere en mijn God!" Aanbidding is de diepste uiting van het leven des geloofs. In het stof neergebogen, heeft, dunkt me, in het hart dier vrouwen geleefd, wat eenmaal Petrus uitsprak: „Gij hebt de woorden des eeuwigen levens, en wij hebben geloofd en bekend, dat Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods". Haar aanbidding is geweest een zich verliezen in de aanschouwing van Hem, die hare zielen liefhadden, omdat Hij haar eerst had liefgehad.
Maar, hier is 't Land der volle voortdurende genieting niet. De Heere zeide tot haar: „Vreest niet; gaat heen, boodschapt Mijnen broederen, dat zij heengaan naar Galilea en aldaar zullen zij Mij zien".
Heengaan moeten die vrouwen. Het leven des geloofs bestaat niet alleen uit genieten, veel meer uit gehoorzamen. Zij moeten opstaan uit haar aanbidding en boodschappers zijn van het goede. Dan komen zij echter niet bij Christus, maar bij christenen. Wat zullen zij met verrukking in oog en woord getuigd hebben van hetgeen hare oogen gezien en hare handen getast hadden van het Woord des levens.
„En hare woorden schenen voor hen als ijdel geklap, en zij geloofden haar niet", zoo lezen we in Lukas 24 vers 11. Wat een teleurstelling moet dat voor die vrouwen geweest zijn! Toch is het nog menigmaal de ervaring van de geloovigen, die Jezus hebben ontmoet en uit de volheid des harten anderen in hun blijdschap willen doen deelen. Dikwijls vindt het dan geen weerklank in anderer hart. Ook soms niet bij kinderen Gods. Waarom niet? Wel, denkt aan die discipelen. Hoe anders was hun gesteldheid des harten dan bij die vrouwen. Die discipelen, moedeloos, ongeloovig, verbijsterd door het kruis van Golgotha, en die vrouwen, als met versche olie overgoten, komend uit de binnenkameren des Konings. De discipelen hadden niet als de vrouwen, den Heere ontmoet. Maar het is nuttig geweest voor haar geloofsleven. Zij hadden zich gaarne met de andere discipelen verblijd in de Opstanding huns Heeren. Nu haar de goedkeuring der discipelen echter ontbrak en haar geloofstaal als ijdel geklap werd beschouwd, moest haar geloofsblijdschap zich dieper wortelen, alleen in Hem, die voor haar stierf en opstond, ja leeft tot in eeuwigheid.
Wij hebben allen noodig, dat 't Paaschevangelie aan ons hart wordt geheiligd door den Heiligen Geest, zal het geloofsleven bij ons worden gewekt of versterkt. Anders is het ook ons als ijdel geklap. Waar het echter in geloof wordt ontvangen, zal openbaar komen, als bij die vrouwen, een zoeken van Jezus, een zich verblijden in Zijn Opstanding en boodschappers zijn van goede tijding des heils.
U. B. B.
Schatdragers.
II.
„Maar wij hebben dezen schat in aarden vaten", schrijft de apostel aan de gemeente. Het valt ons op dat hij van de „aarden vaten" weer in het meervoud, in 't algemeen spreekt, en dus niet slechts zichzelf op het oog heeft. Er zijn toch verklaarders die hier denken aan een lichaamsgebrek van den apostel, zoodat hij zijn broos lichamelijk bestaan een aarden vat noemt. Maar hij spreekt hier van alle predikers van het Evangelie; allen zijn zij aarden vaten. Moeten wij misschien dan hieronder verstaan de kortstondigheid en de broosheid van ons leven? Immers is er slechts ééne schrede tusschen ons en den dood, ééne schrede tusschen ons en eene ernstige ziekte en sleepende kwaal, ook bij de predikers. Zeker, gemeente, dit behoort er ook bij als Paulus zegt: „wij hebben dezen schat in aarden vaten". Maar hij heeft veel meer iets anders op het oog, n.l. dat het ambt wel heerlijk is, maar dat het met de ambtsdragers een-en-al gebrekkigheid is. Hier is bedoeld de groote afstand tusschen het heerlijke werk en hen, wien dit werk is toevertrouwd. Er wordt wel eens gezegd: „de dominee's zijn ook menschen", alsof iemand dat zou willen tegenspreken. Toch ligt er dezelfde gedachte aan ten grondslag: schatdragers met aarden vaten. Het werk is zoo geestelijk, zoo verheven, opeischend al onze krachten in de gespannenheid van heel ons geestelijk bestaan, van den Zondag tot Zaterdag, en toch wij zijn menschen, van gelijke beweging als zij, tot wie de schat wordt uitgedragen. Hoe langer een prediker, van zijn roeping bewust, in het ambt werkzaam is, wordt hem dit het moeilijke van zijn taak. Zeker, hij krijgt hoe langer hoe meer routine, vaardigheid, om een woord te pas te spreken, het gebed te doen, troostwoorden te uiten, vaak op klokslag af. Maar er is toch zeker niemand die meent dat hij zoo'n geestelijk persoon is, dat hij dit altijd maar voor het scheppen heeft? Ja, 'k stem u toe, hij moest dit wel zijn; zijn ambt legt op heel z'n persoon beslag al z'n dagen; 't móést wel zoo, maar het „moeten" is nog niet hetzelfde als het „kunnen". Welnu, dat gedurige aanvoelen van de heerlijkheid van het ambt en gebrekkigheid der ambtsdragers, maakt het zoo moeilijk om dominee te zijn.
Het is zoo heerlijk, maar 't is ook zoo moeilijk. Hij die het zoo gaarne wil zijn, zou het ook telkens zoo gaarne eens niét zijn. En dit laatste kan juist niet. Dat is uitgesloten. Dit is het wat de apostel bedoelt als hij zegt: „Maar wij dragen dezen schat in aarden vaten".
't Geeft overvloedig reden om voor uwe leeraars te bidden, gemeente. Bekritiseer hen niet te spoedig. Voor hen den troon van Gods genade te zoeken is beter. Maar bidt dan dat dit moeilijke maar gedurig door hen verstaan zal worden. Door het moeilijke loopt toch de beste weg. Zij, die gedurig tot zichzelf mogen zeggen, bij de heerlijke taak, die zij ordelijk en op tijd hebben te volbrengen: „ik ben een aarden vat", zij zullen met des te grooter vrijmoedigheid schatdragers zijn. Het zal hen niet om henzelf te doen zijn, niet om hun eigen naam of eer, want zij kunnen het nooit verder brengen dan aarden vaten voor den schat te zijn. Maar 't zal hen dan om dit laatste te doen zijn, n.l. de verlichting der kennis van de heerlijkheid Gods in het aangezicht van Jezus Christus en hun eigen bede zal zijn: ,,Heere, doe ook mij maar veel deelen in die kennis".
En wat elken leeraar dan vertroosten mag is dat ook Paulus zich een aarden vat noemt. Ook hij kende die genoemde moeilijkheid. Welnu, Gemeente, ik heb er vrede bij. Laat ook ik dan maar een aarden vat in uw midden zijn. Een aarden vat is niet te prijzen. Maar het vermindert niets aan den schat, die te prijzen is. 'k Ben dan toch een schatdrager.
Tenslotte willen wij u wijzen op het zegenrijke werk van den Evangeliedienaar. Al wat de predikers van zichzelf zijn, hun eigen werk, hun eigen toedoen is gebrekkig; het is het aarden vat. Maar dat doet aan den schat, het Evangelie en zijn bediening niets af. Immers een schat wordt er in zichzelf niet minder door, als hij gelegd wordt in een verachtelijk vat. Ja, de apostel vindt het maar het beste, dat de schat van het Evangelie in aarden vaten gedragen wordt, en niet in schitterende gouden. Hij wil het niet anders. Zélf wil hij niet schitteren om daardoor de aandacht af te trekken van hetgeen hem als een kostbaar pand is toevertrouwd. Hij wil zelfs niet komen met wijsheid van woorden, opdat het kruis van Christus niet verijdeld worde. Alleen wat van God is, is te prijzen. Hoort hem dit met vreugde uitspreken: „wij hebben dezen schat in aarden vaten, opdat de uitnemendheid der kracht zij van God en niet uit ons". Stel u voor dat de predikers van evenveel waarde zouden zijn als het Evangelie dat zij bedienden, dan zou een groot gedeelte van den zegen, van de kracht die het Evangelie uitoefent, aan hen te danken zijn. Maar nu zij slechts aarden vaten zijn, is de uitnemendheid van de kracht van het Evangelie enkel uit God en voor niet het minste uit ons.
Wat dan die uitnemende kracht van het Evangelie en van de bediening daarvan is? Vraagt gij dat, geliefden? Weet gij er misschien wel van te spreken, voor uw eigen zieleleven? De uitnemendheid der kracht! Zij is daar werkzaam, waar een mensch arm voor God wordt, in de belijdenis zijns harten. Dat kan geen menschelijke kracht tot stand brengen. De mensch houdt helaas zoo gaarne vast aan wat hij 't zijne acht, en schat de waarde van een deugdzaam leven hoog voor zijn rechtvaardiging en zaligheid. Ook wel zijn vroomheid en godsdienstige gevoelens. Ja, het schijnt soms wel dat God nog blijde mag zijn, dat Hij zulke geloovig-gezinde menschen onder Zijn schepselen telt. O, hoe rijk zijn wij dan in eigen oogen! Dan ontbreekt het vaak niet aan de meest ootmoedig klinkende woorden, maar in die woorden zoekt de mensch dan weer zijn kracht en is weer rijk in eigen oog, enkel door de leer van het Evangelie. Dan is hij rijk en verrijkt en heeft aan geen ding gebrek! En laat hij het een of het ander al even los, hij grijpt het onmiddellijk weer vast, om toch maar zijne goederen bij zich te houden. En hij heeft z'n vaten gevuld! Manden vol! Wagenvrachten! Er zullen hier in Veenendaal ook wel zulke rijke menschen zijn? Laat ik u dan waarschuwen en zeggen dat gij er voor eeuwig mede om zult komen. Dan weet gij niet dat gij arm en ellendig zijt.
Wat is nu de uitnemendheid der kracht van het Evangelie? Wel, dat gij uw belijdend en deugdzaam leven houdt, maar dat gij hierbij als een doodschuldig mensch voor een volmaakt heilig en rechtvaardig God in den geest nederbuigt, belijdende: ik heb nooit anders gedaan dan mijn schuld vermeerderd, en al wat ik doe, ook in 't godsdienstige, wat ik zeg, belijd, bid, geloof, keert schuldig tot mij weder. Dit is door de uitnemende kracht van het Evangelie en zijn bediening. Een werking die in haar kracht niet minder is dan die der schepping. Dat kan geen aarden vat doen. En al ben ik dan, Gemeente, in uw midden slechts een aarden vat, God geve dat de zegen van het arm-worden ook op mijne prediking mag rusten voor menigeen uwer. Immers is de bediening van het Evangelie op zichzelf een schat, zij deelt naar de belofte des Heeren ook een schat uit en zij maakt armen rijk en vervult schuldige menschen met de geestelijke goederen van schuldvergeving en verzoening met God door Jezus Christus, onzen Heere. En nu weet ik wel, dat menigeen in klein-geloof en met schuchterheid vervuld is tegenover deze door den Heiland verworven heilsgoederen en deze niet durft aannemen door het geloof. Alle aanmoedigende woorden en troostvolle schriftgedeelten stuiten dan af op de vrees zich iets toe te eigenen waarop men geen recht meent te bezitten. Maar weet gij, Gemeente, wat nu de zegen van het Evangelie is, de uitnemendheid der kracht daarvan? Wel, dat haast als met één slag alle schroomvalligheid wordt weggenomen en gij in gehoorzaamheid des geloofs de genade van den Heere Jezus aanneemt, zoodat gij er u over verwondert dat gij het niet eerder deedt en gij met uw klein-geloof 't werk van uwen Koning nog zoolang onteerd hebt! Neen, dat kan geen prediker doen! Neen, dat is niet iets van het aarden vat. Dit is door den schat van het Evangelie, waarin de Heere Zelf de uitnemendheid der kracht toonde. En al ben ik dan slechts een aarden vat in uw midden, en zal al wat van mij zelf is een-en-al gebrekkigheid zijn, zegene de Heere ook mijn prediking en arbeid, opdat menigeen ook mede daardoor zich mag verheugen in den rijken Heiland voor zondaren. En zoo zal er een heerlijke overeenstemming zijn, tusschen mijne prediking en uw geloof. In mijn prediking is niets anders te verheerlijken dan de grootheid Gods, de kennis van den heerlijken God in het aangezicht van Jezus Christus. Als ik iets anders doe dan moogt gij mij niet als een dienstknecht van den Heere erkennen! Maar is het mijn biddende wensch om tot niet anders te dienen dan tot verlichting der kennis der heerlijkheid Gods in het aangezicht van Jezus Christus, ontvangt mij dan ook als een schatdrager. Mijn prediking en uw geloof loopen dan tezamen uit op één heerlijk doel, het eeuwige doel van de verlossing van Jezus Christus, n.l. den lof van Hem, Die te prijzen is tot in der eeuwigheid.
Amen.
V. v.d. S.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 april 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 april 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's