VERSLAG
Verslag van de 23ste Algemeene Bondsvergadering, gehouden te Utrecht den 29sten Maart 1928.
II.
Ds. J. Goslinga antwoordt nu op de vragen, hem in de morgen-vergadering na het houden van zijn referaat gedaan. Wat ds. Enkelaar zeide omtrent een Hospitium, is een idee, waarvoor gepleit kan worden, doch die evenzeer haar tegen heeft. Het is ook de vraag of zoo'n „groote opzet" goedkooper zal zijn. De meeste gymnasiasten en vele studenten wonen nog in bij hun ouders. Voor de weinigen die „op kamers" wonen is een Hospitium te groot. Over het leeken-element denkt 't Hoofdbestuur evenals hij. Ds. Van Dorp heeft de vraag gesteld aangaande de Gereformeerde Kerk vóór 1795. Hem wordt geantwoord dat er tóén van de vele gescheiden kerken geen sprake was en dat de verhouding van Kerk en Staat toen daardoor zóó was, dat deze daarna niet zoo meer kan gedacht. De andere kerken werden door den referent genoemd omdat hij dezen met het oog op zijn onderwerp over „de opleiding" niet kon passeeren. De naam „Bondspredikant" duidt nog altijd een eigen karakter aan; het is een naam, die moeilijk kan vermeden worden, waar velen zich in onze dagen „gereformeerd" noemen. Wat anderen er mee bedoelen ten kwade, kan voor ons een eeretitel wezen.
De verschillende voorstellen der afdeelingen komen nu aan de orde. De afgevaardigde van „Haarlem" wil van de orde van de agenda afwijken en het voorstel van zijn afdeeling als het meest belangrijke eerst behandeld zien. Hiermede kan de Voorzitter zich niet vereenigen, omdat de voorstellen van „Rotterdam" al reeds van de vorige jaarvergadering zijn. Bovendien zijn zij het eerst dit jaar weer ingekomen. Tenslotte is het nog de vraag of het voorstel van „Haarlem" het belangrijkste is.
„Rotterdam" stelt dus voor: „De Gereformeerde Bond stelle een eigen examen in voor Godsdienstonderwijzers".
De heer Scherpenzeel vraagt of de Gereformeerde Godsdienstonderwijzers dan niet te vertrouwen zijn, zoodat zij nog eens extra onderzocht moeten worden? Dit gebeurt toch met de Gereformeerde predikanten ook niet? Hij verklaart zich sterk tegen een dergelijk voorstel. Ds. Timmer acht het toch wel goed dat door hen een kleine Gereformeerde dogmatiek wordt doorgewerkt. Dit zal hen zelf, maar ook de Kerk te bate komen. En dan moet er ook een onderzoek, een examen aan verbonden zijn. Ds. Dekker vindt het bedoelde examen overbodig. Uit allesbehalve Gereformeerde kringen komen vaak de beste Gereformeerde predikanten en Godsdienstonderwijzers voort. De Voorzitter zegt dat zulk een examen niet als een bewijs van wantrouwen moet worden aangemerkt, maar dat het te doen is om de goede Godsdienstonderwijzers te helpen en hen in onze kringen en gemeenten in te leiden. Dr. Severijn zegt dat er principieel geen plaats is voor Godsdienstonderwijzers, zooals die nu als predikers in onze Kerk werken, dus ook niet voor een examen. Hij stelt voor dat er eene commissie worde benoemd om de praktische zijde van het vraagstuk te onderzoeken. Hiermede gaat de vergadering akkoord.
Zonder bespreking sluit de vergadering zich aan bij het tweede voorstel van „Rotterdam": „De Gereformeerde Bond benoeme door het Hoofdbestuur een commissie van „zeven" om het vraagstuk van de verhouding van Kerk en Staat onder de oogen te zien en in een rapport neer te leggen wat onze wenschen zijn tot oplossing van het hangend vraagstuk der financieele verhouding, zoowel wat aangaat de Kerk als wat betreft den Staat".
Aan de orde komt de vraag van „Zeist" over de preekuitzendingen per radio.
Dr. Severijn meent dat wij ons zoo maar niet ineens ervóór kunnen verklaren. Hij zelf is met dit vraagstuk nog niet gereed. Wij moeten naarstig onderzoeken welke gaven de memsch had, toen hij zonder zonde was en hoe die gaven zich zouden ontwikkeld hebben, niet vergetende dat God den mensch de aarde gegeven heeft om deze te doen vervullen. Het Puriteinsch karakter moeten wij niet geheel verachten. Als Bond moeten wij ons niet uitspreken en over het praktische ons nog even bezinnen.
Ds. Batelaan wil, dat dr. Severijn hierover een verhandeling zal schrijven in „De Waarheidsvriend".
Ds. Binsbergen acht het geheel een praktische kwestie, waarover wij nu niet lang meer behoeven te filosofeeren. Wij kunnen hier best uitmaken wat de Bond goedkeurt.
De heer Batelaan van Bodegraven is sterk vóór de preekuitzendingen per radio. Hij vindt het een schoon evangelisatiemiddel, zoodat menschen die nimmer eene Gereformeerde prediking beluisterden, haar nu kunnen vernemen. Wel zijn er bezwaren, maar de voordeelen zijn grooter.
Ds. Enkelaar meent dat ook deze uitzendingen moeten bezien, worden onder het woord des apostels: „Een ieder zij in zijn gemoed ten volle verzekerd". Ds. Goslinga zegt dat er bij elken predikdienst Zondagswerk verricht moet worden. Dat dit een weinig méér het geval is bij een Zondagsche uitzending, mag voor ons geen bezwaar zijn. Ds. Van Nie is bevreesd dat, als de Bond zich voor de uitzendingen des Zondags verklaart, men buiten onzen kring de conclusie zal trekken: „wij behoeven niet meer naar de kerk !" Ten slotte verklaart zich het grootste deel der vergadering er voor dat de preekuitzendingen per radio, ook des Zondags, kractitig gesteund moeten worden.
Aan de orde komt het voorstel „Alphen a, d. Rijn", gesteund door „Haarlem" en Gouda", over het oprichten van „gewestelijke afdeelingen". De afgevaardigde van Alphen a.d. Rijn zet het voorstel uiteen, waarbij hij in het begin gedurig in de rede moest worden gevallen door den Voorzitter, omdat hij leugens voorlas, die zoo maar niet konden passeeren. Wat vooral de antipathie van de geheele vergadering tegen dit voorstel opwekte was het feit, dat het geboren was uit de begeerte om eens een andere stem te doen hooren dan die van het Hoofdbestuur. De afgevaardigden van ,,Haarlem" en „Gouda" spraken het rondweg uit, waarbij zich ook de heer Brinkers van „Utrecht" voegde, dat zij wel Provinciale afdeelingen wenschten, maar alleen om 't Hoofdbestuur en 't Bondsleven, naar zijn doel en streven in het Reglement uitgedrukt, te bevorderen. Dit heeft „Utrecht" al zoo lang gewild. Maar ziende den oorsprong van dit voorstel, stelde de heer Brinkers vóór het nu te verwerpen.
Zoo werd door de geheele vergadering besloten.
Zooals reeds in het begin van dit verslag gezegd is, moest de afgevaardigde van „Alphen", toen hij z'n tweede voorstel over de Antirevolutionaire politiek wilde belichten, wegens zijn hatelijkheid dadelijk van het woord afzien. Ds. Van Nie heeft toen in waardigen toon het zijne hierover gezegd. De bedoeling is dat ,,De Waarheidsvriend" zich van de praktische zijde der politiek onthoude en slechts principieel de dingen behandele.
De heer Duymaer van Twist verdedigt daarop krachtig zijn standpunt, en zet helder uiteen dat hij in zijn stukken in „De Waarheidsvriend" in geen enkel opzicht wenscht af te wijken van het Antirevolutionaire Program. Over de kwestie van het BeIgisch Verdrag en het schrijven van prof. Visscher in de „Groene Amsterdammer" laat hij een helder licht vallen, zoodat nu de geheele vergadering een veel duidelijker inzicht hierover verkrijgt. Het is hem goed, dat hij het hier onder onze menschen eens zeggen kon!
Ten slotte wordt vanaf de bestuurstafel rondweg uitgesproken dat „De Waarheidsvriend" vanaf het begin Antirevolutionair is geweest en het ook zal blijven.
Ds. Lans verklaart dat er in den laatsten tijd ook al in den Bond van Herv. Geref. Jongelingsvereenigingen een streven is om de politiek „er buiten te houden", juist door hen voorgestaan, die zich door de afirekende politiek van ds. Kersten laten leiden en blijkbaar gevoelen dat zij er niets positiefs voor in de plaats kunnen stellen. Wij moeten ons daardoor niet laten beïnvloeden!
De Voorzitter — 't is ondertusschen half zes geworden; de vergadering heeft een volle maat ontvangen! — gaat over tot 't sluiten van de vergadering. Hij spreekt den wensch uit dat de lamp van Gods Woord helder strale in het midden van de Kerk des Heeren in ons Vaderland. Hij dankt de afdeeling „Utrecht" voor hare goede zorgen. Zij heeft ook nu weer gezorgd dat wij hier zoo rustig konden vergaderen. Er zal eene commissie benoemd worden tot nazien van de rekening door het Hoofdbestuur.
De Voorzitter sluit de vergadering, nadat ds. Goslinga voorging in het dankgebed.
Over de geestelijke nalatenschap van wijlen onzen Penningmeester
Referaat gehouden op de 23ste Jaarvergadering
I.
Dat op den 1sten Landdag van den Geref. Bond, na het overlijden van onzen onvergetelijken Fliehe een Onderwerp als thans aan de orde wordt gesteld, kan niemand verwonderen. Immers hiertoe gevoelden we ons gedrongen, eerstens door piëteit. Noode laat zich ergens eene zustercorporatie wijzen, aan wie zulk een godsgeschenk te beurt mocht vallen, dat zonder eenige voorafkondiging werd gegeven; om op even en dezelfde wijze ook weer van ons te worden weggenomen. Erkentelijkheid jegens den Gever, erkentelijkheid ook ten opzichte van de gave!
Vervolgens wijl we ons overtuigd hielden, dat geen enkel onderwerp dichter bij het middelpunt zich bevindt van ons aller belangstelling. Zulk een onderwerp heeft dit voor, dat het staat midden in het practische leven. Hier gaat geen tijd mee te loor, zooals anders wel eens de verzuchting werd vernomen, want dit maakt deel uit van de actie, welke door den Bond als zoodanigwWordt gevoerd. Vandaar dat wij ditmaal niet om een welwillend oor behoeven te vragen, zeker als we daarvan reeds van te voren zijn.
We spreken dan over de geestelijke nalatenschap van wijlen onzen Penningmeester.
Vooreerst een enkel woord tot inleiding. Wanneer iemand van ons heengaat, wordt lichtelijk een blik teruggeworpen naar het verleden, wordt in overzicht genomen, wat hij voor ons geweest is en welk resultaat werd bereikt door zijn arbeid, om van daaruit de draden te spannen, welke het stramien vormen, waarop het doek, waaraan onze gemeenschappelijke arbeid is gewijd, verder kan worden afgeborduurd.
Het verleden vraagt in de eerste plaats onze aandacht. Wat is de heer Fliehe voor ons geweest? Met één woord duidde ik het karakter hiervan reeds aan. Hij was een godsgave! In het algemeen geldt, dat het oordeel omtrent die van ons heengingen veel gunstiger luidt dan aangaande hen met wie wij nog in het heden verkeeren. Hoe en vanwaar dat komt, laten we voor het oogenblik liever rusten? Voldoende is het ons te constateeren het nuchtere feit: „over de dooden niets dan goeds".
Deze trek is wel zóó opvallend, dat hiervan schier nooit wordt afgeweken. De zucht om alles wat ontsierde met den sluier der vergetelheid te bedekken en alles wat prijzenswaardig bij hem of haar was te vinden, uitsluitend te belichten, is bij alle volken en in alle eeuwen dezelfde.De dood heeft de donkere vlekken blijkbaar met zijn duistere schaduwen weggevlakt. 't Is weggeschoven binnen het grensgebied , van de eeuwigheid, 't Staat voor den rechterstoel van Hem, Die alles recht ziet en recht oordeelt. Aan dit algemeen verschijnsel ontkomt geen enkel leven, dat afbrak. Dus ook niet dat van onzen onvergetelijke Fliehe. De dood heeft hem nóg schooner gemaakt.
Nog schooner.
Want moeilijk zoudt ge iemand vinden, binnen onzen kring althans, die ook maar het minste kwaad van hem doorliet. Hij was als 't. ware met onzichtbare machten omgeven, die hem vrijwaarden voor verdachtmaking of afbrekende critiek, terwijl hij mocht zeggen, wat niemand zeggen durfde. Hij ontgon terreinen, waarop tot nu niemand zich had gewaagd, 't Was wonderlijk welk een persona grata hij was. Maar, wat anderen verleend werd na hun heengaan, verkreeg hij reeds bij zijn leven. Hij kon 't o zoo moeilijk bij iemand bederven. Vandaar zijn ongemeen succes. Zonder aanspraak te maken op eenige deugd of bizondere eigenschap - hij was het zich immers bewust dat hij als een ongeletterd iemand veel tegemoetkoming zou behoeven - schreef hij elke week een bijdrage, waarnaar de lezers het eerst zochten, en wat voor o zoovelen, zoo niet het voornaamste, toch voor een der belangrijkste stukken gold.
Waarin vindt nu dit geheim zijne verklaring?
'k Geloof niet te zullen mistasten. Dit kwam, omdat hij zoo uitermate nuchter en natuurlijk was. Zoo van hoofd tot teen zich zelve. En dan iemand, die de zaak des Heeren diende zonder eenige bijbedoeling. Hoe vaak heb ik dit niet van zijne lippen gehoord, ook bij zijn heengaan: dat de Heere mij nog wilde gebruiken voor zulk een heerlijk werk in en ten bate van Zijn Kerk op aarde!
Aan een nederigen geest paarde hij een fijnen humor, die hem zelden of nooit alleen liet. Altijd weer zag hij den zonnigen kant aan de dingen. God is groot, en wij beteekenen niets. Als Hij Zijn majesteit toont, gebeuren er altijd wonderlijke dingen. Hij had vertrouwen in de zaak, die hij diende. Zelden vindt ge zulke heerlijke samenvoegingen in één mensch.
Dat hij net zooveel had geleerd om zich fatsoenlijk te kunnen redden en niet meer, zooals hij placht te zeggen, maakte hem juist de geschikte man. Niet te veel en niet te weinig. Deze rooilinie te vinden is verre van gemakkelijk. Een van de vele leemten, van onzen tijd is juist, dit, dat de theoretische kennis onevenredig is aan den practischen blik op het leven. Noode laat de indruk zich weren, dat wat minder bespiegelingen en wat beter gearbeid, de zaak meer zou vooruit brengen dan thans. Zou onze wereld niet zuchten onder al dat geconfereer? De een weet het altijd weer beter dan de ander, doch het resultaat is gewoonlijk dit, dat het insteê van beter, nog slechter is geworden.
J.G.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 april 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 april 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's