FEUILLETON
Kleine Luijden
SCHETSEN UIT HET FRIESCHE DORPSLEVEN,
door IDSARDI.
8)
In alle kringen en standen werd dit weldra het onderwerp van 't gesprek, niet het minst onder de vrouwelijke ingezetenen, en in het bizonder was het Syke Flodder, die zorgde voor de noodige publicatie. Van haar eigen heette zij Syke Bonnema, en sinds zij trouwde met kleinen Symen, werd zij voor de Wet, Syke Barends, maar in den volksmond bleef zij Syke Flodder, om de eenvoudige reden, dat zij nu eenmaal in. alles wat flodderig was. In haar kleeren, in haar werk, in haar spreken, — in-geheel haar doen.
Kwaad is zij niet, heelemaal niet. Integendeel, zij heeft wat men noemt een goed hart. Over het algemeen neemt zij de dingen niet zwaar op, maar de zorgen van het leven die bij de gestadige gezinsvermeerderinig toenamen, zijn wel oorzaak geweest dat Syke uit de richting geraakte en er in den laatsten tijd een andere levensbeschouwing op na hield, dan toen zij nog ongetrouwd was.
In vroeger jaren ging zij trouw naar de kerk en catechisatie, was lid van de Christelijke Zangvereeniging en Jongedochtersvereeniging, en deed vast mee als er in de gemeente hulp van jonge menschen noodig was voor een of anderen arbeid van liefdadigheid of Zending.
Zoo is zij ook aan kleinen Symen geslaagd, die kuipersknecht is en na afloop van een jaarfeest der Zangvereeniging haar thuis bracht. Toen het vaste verkeering met hen werd, had baas Prik, de dorpsschoenmaker en ouderling, Syke's moeder, die weduwe was, gewaarschuwd, omdat Symen volgens zijn zeggen tot de lichte cavalerie behoorde. Wel ging hij bij hooi en bij gras naar de kerk, maar omdat hij een orthodoxen baas had, en het haast niet anders kon. Uit zichzelf zou hij vast niet gaan, want hij kwam uit een gemeente, waar kerk gaan een vreemde zaak was. 't Kon nooit goed komen, wanneer Syke zich met zulk een persoon af gaf en dat later een huwelijk werd.
Maar Syke had gezegd: „waar bemoeit die pikdraad zich mee? 'k Zal hem zeker moeten vragen, met wien ik trouwen mag!" En toen moeder daarop zei: ,,och kind, de man zegt het om je best wil, en omdat hij als ouderling mede waakt over de kudde" — had Syke het weerbarstige hoofd in den nek geworpen en geantwoord: „nou hoor eens moeder, dat zijn mijn zaken. Je blijft mijn eigen, beste moedertje, maar ik dank er voor om mijn heele leven te dienen, en als ik de kans gunstig zie, dan smeer ik 'm."
En zij heeft het gedaan, al heel spoedig óók. Niettegenstaande de waarschuwingen van hen die het zoo goed met haar meenden, en de vermaningen van ds. Randwijk vooral bij het afleggen der belijdenis haar gegeven, toen hïj sprak over den tekst: trekt geen ander juk aan met de ongeloovigen, want wat mededeel heeft de gerechtigheid met de ongerechtigheid? en wat gemeenschap heeft het licht met de duisternis? En wat samenstemming heeft Christus met Belial? of wat deel heeft de geloovige met den ongeloovige?
Dat woord had haar wel aangegrepen, en evenals de anderen had zij haar zakdoek, zoo'n mooien, met een randje — uitgehaald om iets weg te vegen, maar dat haar eigen teere geloofsleven, ternauwernood meer dan een rookende vlaswiek, in gevaar zou komen door de vrouw van Symen te worden, daar dacht zij niet aan. Hij was immers ook in de kerk, en als zij maar eenmaal getrouwd waren, zou hij wel geheel bij draaien. Maar hij draaide niet bij; juist het omgekeerde. Symen las „het Volk", en daaruit had hij geleerd dat de Kerk het altijd opnam voor het kapitalisme en tegen de arbeiders. 't Was naar zijn meening volkomen waar, wat onlangs de postbode zei, die ook tot de „rooien" behoort, dat die dominé's en allen die in de kerk dienden, de geestelijke politieagenten waren, die de wacht houden bij de brandkasten der rijken.
Voor ds. Randwijk had hij alle respect. Dat was een man, die nog wat voelde voor het volk, maar voor de rest moest hij van al die zwartrokken niets hebben. Broodpredikers waren het, die de arme menschen voonhielden dat zij maar tevreden moesten zijn en onderdanig om eenmaal een goed plaatsje in den hemel te krijgen. Maar Symen had het maar liever hier goed; wat later kwam, moest toch worden afgewacht. Als Syke naar de kerk wilde, dat was haar zaak, maar hij ging Zondagsmorgens liever een eindje wandelen of visschen al naar het viel, en 's middags een slaapje nemen, 's Daags zaten je altijd vast en dan Zondags ook nog steeds bezet, — hij paste d'r voor. Zoo kwam het dat Syke in 't begin van haar huwelijk nog wij trouw kerkte, doch bijna altijd alleen; dat hun eerste kind óók nog gedoopt werd, al ging het met veel tegenzin van Symen, en dat zij, toen de huishouding grooter werd, van lieverlede mee afzakte, om ten slotte nooit meer naar 's Heeren huis te gaan.
Meermalen had ds. Randwijk haar hierover gesproken, als hij op huisbezoek kwam of na de geboorte der kleintjes, waarvan eerst nog aan de pastorie kennis gegeven werd. Symen was gewoonlijk van huis als hij wist dat dominé op de komst was, en Syke had het dan altijd verbazend druk met het opredderen van haar kamer, omdat overal wat slingerde, en dominé het zoo raar trof, maar achter dit druk gedoe zocht zij hare verlegenheid te verbergen, meteen hopend zoo te zullen ontkomen aan zijn ernstig woord.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 april 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 april 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's